Een strenge wetgeving voor bushi en kuge
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Buke shohatto (1615)
De controle uitgeoefend op de daimyō beperkte zich niet tot het afdwingen van een feodale eed van trouw. Zij dienden zich te onderwerpen aan strikte wetten, die bekend staan als buke shohatto 武家諸法度, wetten voor de militaire families. Deze code werd voor het eerst uitgevaardigd in naam van de tweede shōgun Tokugawa Hidetada kort na de val van Ōsaka in 1615. Het waren 13 artikelen die het gezag van de shōgun over de daimyō omschreven, en algemene verplichtingen voorzagen die de daimyō op straffe van zware vergeldingsmaatregelen op zich moesten nemen. Doorgaans vaardigde elke nieuwe shōgun een eigen buke shohatto uit zodat men om ze te onderscheiden ze pleegt te noemen naar de jaarperiode van uitvaardiging. De eerste code wordt genna-rei 元和令 genoemd, omdat ze in de Genna-periode (1615-1624) van kracht werd. Volgens die codes mocht men geen nieuwe kastelen of forten bouwen, mocht men zonder vergunning geen verbouwingen of herstellingen uitvoeren aan bestaande kastelen, mocht men geen allianties of fusies van clans aangaan, diende men de toestemming van de shōgun te hebben voor een huwelijk etc,...
Vanaf de derde shōgun Iemitsu 家光 (1604-1651, reg. 1623-1651) werd het definitieve stramien vastgelegd. De tijdens zijn bewind uitgevaardigde buke shohatto van 1635 voorzag onder andere in volgende bepalingen:
- verbod om grote, zeewaardige schepen te bouwen;
- verbanning van de jezuïeten uit Japan;
- beperkingen inzake het verkeer van goederen en personen;
- sankin kōtai-sei 参勤交代制 (de plicht van de daimyō om op geregelde tijdstippen naar Edo te gaan);
- ...
In totaal waren er 21 artikelen.
Het aantal artikelen mocht dan wel verschillen naargelang de opvattingen van deze of gene shōgun, de geest van de buke shohatto bleef wel min of meer onveranderd. Men kon ze als een matrijs beschouwen voor een bestuurlijke controle op militaire leest geschoeid.
Sankin kōtai
Van alle voorschriften had het sankin kōtai evenwel de meest verstrekkende gevolgen. Het betreft een maatregel die de daimyō verplichtte om op geregelde tijdstippen hun opwachting in het kasteel van Edo te maken, die als gewild neveneffect had dat hij de autoriteit van de daimyō verzwakte, hen zoveel mogelijk kansen ontnam om in opstand te komen en hen geregeld financieel aderliet. Reeds in de tijd van Ieyasu bestond het gebruik dat de daimyō, om te bewijzen dat zij het gezag van de shōgun respecteerden, eens om de twee à drie jaar naar Edo gingen om hem eer te betuigen en dat zij vaak hun echtgenote en enkele van hun kinderen in Edo onderbrachten als een soort onderpand van hun trouw. Dat gebruik werd door Iemitsu wettelijk verplicht in zijn buke shohatto. Om het jaar dienden de daimyō voor enkele maanden naar Edo te komen om hun opwachting te maken bij de shōgun. Zij verplaatsten zich met een groot gevolg in marsorde, zoals het een krijgsheer paste, maar dat kostte hen wel een hele hoop geld. Op die manier probeerde het bakufu de banden van de daimyō met hun ondergeschikten in hun respectievelijke han zoveel mogelijk te verzwakken en hen op kosten te jagen. Nog een stap verder ging de verplichting voor de daimyō om hun vrouw en kinderen in Edo te huisvesten, in feite als gijzelaars, in omstandigheden hun afkomst waardig. Zodoende dienden de daimyō twee residenties te onderhouden, voor velen een zware financiële last. Het ontnam hun zo de materiële mogelijkheid een opstand tegen het bakufu te financieren.
Niettemin bood het systeem vanuit bestuurlijk en sociaal-economisch oogpunt enkele onmiskenbare voordelen. Het voortdurende heen- en weergereis en de regelmatige audiënties bij de shōgun zorgden ervoor dat geen enkele daimyō onwetend kon zijn inzake de door het bakufu genomen besluiten en wetten. Tevens betekende het af en aan reizen van alle daimyō en hun gevolg een belangrijke financiële en economische stimulans voor de gebieden waar ze door trokken: er kwam een netwerk van officiële wegen en de geldeconomie werd enorm gestimuleerd. Bovendien zullen na verloop van tijd de daimyō zelf er meer voordelen dan nadelen in gezien hadden. Ze hadden een residentie in Edo, die hen toeliet om deel te nemen aan het gesofistikeerde leven van de stad, een welkome verademing van het monotone bestaan in de meeste van de han.
O-tetsudai-bushin
Een ander middel waarmee het bakufu de daimyō economisch verzwakte waren de o-tetsudai bushin 御手伝普請 of solidariteitsbijdragen in de vorm van geld en mankracht waar het bakufu om ‘verzocht’ om zijn forten (Sunpu, Nijō 二条, Ōsaka, Edo,...) te herstellen, of om bruggen en wegen te bouwen,... Eén van de projecten die op die manier heel wat geld en mankracht opslorpte was de bouw van de Tōshōgū 東照宮 te Nikkō 日光, een mausoleum voor de geest van Ieyasu, die er als een godheid werd vereerd. Deze tempel werd trouwens het reisdoel van uitgebreide staatsiebezoeken van daimyō.
Dit soort verplichtingen onderstreepte duidelijk de macht van het bakufu en de rijkdom van de samurai-klasse, maar leidde anderzijds al vlug tot een merkelijke verarming van deze laatste.
Kinchū narabi ni kuge shohatto (1615)
Niet alleen de daimyō waren het voorwerp van strenge supervisie door het bakufu, ook het keizerlijk hof in Kyōto werd nauwlettend in de gaten gehouden. Voor de buitenwereld gedroeg het bakufu zich respectvol ten opzichte van de keizer, maar in zijn beleid streefde de shōgun ernaar de troon zoveel mogelijk te isoleren. Het hof kreeg wel de middelen om enkele paleizen weer op te bouwen en zowel de keizerlijke familie als andere aristocratische clans kregen grond om hun een minimum inkomen te garanderen, maar zeker niet meer dan nodig, om geen gevaar te kunnen worden voor het bakufu. Ook werd ervoor gezorgd dat daimyō en hofaristocratie geen banden konden smeden, onder andere door de daimyō die ten westen van Kyōto woonden te verbieden via Kyōto te reizen om hun jaarlijkse bezoek aan Edo te brengen.
Zoals de samurai hun buke shohatto hadden, zo moest de aristocratie gehoorzamen aan de Kinchū narabi ni kuge shohatto 禁中並公家諸法度, wetten voor het hof en de aristocratische families, een eveneens in 1615 gepromulgeerde code. Deze wet beperkte de functie van de keizer tot louter ceremoniële taken, schreef hem voor zich vooral te bekwamen in kunsten en wetenschap en zich niet in te laten met politiek, legde een hiërarchie aan het hof vast, voorzag in allerlei gedetailleerde reglementen inzake toegestane kleding en hield vooral het recht van benoemingen in de keizerlijke administratie als een prerogatief van het bakufu. Tevens werden de banden tussen de keizerlijke familie en de grote tempels gereglementeerd en werden sommige keizerlijke prinsen gedwongen een religieus leven te leiden. Het doen en laten aan het keizerlijk hof werd nauwkeurig gevolgd door de permanente gezant van het bakufu in Kyōto, de zogenaamde Kyōto soshidai 京都所司代 die niet alleen recht van controle had maar ook sancties kon opleggen. Naast dit alles bediende Hidetada zich ook van de ‘klassieke methode’ om de keizerlijke familie te controleren door zijn dochter als concubine aan de keizer uit te huwelijken. Dit soort praktijk werd evenwel niet door de latere shōgun verdergezet, wel echter het gebruik om betrouwbare aristocraten uit de keizerlijke administratie, of vertrouwensmannen van de keizer een functie in Edo aan te bieden om op die manier hun talenten in te zetten voor het militaire bestuur en het keizerlijk hof zo zwak mogelijk te houden.
Incident van het purperen habijt
De keizer kreeg geen enkele kans om zich aan de controle van het bakufu te onttrekken, zoals het ‘purperen habijt’-incident (shie jiken 紫衣事件) illustreert. Reeds in 1613 en opnieuw in 1615 met de uitvaardiging van de kinchū narabi ni kuge shohatto had het bakufu het prerogatief van de keizer om hoge kerkelijke benoemingen (de dragers van het purperen habijt) te doen, aan banden gelegd, omdat de procedure ervan corrupt en een bron van inkomsten voor de troon was. Toen dan in 1627 keizer Go-Mizuno'o (後水尾), buiten weten van het bakufu om nieuwe benoemingen deed, trok het bakufu deze weer in en ontnam de keizer alle recht inzake hoge religieuze benoemingen. Keizer Go-Mizuno'o werd hierdoor zwaar vernederd en toen het bakufu ook nog een 70-tal reeds eerder benoemde priesters van hun rang en status beroofde, deed de keizer troonsafstand. Maar zelfs dit aftreden werd een gelegenheid voor het bakufu om zijn opperheerschappij te onderstrepen. Hij dwong Go-Mizuno'o om zijn dochter (kleindochter van Ieyasu) tot keizerin te kronen. Dit was de eerste vrouwelijke monarch sedert keizerin Shōtoku in 770.
Vanaf dit moment had de troon geen enkele macht meer. Ze deed alleen nog benoemingen van personen in functies aan het hof zonder repercussies voor de buitenwereld. De hovelingen hadden vaak niet genoeg inkomen om hun stand op te houden en waren dan gedwongen hun inkomsten aan te vullen door les te geven in kalligrafie, muziek, dichtkunst,...
De diverse boeddhistische sekten werden ook onder strikt toezicht geplaatst. De bezittingen van grote sekten zoals die van Shingon op Kōyasan en de Honganji (nu in Kyōto) werden verdeeld onder rivaliserende groepen en zo verzwakt. Alle tempels verloren hun onafhankelijkheid en moesten deel uitmaken van een erkende sekte en gecontroleerd worden door de hoofdtempel ervan.

