De Edo-standenmaatschappij
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
De samurai
De kenchi (landmeting) en katanagari (zwaardenjacht), maatregelen van Toyotomi Hideyoshi, lagen aan de basis van een scherp en onwrikbaar klassenonderscheid, een echte klassenmaatschappij. Omdat deze samenleving veel gelijkenis vertoont met de Europese samenleving van het ancien régime, spreken we ook wel van standen. Het bakufu onderkende vier duidelijk van elkaar onderscheiden bevolkingssegmenten: de bushi 武士, de nōmin 農民, de shōnin 商人 en de shokunin 職人. De bushi of samurai vormden de heersende klasse en genoten het meeste aanzien. Het was een klasse die economisch weinig produceerde maar wel een aantal privileges genoot. Op de tweede hoogste sport van de sociale ladder stonden de boeren. Als stand genoten zij veel aanzien wegens hun economisch belang voor het nationaal welzijn, maar in de praktijk leefden zij als individu vaak op de grens van de armoede: de boerenstand werd hoog geprezen, de boer werd misprezen. Op de derde sport stonden dan de stedelingen of chōnin 町人, die bestonden uit de handelaars (shōnin) en de ambachtslieden (shokunin).
Er bestond ook een groot verschil in rang en stand tussen leden die tot dezelfde klasse behoorden, een verschil dat tot uiting kwam in alle dagelijkse handelingen tussen meesters en bedienden, ouders en kinderen, mannen ten opzichte van vrouwen, broers ten opzichte van zusters, de oudste zoon ten opzichte van jongere zonen, ...
Ongeveer 10% van de bevolking behoorde tot de samurai-klasse. Zij bezaten als heersende klasse de absolute macht, die zij naar eigen inzicht en voorkeur konden uitoefenen, tevens hadden zijn echter een riddercode, bushidō 武士道 genoemd, die hen aanspoorde voorbeeld te zijn voor het gewone volk. Zij hielden zich vooral bezig met militaire oefeningen en strategie, alsook met filosofische studie (vooral het confucianisme). Zij hadden het recht steeds een zwaard te dragen en genoten het privilege een voornaam te hebben. Hun klassensuperioriteit en macht was zo groot dat zij boeren en stedelingen die hen onrespectvol behandelden gewoonweg mochten doden: het zogenaamde kirisute gomen 切捨御免.
Binnen de samurai-klasse genoten de daimyō, de hatamoto en de gokenin onder directe controle van de shōgun het meeste aanzien, daarna kwamen de hanshi, dit wil zeggen de samurai in dienst van de daimyō, die verder ook hun eigen ondergeschikten hadden, meestal ashigaru of dōshin 同心 genoemd. Allen behoorden evenwel duidelijk tot de klasse der samurai. Daarnaast werd er ook nog onderscheid gemaakt tussen samurai van dezelfde rang volgens de status die hun clan genoot, of de vraag of ze al dan niet grond bezaten, ...
De laagste rang van samurai waren de zogenaamde rōnin 浪人. Het waren samurai die om een of andere reden geen meester meer hadden. In het begin van de Edo-periode was hun aantal enorm gestegen ten gevolge van het beleid van Ieyasu om daimyō die weigerden de vazalstatus te aanvaarden, of als straf tegen daimyō die zich tegen zijn beleid verzetten, van hun gronden te beroven of toch grote delen ervan in beslag te nemen. Men schat hun aantal toen op 400.000 zodat zij toch in zekere zin als een gevaar voor de maatschappelijke stabiliteit werden beschouwd. De meesten van hen voorzagen in hun inkomen door les te geven in gevechtstechnieken, een leven van wetenschappelijk onderzoek te leiden of als leraar in één of ander tempelschooltje (terakoya 寺子屋) onderricht te geven.
Doorgaans verdiende een samurai zijn inkomen dankzij het salaris dat hij als ambtenaar van het bakufu of zijn han genoot. Ook kon hij in zijn behoefte voorzien dankzij de grond die hij bezat. Toch moet duidelijk worden gesteld dat behalve de daimyō en de hoge ambtenarij de kwaliteit van het bestaan van een samurai niet zo rooskleurig was.
De boeren
De klasse van de boeren zullen wij verder meer in detail bespreken. Voorlopig kunnen we volstaan met te zeggen dat zij qua status vlak onder de samurai stonden, evenwel waren zij als klasse uiterst arm omdat zij vrijwel helemaal moesten voorzien in het levensonderhoud van hun heren (daimyō, lokale grootgrondbezitters, ...), door wie zij bovendien in hun doen en laten uiterst streng werden gecontroleerd. In feite waren zij sociaal-economisch slechter af dan de stedelingen.
Omdat de boeren voor alle inkomen en welvaart van de samurai werkten, was het hun klasse die het strengst door het bakufu gecontroleerd en aan allerlei verplichtingen onderworpen werd. Verplichtingen en controles die tot in details werden uitgevoerd.
In de boerenklasse genoten de honbyakushō het meeste aanzien en het waren hoofdzakelijk zij die als belastingbetaler geregistreerd stonden in de kenchichō 検地帳 als eigenaars van velden, huizen en schuren. De honbyakushō moest de belasting opbrengen die door de han of het bakufu aan de dorpen werd opgelegd. Het principe was dat alle productieoverschot aan de overheid als belasting diende afgedragen te worden. Concreet betekende dat een aanslagvoet van 50 à 60 procent. Rechtstreeks onder de honbyakushō stonden de pachters. Dit waren de twee belangrijkste boerenrangen, waarnaast er ook nog een hele hiërarchie van knechten bestond, gaande van een gewone huisslaaf tot kleine grondbezitters wier eigendom evenwel te klein of arm was om in basisbehoeften te voorzien zodat zij genoodzaakt waren zichzelf te verhuren.
De dorpen waren gemeenschappen waarbinnen de boeren in staat waren hun levensstandaard in zekere mate stabiel te houden, en vooral in de beginperiode van het Edo-tijdperk waren de dorpen in grote mate economisch zelfbedruipend. Omdat door de heersende samurai-klasse de spreiding van de handelseconomie naar het platteland verboden werd, uitgezonderd geneesmiddelen, zout en metalen werktuigen, werden vrijwel alle levensnoodzakelijke voorwerpen als kleding, voeding, ... lokaal geproduceerd. Er werden gemeenschappelijke gronden uitgebaat voor het weiden van het vee, het sprokkelen van hout, voor verwarming en verwarmingsdoeleinden, ... Ook het gebruik van drinkwater en irrigatiebeleid werd in gemeenschap geregeld. De arbeid werd gewoonlijk met de hand geleverd, het waren slechts de rijke boeren die over werk- en lastdieren beschikten alsook dus over dierlijke meststof.
Men kan gerust stellen dat het leven van de boeren misschien niet precair maar dan toch wel zeer hard moet geweest zijn. Om hun zorgen wat te verlichten of onvoorziene tegenspoed op te kunnen vangen richtten zij vaak wederzijdse hulporganisaties op, een soort van rudimentaire mutualiteiten dus. Zo werd in het zaai- en oogstseizoen vaak aan arbeidsverdeling gedaan, terwijl ook financiële instellingen werden gecreëerd waar boeren in plotse geldnood uit een gemeenschappelijke pot konden lenen, zogenaamde tanomoshi-kō 頼母子講. Op die manier werden ook vaak kassen gecreëerd die pelgrimages betaalden, bijvoorbeeld de Ise-kō 伊勢講.
Qua cultuur of vermaak kende men behalve de normale, jaarlijks terugkerende feesten met Nieuwjaar, bon 盆 en setsubun 節分 ook meer lokaal gebonden vermakelijkheden zoals toneel, worstelen enz. Dit waren zeker geen gebeurtenissen van de allerfijnste graad maar dienden alleen ter afwissseling van het harde labeur van de boer.
Ook de dorpsjeugd was georganiseerd. De jongens in wakashū nakama 若衆仲間 maakten zich verdienstelijk bij de organisatie van gemeenschappelijke evenementen, arbeid op het land, bewaren van de openbare orde , ... De meisjes waren gegroepeerd in jo-nakama 女仲間 en hielden zich bezig met het aanleren van huishoudelijke taken zoals weven, ...
Handelaars en ambachtslieden (de stedelingen)
De stedelingen of chōnin werden verder onderscheiden als shōnin of handelaars en shokunin of ambachtslui. Dankzij het stelsel der gonin-gumi, dat ook bij boeren bestond, genoten de stedelingen een beperkte mate van zelfbestuur. Dit was een bestuursvorm die door het bakufu aan de steden en de dorpen werd opgelegd en die het mogelijk maakte via diepgaande sociale controle de stabiliteit van de staat te vrijwaren. Steeds werden een vijftal families tot één gonin-gumi georganiseerd met aan het hoofd een kumichō 組長 die een administratie moest bijhouden met als plichten ervoor te zorgen dat alle belastingen tijdig werden betaald en dat misdaden werden opgespoord en gerapporteerd. De uitvoering van deze plichten werd afgedwongen door middel van het solidariteitsbeginsel. Wat inhoudt dat de leiders van de gonin-gumi aansprakelijk werden gehouden voor belastingsontduiking, misdrijven, burgerlijke ongehoorzaamheid, ... Eén van de specifieke doelstellingen van het gonin-gumi-systeem was het opsporen van verdoken christenen en de handel en wandel van rōnin te controleren.
Behalve het gonin-gumi-systeem was er verder ook nog een stadsbestuur dat werd gekozen door en uit de meest welvarende gronden of huiseigenaars. Zij hielden zich bezig met het praktische bestuur van hun stad, onder rechtstreekse controle van de daimyō of diens afgevaardigde binnen de respectievelijke han waaronder de stad ressorteerde.
De soorten belasting die stedelingen moesten betalen waren afhankelijk van hun status als handelaar, ambachtsman of eigenaar op basis waarvan zij dan respectievelijk myōga-kin 冥加金, unjō-kin 運上金 of jishi-sen 地子銭 moesten betalen. Vergeleken met de boeren werden zij niet zo zwaar belast. Naarmate de steden, de handel en de nijverheid zich ontwikkelden, steeg ook het aanzien van de stedeling, en sommige werden zelfs in de bushi-klasse opgenomen.
De uitgestotenen
Behalve de vier standen van onderdanen werd echter ook doelbewust een klasse van outcasts, paria's gecreëerd die politiek en sociaal-economisch zwaar werden gediscrimineerd: de eta 穢多 of hinin 非人. Mensen uit deze klasse mochten slechts in de hun aangewezen gebieden wonen, konden geen beroep uitoefenen dat voor stedelingen bestemd was en het was hun tevens verboden samen te wonen of te trouwen met een persoon uit een andere klasse. Reeds in de periode van de Strijdende Staten waren deze mensen gediscrimineerd, maar na het invoeren van de kadastrale onderzoeken van Hideyoshi en de shūmon aratame chō (klooster- of tempelregisters) van Ieyasu raakten zij als klasse ‘gebetonneerd’ en afgescheiden van de andere sociale klassen, met als gevolg een discriminatie die tot op vandaag de dag voelbaar blijft, ondanks juridische gelijkberechtiging.
De familie
De kern van het feodaal stelsel was het familiestelsel met als centrale autoriteit de pater familias. Hij was het boegbeeld van heel de familie en had absoluut gezag. Deze status met de daaraan verbonden rechten werd van vader op de oudste zoon overgedragen. In de stand der bushi betekende dit ook dat de oudste zoon het door de shōgun of daimyō gegarandeerde stipendium in koku erfde. Dit maakte de andere leden van de familie economisch totaal afhankelijk van het familiehoofd (katoku). Alle familieleden waren absolute trouw en gehoorzaamheid verschuldigd aan zijn besluiten. Vooral de status van de vrouw binnen de familie is in westerse ogen abominabel te noemen. Zij was te allen tijde ondergeschikt aan de man, als kind was zij haar ouders en haar broers gehoorzaamheid verschuldigd, als echtgenote aan haar man, en als moeder aan haar kinderen (vooral aan de zonen). Dit noemde men de sanjū 三従, de drievoudige gehoorzaamheid. Het recht om uit de echt te scheiden kon alleen door de man worden ingeroepen, waarbij het volstond de vrouw een echtscheidingsbrief te overhandigen (mikudarihan 三下半). Een vrouw zelf kon tegen haar overspelige, gewelddadige, spilzuchtige, ... echtgenoot geen gronden tot echtscheiding inroepen.
De familiale structuren van respect van kinderen voor hun ouders, vrouwen, mannen en alle familieleden en inwonenden van het familiehoofd maakten aldus de familie als dusdanig de uiteindelijke ‘cellen’ van het bakufu, en veel minder het individu dat als ‘politiek wezen’ niet bestond. En het is al gebleken dat het bakufu zijn beleid van politionele en bestuurlijke controle dus veel minder afstemde op het individu dan wel op de familie.

