Edo: bloei van de steden en opgang van de stedelingen dankzij de handel

Uit GeschiedenisJapan

Om de winsten van de handel zoveel mogelijk binnen te rijven maakte Ieyasu de handelaars van Kyōto, Sakai, Nagasaki en andere handelscentra tot hofleveranciers. Net zoals Hideyoshi gedaan had, reserveerde hij zich het recht om als eerste de ingevoerde goederen te kopen en pas dan konden de andere daimyō en handelaars hun gang gaan. In 1604 liet Ieyasu toe dat handelaars in onbewerkt zijdegaren van Kyōto, Sakai en Nagasaki een gilde vormden, wat de betrokkenen een virtueel monopolie op de aankoop van ingevoerd zijdegaren opleverde. In ruil voor de bescherming inde het bakufu een aardige som belastingsgelds.

We stelden reeds vast hoe de sociale status van de stedeling en het weinige belang dat de samurai aan de sociaal-economische functie van de klasse der stedelingen hechtte, de emancipatie van de handel en nijverheid bevorderde. De ontwikkeling in verscheidene nijverheidstakken, en in de eerste plaats in de landbouw stimuleerde verder de groei van een verkeers- en distributienet te land en te water, de handel en dienstverlening en de groei van de steden als ‘zenuwcentra’ van de nieuwe welvaart, waar de stedelingen de administratie van allerlei financiële instellingen, handelsmaatschappijen, vervoersmaatschappijen, ... op zich namen. Als gevolg daarvan groeiden Edo, Ōsaka en Kyōto uit tot drie welvarende metropolen die een onmisbare rol vervulden in de economische stabiliteit en welvaart van Japan, elk weliswaar met een specifieke rol. Vertrekkende vanuit deze stedelijke centra verspreidden zich het gebruik van geld als betaalmiddel en het ‘ondernemerschap’ als nieuwe vorm om geld en aanzien te verwerven. Deze evolutie ging meer en meer de feodale grondvesten van het openbaar bestuur aanvreten omdat het de boeren en stedelingen de middelen verschafte om voor zichzelf in te staan. Middelen die de samurai als klasse op basis van een confucianistisch geïnspireerde ethiek, de bushidō, niet wensten of konden incorpereren in hun visie op het bestuur en de ideale verhouding binnen de maatschappij.

Dat de handel zich kon ontwikkelen, ligt paradoxaal genoeg besloten in de manier waarop de samurai Japan verkozen te besturen. Het was door zich terug te trekken van het platteland en zich te vestigen in de steden waar zij als economisch onproductieve klasse zich in de eerste plaats met het administratief bestuur bezighielden dat zij willens nillens een nieuwe klasse van leveranciers en dienstverleners in het leven riepen. De bushi in de steden hadden een inkomen dat hoofdzakelijk uit rijst bestond, en waren genoodzaakt op de stedelingen een beroep te doen om in andere behoeften te voorzien, behoeften die zij als heersende klasse zichzelf niet gunden om er zelf in te voorzien (bijvoorbeeld zelf grond te bewerken, smid te worden, ...). Het is inderdaad zo dat de samurai een vrij statisch maatschappijbeeld hadden waar iedere klasse een bepaalde rol te vervullen had en waarin als iedereen, (dus elke klasse) zich aan zijn verplichtingen hield, ideaal en ordelijk bestuur mogelijk was. De stedeling paste in dat beeld als zijnde het mechanisme dat de economische productie naar de afnemer bracht. In dit filosofisch gedachtengoed omtrent efficiënt bestuur en de grondvoorwaarden daartoe (het behoud van de gepaste klassenmoraal) werd evenwel geen rekening gehouden met de nieuwe economische ontwikkeling en vooruitgang die nieuwe behoeften zou creëren, behoeften die alleen door de stedelingen konden worden bevredigd en die hen op die manier een maatschappelijke status verleenden die veel belangrijker was dan wat hen op basis van de ‘vier klassen’-theorie was toebedeeld.

Edo was uiteraard het politieke centrum van het bakufu, maar ‘meegezogen’ in de zwellende kracht van het mercantilisme groeide het in de tweede helft van de Tokugawa-periode uit tot Japans grootste handelsstad met in de achttiende eeuw meer dan één miljoen inwoners. Ōsaka, belangrijkste havenstad van die tijd, fungeerde als draaischijf van de Japanse economie en speelde een belangrijke rol in de distributie van goederen en diensten op nationale schaal. De meest noodzakelijke goederen voor Edo werden via Ōsaka met regelmatige scheepsverbindingen toegeleverd, doorgaans onder toezicht van beambten van het bakufu die in hun opslagplaatsen (kurayashiki 蔵屋敷) de rijst en andere regionale producten opsloegen tot het bakufu besliste wat ermee moest gebeuren.

Officieel werd er tussen drie soorten goederen onderscheid gemaakt; kuramono 蔵物, nayamono 納屋物 en hakuraimono 舶来物. Hakuraimono waren geïmporteerde goederen en mogen als een geval apart beschouwd worden omdat zij zo zeldzaam waren en hun circulatie zo beperkt was op basis van de invoerreglementering van Nagasaki dat zij haast niet in omloop werden gebracht.

In de han werd de invoer en uitvoer van koopwaar zo strikt mogelijk gereglementeerd omdat het economisch beleid op autarkie was gericht, dit was voor de arme han en ten gevolge van de vooruitgang in de landbouw en nijverheid echter geen beleid dat lang kon worden volgehouden. De daimyō stuurden hun jaarlijkse heffing rijst of andere lokale producten naar de speciaal daarvoor opgerichte opslagplaatsen in Ōsaka en Edo, de zogenaamde kurayashiki 蔵屋敷, vandaar de naam van deze goederen: kuramono. Deze goederen werden dan ofwel door het bakufu zelf geconsumeerd ofwel door de "staatshandelaars" op de markt aangeboden in ruil voor geld.

Goederen die door het brede publiek, dus niet door de handelaars van het bakufu, op de markt werden gebracht, noemt men nayamono en deze werden ook via privé-handelaars en distributeurs op nationale schaal verspreid.

Hoe rijk de handelaars als klasse ook werden en hoe nauw de banden die zij met de samurai sloten vaak ook waren, bestuurlijk en juridisch beschouwd waren zij ondergeschikt aan de samurai, en op enkele uitzonderingen na die zich de titel van samurai kochten of die zich met hun geld virtueel als daimyō konden laten doorgaan, ambieerden zij als klasse niet de politieke en bestuurlijke macht. Zij gebruikten hun fortuin om aan hun eigen wensen, lusten en culturele behoeften te voldoen, wat het ontstaan gaf aan de zogenaamde Genroku-cultuur: niet een aristocratische of door samurai-ethiek geïnspireerde maar een in de grond wereldse en burgerlijke cultuur, niet gericht op het voeden van leergierige, intellectuele geesten en het vormen van mensen met ‘karakter’, maar op het bevredigen van directe wensen en gevoelens van individuele mensen.

Soms trad het bakufu wel op tegen al die extravagante uitingen van rijkdom en onwelvoeglijkheid en confisqueerde het bezittingen van rijke handelaars of verklaarde het schulden van daimyō nietig, maar hoe meer de samurai als klasse economisch afhankelijk werden van de handel hoe minder zij de handel belemmerden.

Naarmate het handelsverkeer toenam ontstond er een steeds complexer wordend net van handelaars en tussenpersonen die een specifieke rol of taak gingen vervullen. Algemeen gesteld zat de ‘distributieketen’ als volgt in elkaar. Aan de top stonden de kurayashiki of overheidsopslagplaatsen, daarop volgden de groothandelaars (ton’ya) die hun goederen verkochten op de groothandelsmarkten (oroshi-uri shijō 卸売市場) waar de groothandelaars uit de provincies (shokoku ton’ya 諸国問屋) de goederen insloegen om ze dan via tussenpersonen aan kleinhandelaars (ko’uri 小売) door te verkopen, die dan uiteindelijk de gewone consument als publiek hadden. Het waren vooral de groothandelaars en de tussenpersonen die de spil van de distributiekanalen vormden. De groothandelaars waren historisch gegroeid uit de toimaru 問丸 of reders die per schip handelswaar transporteerden. In de Edo-periode verzorgden zij zelfs het transport van de waren naar de tussenpersonen die de goederen kochten op basis van bestellingen die zij kregen van kleinhandelaars of andere tussenpersonen of op basis van te verwachten bestellingen. Dit was het ingewikkelde spel van leveranciers, tussenpersonen en kopers. Evenwel ontstonden later directere distributievormen alsook concerns die het hele proces van groothandel tot kleine verbruiker onder eigen hoede zouden nemen.

Bij de klasse van de handelaars had men zowel de officieel door het bakufu toegestane gilden zoals die van de goudhandelaars, pandjesbazen, ... als gilden die zich op privé-basis organiseerden om een bepaalde handel of nijverheid te monopoliseren. Dit zijn de zogenaamde kabunakama 株仲間. Te Edo was de tokumi-doiya 十組問屋 zeer machtig, terwijl in Ōsaka de nijūshikumi-ton’ya 二十四組問屋 sterk stond, zij monopoliseerden als conglomeraten van groothandelaars de aankoop van goederen uit de opslagplaatsen van het bakufu, eerst door het maken van onderlinge afspraken, vanaf 1721 op basis van een officiële toelating door het bakufu. De kabunakama bezaten het alleenrecht op de inkoop en handel van fabrikaten en grondstoffen en konden bovendien eigenhandig prijzen bepalen, kwaliteitsnormen voor waren vastleggen en kiezen aan wie zij zelf wensten te leveren. In ruil voor deze rechten betaalden zij dan een penning aan het bakufu.

Die penningen betekenden voor het bakufu een stabiel zij het schraal inkomen maar wogen niet op tegen de greep die de kabunakama op heel de Japanse economie kregen. Door het creëren van kunstmatige tekorten en/of overschotten manipuleerden zij de prijzen in hun voordeel, wat leidde tot verregaande verpaupering van vele samurai wier inkomen afhing van de rijstprijs.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo