Drukke handelsactiviteiten

Uit GeschiedenisJapan

Inhoud

Officiële handel met China

De bloeiende binnenlandse handel bleef tot het begin van de zestiende eeuw grotendeels het monopolie van de gilden (za 座). De groothandelaars (tonya 問屋) waren geëvolueerd uit de diensten die instonden voor opslag en bewaring van de goederen van de landheren (shōen-ryōshu). De gilden hadden dus sterke bindingen met de landheren. De buitenlandse handel van zijn kant bleef tot in de tijd van Yoshimitsu een pure privé-aangelegenheid. Takauji had weliswaar Tenryūji-bune 天竜寺船; (letterlijk: schepen voor de tempel Tenryūji) naar China gestuurd om de bouw van de gelijknamige tempel te financieren. Dat was wel duidelijk de bedoeling die voorzat toen Yoshimitsu in 1401 inging op het voorstel van een vooraanstaande handelaar uit Hakata 博多 om tribuutrelaties met het Míng-hof aan te knopen. De overeenkomst tussen China en Japan stipuleerde onder meer dat alleen schepen die daartoe officieel gemachtigd waren aan de handel mochten deelnemen. Die machtiging werd gegeven in de vorm van certificaten (kangō-fu 勘合符), hetgeen aanleiding gaf tot de naam ‘certificaat-schepen’ (kangō-sen 勘合船). De Chinese keizer stuurde ook een gouden zegel met de woorden 日本国王 Nihon kokuō (‘koning’ van Japan) in gegrift. Wanneer de shōgun een brief aan de Chinese keizer richtte, voorzag hij hem met dit zegel.

De Japanse ‘certificaat-schepen’, die ongeveer een tonnenmaat van 1000 ton hadden, hoefden geen invoerrechten te betalen als ze in een Chinese haven aanlegden. Verblijfkosten van de gezant van de ‘Japanse koning’ en diens gevolg (in feite handelaars) vielen ten laste van de Chinese overheid, zoals dat overigens ook het geval was voor de transportkosten van de tribuutgoederen. Wat het Chinese hof schonk als tegengeschenk overtrof de waarde van het Japanse tribuut. Bovendien werd in de marge van de tribuut-schenking handel gedreven. Alles samen genomen bracht dit een winst op van vijf- à zesmaal de kostprijs van de Japanse tribuut-goederen. Deze bestonden uit een assortiment van zwaarden, zwavel, koper, waaiers,... De Chinese certificaten kwamen terecht in de handen van het bakufu, de Ōuchi- en Hosokawa-clans, de Tenryūji- en Shōkokuji 相国寺-tempels en andere machtige shugo of religieuze instellingen. De eigenlijke behandeling der goederen (inkoop van de tribuutgoederen, verkoop van de Chinese) was in handen van handelaars van Kyōto, Sakai en Hakata en zij waren het ook die met het leeuwendeel van de winst gingen strijken.

‘Japanse kapers’ op Chinese kusten

Eén van de motieven van het Chinese hof om deze ‘diplomatieke’ betrekkingen met Japan aan te knopen was de wens van Chinese zijde dat de Japanse overheid de zogenaamde Japanse piraten (wakō 倭寇 Chinees: wōkòu), die de Chinese kusten onveilig maakten, in toom zou houden. De naam ‘Japanse piraten’ was het gevolg van een cirkelredenering aan Chinese zijde. Een onderdaan van de Chinese keizer kon per definitie geen piraat zijn. Was hij wel piraat, dan was hij per definitie geen onderdaan van de keizer (meer). De keizer kon moeilijk over eigen onderdanen praten als piraten, want dat betekende dat zij hem niet onderdanig waren. Dus werden deze lieden als ‘buitenlanders’ bestempeld, in dit geval hier ‘Japans’. In werkelijkheid waren de dertiende-eeuwse wakō-soldaten meesterloze samurai, kooplieden en smokkelaars uit Japan, maar betrof het tegen de vijftiende eeuw vaak mensen van Chinese of eventueel gemengde (Chinees-Japanse) afkomst. Hoe dan ook, de Chinese inspanningen om ze uit te schakelen of van de kust af te houden bleken zonder succes. De piraten stoorden zich noch aan het verbod van het bakufu, noch aan de Chinese kustwacht. Aangezien zij hun strooptochten met handel combineerden en er in China ook voldoende handelaars waren die vrije handel wensten, hadden de piraten geen problemen afnemers te vinden. Met het verval van het bakufu en de teloorgang van de macht van de Hosokawa- en Ōuchi-clans stierf de certificaat-handel een stille dood. In 1549 voer het laatstse certificaat-schip naar China. Toen rond dezelfde tijd ook in China de controle op de handel strakker werd, begonnen ook de Chinezen deel te nemen aan de piraathandel en vrijbuiterij. In de periode 1540 tot 1556 maakten zij de kusten van Midden- en Zuid-China onveilig. Het Chinese hof greep in. Het onderdrukte de piraterij en verbood voortaan alle handel met Japan.

De Ryūkyū-archipel 琉球列島

Tijdens de Muromachi-periode was er een bloeiende vrije handel tussen Japan en het Koninkrijk van de Ryūkyū-archipel. Hoewel dit laatste geen grondstoffen of belangrijke export-artikelen had, haalde het veel voordeel uit de tussenhandel, omdat het optrad als tussenpersoon tussen China en Korea aan de ene kant en Japan aan de andere. De bevolking van de Ryūkyū-archipel is een zijtak van het Japanse ras en de taal gaat terug op dezelfde stam als het Japans. Gedurende het eerste millennium van onze jaartelling waren de contacten tussen Japan en de archipel echter vrijwel onbestaande. Het is pas vanaf de 13de eeuw dat er regelmatig contact is tussen Zuid-Kyūshū en de Ryūkyū-archipel. Toen was ze verdeeld in een reeks van stammenrijkjes, geleid door een stamhoofd, aji of anji 按司 genaamd. Op het eind van de 12de eeuw slaagt Shunten 舜天 (ca.1166-ca.1237), aji van Urasoe 浦添 in de buurt van Shuri 首里 (het huidige Naha 那覇) erin het centrale deel van het hoofdeiland (Okinawa-hontō 沖縄本島) onder zijn controle te krijgen. Shunten's ‘dynastie’ gaat ten onder en wordt in 1260 opgevolgd door een nieuwe, gesticht door Eiso 英祖. Rond deze tijd ontstaan er ook in het zuidelijke en in het noordelijke deel van het eiland grotere verbanden, zodanig dat het eiland nu opgedeeld is in drie rijken (‘Drie Bergen’ sanzan 三山; respectievelijk de Noordelijke, Midden en Zuidelijke Berg), die met elkaar rivaliseren.

In 1349 wordt de door Eiso gestichte dynastie van de troon gestoten door Satto 察度 (reg. 1350-1395), aji van Urasoe die in 1372 voor het eerst tribuut stuurt naar China. De Noordelijke en Zuidelijke Berg volgen dit voorbeeld.

In de eerste helft van de 15de eeuw slaagt Shōhashi 尚巴志 (reg. 1422-1439), koning van de Midden-Berg erin het hele eiland onder zijn gezag te brengen en bovendien zijn macht uit te breiden over de andere eilanden van de archipel. Dit eenheidsrijk gaat een grote bloei tegemoet, die duurt tot in de tweede helft van de zestiende eeuw. Zijn welvaart is in de eerste plaats gestoeld op de tussenhandel tussen Japan en het Aziatische continent. Uit Japan importeert het ook heel wat culturele elementen zoals het kana-schrift, boeddhisme en boeddhistische architectuur,...

Liberalisering van de binnenlandse handel

Parallel met de uitholling en aftakeling van de controle op de handel, die het bakufu uitoefende via de certificaten, werd de band tussen de landheren en de gilden losser en minder effectief. De monopolies werden gaandeweg ondermijnd. In dorpen en steden zag men het ontstaan van kleine handelaars en leerjongens maakten zich los uit het verband met de gilden om op eigen houtje een zaak te beginnen. Omdat deze tendens de macht van de kleine landheren ondermijnde, werd hij gesteund door de sengoku-daimyō. Om de controle over hun territorium te versterken was het immers nodig dat de hun ondergeschikte landheren zo weinig mogelijk macht hadden over het land, het volk en de markten. De sengoku-daimyō voerden daarom een bewuste politiek van ontmanteling van monopolies op markten en gilden (rakuichi-rakuza 楽市楽座). Dit gebeurde voor het eerst in 1549 in de provincie Ōmi.

Zelfbestuur in de handelssteden

De liberalisering van de handel had voor gevolg dat hij niet langer strikt gebonden was aan de lokale gemeenschap, maar voortaan het hele territorium van de daimyō ging bestrijken. Een tweede gevolg was dat de steden van handelaars en ambachtslieden een nooit eerder geziene graad van vrijheid verwierven, die enigszins te vergelijken is met de autonomie van de op het platteland. In steden als Sakai 堺, Hirado 平戸, Hakata, Kuwana 桑名, Ōminato 大湊, Ujiyamada 宇治山田 werden raden (egōshū 会合衆) in het leven geroepen om de stad te besturen. In die raad zetelden welstellende handelaars. In Kyōto bestonden gelijkaardige raden, maar dan op het niveau van de wijken: bijvoorbeeld in de tempelwijken (monzen-machi 門前町) Gion 祇園, Kiyomizu 清水 en Kitano 北野.

Het meest representatieve voorbeeld is ongetwijfeld Sakai. Deze havenstad, een belangrijke schakel tussen de Japanse binnenzee (Seto-naikai 瀬戸内海) en de hoofdstedelijke provinciën, was oorspronkelijk een shōen van de tempel Shōkokuji in Kyōto. Op het eind van de 14de eeuw verwierven de bewoners het recht van jige-uke en op den duur betaalden zij zelfs geen tribuut meer. De stad werd bestuurd door een raad bestaande uit 36 groothandelaars. Het was een draaischijf van binnenlandse zowel als van overzeese handel. Schepen van en naar China, Korea, de Ryūkyū-eilanden, later ook uit Portugal en Spanje legden er aan. In het midden van de zestiende eeuw was het Japans rijkste stad. Ook belangrijke nijverheden zoals smederij en ijzergieterij, weefnijverheid, brouwerijen en lakwerknijverheden waren er gevestigd. Na de Ōnin-oorlog werd de stad vaak betwist door daimyō. Daarop werd een wal rond de stad gebouwd en werden meesterloze samurai ingehuurd om voor de verdediging in te staan.

Toch heeft de ‘vrije stad’ uiteindelijk de duimen moeten leggen voor de macht van de sengoku-daimyō. Sakai beantwoordde immers niet aan hun definitie van de kasteelstad: een stad waar de militaire en administratieve functies van het territorium geconcentreerd zijn, en waar de handel en nijverheid in de eerste plaats bestaat om te voorzien in de militaire en levensbehoeften van de cliënten (kashin) van de daimyō.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo