Dodge Line (Dojji Rain ドッジ・ライン)

Uit GeschiedenisJapan

Na de Tweede Wereldoorlog bereikte de Japanse economie een dieptepunt. Net zoals Amerika Europa had geholpen door middel van het Marshallplan, hielp het ook Japan met het Dodge plan. Zo zou door omstandigheden Japan niet alleen uit de depressie komen, maar ook een economische reus worden.

Inhoud

Doelstellingen

De Dodge Line was een Amerikaanse maatregel om de economie van Japan weer op gang te krijgen. Het was genaamd naar de Detroitse bankier Joseph M. Dodge die een economische adviseur was van Generaal MacArthur en werd aanvaard door het kabinet van Premier Yoshida Shigeru. Het trachtte de Japanse economie te herstellen ten kosten van zijn volk.

De doelstellingen van de Dodge Line waren:

  • Overheidsuitgaven saneren en het budget in evenwicht brengen
  • Belastingen verhogen
  • Lonen stabiliseren en/of bevriezen
  • De prijzenspiraal doorbreken
  • Het volk tot matigheid dwingen

Sociaal-economische gevolgen

Het beleid bezorgde de Japanse bevolking een enorm armoedige levenswijze die vooral de armere bevolking trof. Zo moesten gezinnen overleven op ¥500 per maand. De werknemers werden benadeeld door regelingen als een algemeen stakingsverbod en de afschaffing van werklozensteun. Men dacht zo de bevolking meer aan te zetten tot werken en/of werk te zoeken. Het plan trof echter niet alleen de kleine man. Bedrijven met pro-inflatie beleiden kregen geen overheidssteun meer waardoor jonge Japanse bedrijven enorme recessies[1] leden en vaak failliet gingen. Het verhogen van transportkosten van het openbaar vervoer en een herziening van de anti-monopoliewetten (ten voordele van de zaibatsu) moest het kaf van het koren scheiden. Onder leiding van grote banken werden bedrijven door de syndicaatslening gedwongen overbodige werknemers te ontslaan. Het resultaat was dat tussen 1949 en 1953 zware rellen over werk ontstonden. Tijdens deze rellen leerden zowel de werknemers als de werkgevers dat de groei van een bedrijf voor hen allen voordelig was.

Gevolgen op de infrastructuur van Japanse bedrijven

Van 1947 tot 1949 werden aandelen van de overheid verkocht aan individuen. In 1950 was het percentage van individueel bezeten aandelen hoog, tot 69%. Bijgevolg was de druk op de kapitaal markt groot. Nadat legale beperkingen werden verwijderd, draaide dividend[2] tarieven weer hoog. Daardoor begonnen in de vroege jaren ’50 aandelen bij bedrijven, vooral financiële instellingen, te stijgen. De aandeelhouders zochten niet alleen een goede vergoeding, maar ook langdurige zakenrelaties met de bedrijven waar ze in hadden geïnvesteerd. Ze delegeerde ook toezicht op de grote banken. Zo werd het eerste fenomeen van “cross shareholding” gezien bij ex-zaibatsu bedrijven, die keiretsu genoemd werden. Een dergelijke poging om de aandeelhouderschap te stabiliseren gebaseerd op versnipperde eigendom is een goed voorbeeld van evenwicht tussen toezicht en autonomie van management. In het begin van 1950 bleek dat de praktijk van het ondernemingsbestuur een dynamische beweging was.

In 1950 werd de grootste hervorming van het Wetboek van Koophandel betreffende bedrijven doorgevoerd sinds zijn oorspronkelijke vaststelling in 1899, de “externe veramerikanisering” van het rechtssysteem betreffende bedrijven. Het aandeelhoudersvergadering gecentreerd systeem was veranderd. De beslissingsbevoegdheid van de aandeelhoudersvergadering was gedaald. De raad van bestuur werd opgericht en werd de beslissingsmakende kracht gegeven om aandelen uit te geven. De macht van het toezicht van de accountant was beperkt tot de boekhouding. Onder sterke suggestie van de Verenigde Staten, werden veel minderheidsaandeelhoudersrechten gecreëerd. Deze rechten bevatten cumulatief stemmen, beoordelingsrechten, inspectierechten op de boekhouding en bevelrechten. Hoewel deze hervorming de kenmerken van de Japanse vennootschapsrecht veranderd, was de impact in de praktijk relatief bescheiden. Een belangrijk punt is het geven van de macht om legaal over financiële regelingen te kiezen aan de raad van bestuur zodat het management enige plaats kreeg om hun positie te stabiliseren. Het invoeren van Amerikaanse minderheidsaandeelhoudersrechten had bijna geen invloed in de praktijk.

Koreaanse Oorlog

De Koreaanse oorlog, die startte in 1950, redde de Japanse economie. Door de Amerikaanse vraag naar oorlogsgoederen voor hun interventie met Korea verdriedubbelde de Japanse export en beleefde de Japanse economie een heropbloei. Japan had immers geen militaire krachten en kon slechts logistieke ondersteuning geven aan de oorlog tussen Amerika en Korea.

In juni 1950 kon men de resultaten van de Dodge Line zien. Het budget was in evenwicht, er was een vaste wisselkoers en de infrastructuur van het bedrijfsleven van Japan was veramerikaniseerd en in de jaren die volgde werd deze trend voort gezet. De Koreaanse oorlog zou de Japanse economie alleen versterken tot het punt dat Japan gouden tijden meemaakte.

Voetnoten

  1. Recessie betekent letterlijk 'teruggang' of 'achteruitgang'. Dit betekent dat de economische groei daalt en lager is dan gemiddeld. In de praktijk wordt wel van een recessie gesproken als de groei van het bruto nationaal product gedurende twee opeenvolgende kwartalen negatief is. Wanneer de productie van een economie langdurig en sterk daalt, is er sprake van een depressie.
  2. Het dividend is de betaling van een onderneming aan haar aandeelhouders

Bronnen

Vande Walle, W., Een geschiedenis van Japan: Van samurai tot soft power, Leuven: Acco, 2007.

Bronfenbrenner, M., Four Positions on Japanese Finance, The University of Chicago Press, http://www.jstor.org/stable/1828883 (geraadpleegd op 26 november 2009).

Shishido, Z., Reform in Japanese Corporate Law and Corporate Governance: Current Changes in Historical Perspective, American Society of Comparative Law, http://www.jstor.org/stable/841053 (geraadpleegd op 27 november 2009).

Goodman, G.K., Monumenta Nipponica, Sophia University, http://www.jstor.org/stable/2385347 (geraadpleegd op 30 november 2009).