Do-ikki en kuni-ikki

Uit GeschiedenisJapan

Inhoud

Onderdanen boven hun meesters

De hele machtsstructuur kwam erg gehavend uit de strijd. Overal in het land keerden vazallen zich tegen hun leenheer, om vaak op hun beurt het slachtoffer te worden van het complot van hun eigen cliënten. De daimyō negeerden de shōgun en de keizer telde helemaal niet meer mee. De samenleving stond op haar kop en de machthebbers omschreven deze toestand als gekokujō (下剋上): onderdanen stellen zich boven hun meesters. Deze term sloeg op de rebellie van vazallen tegen hun heren, maar ook op de weerstand van de boeren en kokujin tegen de landeigenaars (ryōshu). In 1489 liet Hino Tomiko日野富子 (1440-1496) aan de poorten van Kyōto zeven nieuwe tolkantoren oprichten. Het volk vernietigde deze kantoren en stelde een volksregering in (shi-tokusei 私徳政).


Kuni-ikki van Yamashiro

Eind 1485 brak de beroemde kokujin-opstand (kuni-ikki) van Yamashiro uit. Aanleiding was het feit dat de rivaliserende facties van de Hatakeyama-clan in dit gebied hun strijd kwamen uitvechten en er dood en vernieling zaaiden. De kokujin verbonden er zich met de boeren en kwamen in verzet. Zij hadden drie eisen:

  1. terugtrekking van beide legers
  2. herstel van het bezit van tempels en honjo over de landgoederen (omdat hun uitbuiting veel milder was dan die van de bushi)
  3. ontmanteling van de nieuwe tolkantoren

Het opzet slaagde. Het volk stelde een raad van 36 kokujin in als opperste beslissingsorgaan, en een uitvoerend orgaan met een maandelijkse beurtrol (gachi-gyōji, ook tsuki-gyōji 月行事). Dit zelfbestuur duurde acht jaar. Het viel uiteen toen de kokujin in dienst traden van daimyō. Dit was de laatste grote ikki in de streek van Kinki.

Ikkō ikki

De fakkel werd echter overgenomen door de streken Hokuriku, Tōkai en Chūgoku, waar de maatschappelijke stratificatie in de boerendorpen zich ook later had afgetekend. De meest representatieve opstand is die van de volgelingen van de Ikkō-sekte in de streek van Kaga 加賀, bekend als de Ikkō-ikki 一向一揆. De Ikkō-sekte behoorde tot de Honganji-strekking van het Reine Land Boeddhisme. Onder Rennyo 蓮如 (1415-1499), de achtste abt in directe lijn van opvolging na Shinran, kende de sekte een spectaculaire groei in de Hokuriku-regio. Rennyo was een populistische predikant, die beklemtoonde dat de abt en de gelovigen gelijk zijn in de ogen van Boeddha, en zich bedienend van het kana-schrift talrijke brieven aan zijn gelovigen richtte. Deze laatsten werden georganiseerd in congregaties ( 講) per regio, zonder zich te storen aan de grenzen van de domeinen. Op dit punt vertonen ze zeer veel gelijkenis met de in de Kinki-regio. Deze congregaties waren in de eerste plaats als gebeds- en bezinningskringen bedoeld, maar hun homogeniteit en hechtheid maakten ze tot uitstekende instrumenten van verzet tegen de landheren.

Ondanks herhaalde aanmaningen van Rennyo tot gehoorzaamheid kwamen de volgelingen van de Ikkō-sekte in 1488 in gewapende opstand tegen de shugo Togashi Masachika. Zij brachten een leger van 130.000 man in het veld. Masachika werd verpletterd en een familielid van hem werd tot shugo aangesteld, althans in naam, want de facto waren het de kokujin onder de volgelingen die het voor het zeggen hadden. Gedurende een eeuw bleef de provincie Kaga aldus ‘het bezit van boeren’ (hyakushō-mochi 百姓持).

Betekenis van de ikki

Zowel de kuni-ikki als de Ikkō-ikki zijn aan een innerlijke verdeeldheid ten onder gegaan. Uiteindelijk zijn de dorpen, onder het gezag gekomen van nieuwe feodale landheren (ryōshu), en hebben zij gediend tot springplank voor de kokujin en jizamurai om hun macht uit te bouwen. Toch is de historische betekenis van de ikki groot. Zij waren de meest opvallende manifestatie van een grotere onderstroom, die het systeem van het meervoudig landbezit uitholde, die zich ook kon uiten in het niet betalen van de jaarlijkse pachtrente, het deserteren van het land, enz.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo