Dictatuur van de Soga-clan
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Invloed in Korea
De buitenlandse macht en invloed van Yamato waren niet gering. Het had niet alleen zijn machtsbasis in Zuid-Korea, maar het speelde bovendien een actieve rol in de strijd tussen de drie Koreaanse rijken. Kudara (Paekche) was Yamato's traditionele bondgenoot, wellicht omdat het door zijn eigen ligging Japans zeeroute naar China controleerde. Het was echter ook hier dat de grenzen van Yamato's macht vlug duidelijk werden. Toen Kudara's hoofdstad in 475 door Koguryŏ bezet werd, moest Yamato machteloos toezien. Silla zag de zwakte van Japan en viel Mimana binnen, alwaar ook de plaatselijke landadel tekenen van verzet begon te tonen. In 512 zag Yamato zich verplicht op Kudara's eisen in te gaan en vier prefecturen (ken 県) af te staan aan Kudara in ruil voor het gebied dat dit rijk aan Koguryŏ verloren had. In de loop van de zesde eeuw zond Yamato nog verscheidene expedities naar Korea, om zijn vroegere militaire macht te herstellen, doch geeneen werd met succes bekroond. In 562 ging de Japanse basis op het schiereiland definitief verloren.
Opstand van Iwai 磐井: 527-528.
Het verlies van Mimana had zware gevolgen op het binnenlandse vlak. Vooreerst was er het verlies van de Koreaanse werk- en ambachtslieden met hun verder gevorderde technische kennis en vaardigheid, die in belangrijke mate de macht van het Yamato-hof en de heersende clan-aristocratie hadden onderstut. Het hof zelf was verscheurd tussen de factie van de haviken en die van de duiven. Het voorstel om vier prefecturen af te staan aan Kudara was afkomstig van de staatsminister ōtomo no Kanamura 大伴金村 (ōtomo no ōmuraji 大伴大連), een duif. De leider van de haviken was staatsminister Mononobe no Arakabi 物部麁鹿火 (Mononobe no ōmuraji 物部大連), die ōtomo aan de dijk liet zetten en in 527 een Koreaanse expeditie van 60.000 man op de been bracht, gericht tegen het machtige Silla. Dergelijke grootscheepse militaire inspanning kwam uiteraard op de schouders van de plaatselijke landadel en het gewone volk terecht. Voor de gouverneur van Tsukushi 筑紫, Iwai, werd dit echter teveel. Met de steun van de landadel en het volk van Noord-Kyūshū sneed hij de doortocht van het expeditieleger af. Mononobe no Arakabi zag zich verplicht zelf uit te rukken om de rebellen te onderdrukken.
Ontbinding van de shisei-structuur
Onderdrukking van de opstand versterkte de controle van het hof over de plaatselijke clans. Dit kreeg concrete gestalte in de oprichting van vele nieuwe hofdomeinen (mita) in Kyūshū, Sanyō 山陽, Kinki 近畿 en Tōkai 東海. Hoe uitgebreider de staatsgronden werden, hoe belangrijker de financiële instellingen die de inkomsten ervan beheerden. Daarvoor stond de Soga-clan in, die haar machtsbasis vooral had onder de immigranten (klerken, ambtenaren en ambachtslieden). Met hun steun streefde de Soga-clan naar een bureaucratische staatsstructuur ter vervanging van het shisei-systeem. Dit bracht haar in botsing met de vanouds gevestigde clans van de Mononobe (erfelijke generaals) en Nakatomi (specialisten in Shintō-rituelen).
Vanaf het einde van de vijfde eeuw begon de traditionele clanmaatschappij, vooral in de meest ontwikkelde streek, die van Kinai, tekenen van ontbinding te vertonen. Kleinere eenheden, families geleid door een pater familias begonnen zich af te tekenen. Door de ontbinding van de clan, de fundamentele eenheid in de traditionele maatschappijstructuur, zagen de machthebbers zich genoopt een formule te vinden, die toeliet rechtstreeks de families, meer zelfs, de individuen, onder staatscontrole te brengen. Zij waren m.a.w. geconfronteerd met het probleem van het bestuur van een eenheidsstaat in wording die reeds behoorlijk geïntegreerd was, een toestand die vergelijkbaar was met China, hoewel dit laatste land uiteraard een veel grotere en complexere maatschappij had. De traditionele Japanse staatsstructuur, gebaseerd op de sociale eenheid van de clan en gerechtvaardigd door het Shintoïsme, was duidelijk niet meer aangepast aan deze nieuwe eisen. Daarvoor was hij te particularistisch, te veel doordrongen van de geest van de plaatselijke gemeenschap die samengehouden werd door de eredienst aan een plaatselijke Shintō-godheid (kami 神). De Japanse maatschappij had nu behoefte aan een meer universalistische staatsideologie en godsdienst voor de spirituele onderschraging ervan. Die kon zij vinden in China. Dit land had namelijk een sterk uitgewerkte staatstheorie, gebaseerd op drie principes:
1) Dat van de absolute heerser, wiens gezag ethisch wordt verantwoord door het concept van het Hemels Mandaat.
2) Dat van de regering van de keizer door middel van een corps van dienaren of "ministers", die als ambtenaar door de keizer zijn aangesteld.
3) Dat van het bestuur van het hele keizerrijk door middel van onpartijdige en algemeen geldende wetten en voorschriften.
De universalistische godsdienst die in China te vinden was, was het Boeddhisme, dat vooral in de Noordelijke "barbaarse" rijken van de vijfde en de zesde eeuw, een grote bloei kende en daar de functie vervulde van staatsgodsdienst en maatschappelijk cement dat de diverse bevolkingsgroepen samenhoudt.
Staatsgreep van de Soga-clan
Het zal niet verwonderen dat de botsing tussen de progressieve Soga-clan en de conservatieven draaide rond één van deze twee ideologieën, met name rond het Boeddhisme. Het kwam tot een krachtmeting toen aan het hof een debat ontstond over de vraag of de boeddhabeelden die het van het rijk Kudara had gekregen, officieel vereerd moesten worden of niet. Dit kwam neer op de al of niet officiële erkenning van het Boeddhisme. De Mononobe voerden aan dat de toen heersende hongersnoden en epidemieën te wijten waren aan de verering van de "vreemde godheid" (d.i. Boeddha), hetgeen de woede en de wraakzucht van de Shintō-godheden had gewekt. De Soga betoogden dat de Boeddha juist machtiger was dan de Shintō-goden en in staat was het maatschappelijke onheil te verdrijven. Uiteindelijk haalden de progressieve krachten het. In 585 besteeg een keizerlijke prins die langs moederszijde aan de Soga verwant was, de troon als keizer Yōmei 用明 (585-587).
In 587 slaagde Soga no Umako 蘇我馬子 (?-626) erin de Mononobe-clan te vernietigen, en een neef op de troon te zetten, als keizer Sushun 崇峻 (587-592). Umako regeerde met dictatoriale hand en toen Sushun zich verzette, werd hij door een handlanger van Umako vermoord. Op de troon plaatste hij nu een prinses, Suiko 推古 (593-628), terwijl haar neef Umayado no Toyotomimi no miko 厩戸豊聡耳皇子, beter bekend als Shōtoku Taishi 聖徳太子 (574-622), in 593 werd aangesteld als regent.
Shōtoku Taishi
Gedurende de volgende drie decennia regeerden Umako en Shōtoku Taishi met absolute macht. Zij vermeerderden niet alleen de hofdomeinen, vooral in oostelijk Japan, maar zorgden ook voor de uitbreiding van hun eigen privé-domeinen (tadokoro). In beide gevallen stelden zij ta no tsukasa (田の司), d.i. plaatselijke beheerders aan. In het kerngebied van Kinki (of: Kinai) kregen de reeds eerder vermelde kuni no miyatsuko geleidelijk het karakter van uitvoerende, door het hof aangestelde ambtenaren. Ook de structuur van het hof zelf werd gereorganiseerd en volgens meer bureaucratische lijnen uitgebouwd rond de financiële instellingen. De gildehoofden (tomo no miyatsuko) kregen het karakter van administratieve directeurs en de gilden dat van beambten.
Umako en Shōtoko Taishi inspireerden zich voor de reorganisatie van de staatsstructuur op het pas herenigde China, dat van de Sui en de Tang. De Sui-dynastie was er net in geslaagd het hele Chinese territorium na bijna vier eeuwen versplintering te herenigen en een regeringsapparaat uit te bouwen dat uitmuntte door zijn symmetrie en rationaliteit. Een centrale uitvoerende macht uitgebouwd in drie ministeries, plaatselijke besturen afhankelijk van de centrale macht en een ver doorgedreven hoofdelijke belasting waren er de meest opvallende kenmerken van. In dat nieuwe en machtige Chinese eenheidsrijk kende het Boeddhisme een enorme opgang en doordrong in grote mate de Chinese maatschappelijke ideologie.
Voor de leiders van de jonge Japanse eenheidsstaat werd China het lichtende voorbeeld.
Zij bevorderden het Chinese concept van de vorst als keizer met een ethische zending en een bovennatuurlijk mandaat, die regeert via een executief ambtenarenapparaat.
In 603 kondigde Shōtoku Taishi een systeem van 12 hofrangen af, en in 604 de fameuze grondwet in 17 artikelen, gebaseerd op confucianistische beginselen. Nomenclatuur en terminologie in verband met de staats- en maatschappijstructuur werden op Chinese leest geschoeid. En, last but not least, het Boeddhisme werd bevorderd tot quasi-staatsgodsdienst.
De boeddhistische leer leek geknipt om de particularistische mentaliteit van de uji te overstijgen en te fungeren als eenheidsideologie van de aristocratie, en bovendien het gezag van het hof tegenover de regionale clans en het volk te verhogen. Shōtoku Taishi ontvouwde een grootscheeps programma van tempelbouw. Uit Korea ontbood hij talrijke monniken en diverse specialisten in religieuze schilderkunst, beeldhouwkunst en tempelbouw om schitterende tempels op te richten, zoals de Shitennōji 四天王寺, Hōkōji 法興寺, Hōryūji 法隆寺, enz. Door hun architectonische complexiteit, artistieke verfijning en technische volmaaktheid moeten deze bouwwerken in het Japanse cultuurlandschap de aanblik geboden hebben van een Boeddha's paradijs op aarde. De spectaculaire opgang van het Boeddhisme riep een grote artistieke en scholastieke activiteit in het leven.
De regent zelf kreeg van een Koreaans monnik onderricht in de boedhistische geschriften, o.m. die van de Sanron-school (de School der drie stellingen), en gaf later zelf uiteenzettingen over Boeddha's leer aan de keizer. Het dient beklemtoond te worden dat het Boeddhisme dat hier werd gevestigd aristocratisch van inslag was, en dat de tempels staatstempels (kanji 官寺) waren, waartoe het gewone volk zelfs de toegang ontzegd was. Een en ander betekende echter niet dat de eredienst aan de Shintō-goden werd afgeschaft, integendeel. De kami waren immers de voorvaderen van de keizerlijke en aristocratische clans. In deze periode probeerde Japan ook op voet van gelijkheid met China officiële contacten te leggen. De bedoeling ervan was dubbel: 1) via China Silla dwingen om Mimana niet langer bezet te houden. 2) de studie van de Chinese cultuur en staatsbestel te bevorderen. In 607 stuurde Shōtoku Taishi een ambassade naar het Chinese keizerrijk dat net door de Sui-dynastie onder één gezag gebracht was. De leider van het Japanse gezantschap luisterde naar de naam Ono no Imoko 小野妹子. De officiële brief die de gezant bij zich had, begon met de beroemd geworden zin: "De keizer (tenshi 天子) van het land van de opgaande zon schrijft een brief aan de keizer van het land van de ondergaande zon". Volgens de Chinese dynastieke kronieken nam de Chinese keizer aanstoot aan de toon van de brief: alsof de Japanse vorst zich tot een gelijke richtte. Dit belette echter niet dat het jaar erop de Sui-keizer een ambassadeur onder begeleiding van Imoko op tegenbezoek naar Japan stuurde. Bij diens terugkeer naar China werd hij vergezeld door Imoko die andermaal een officiële brief bij zich had. Ditmaal begon hij met de woorden: "de hemelse soeverein(sumera mikoto) van het Oosten groet de doorluchtige keizer van het Westen". Dit is de eerste keer dat de Japanse ōkimi (groot vorst) "hemels soeverein" genoemd wordt. Van die tijd af komt deze benaming meer en meer in voege.
Bij zijn twee overtochten naar China was de Japanse ambassadeur telkens vergezeld van talrijke studenten en monniken die er hun kennis wilden vergroten. Onder hen bevonden zich ook figuren die later een belangrijke rol in de Taika-hervormingen zouden spelen. Het directe politieke doel van de gezantschappen, om door China op voet van gelijkheid behandeld te worden en zo Japans gezag ten opzichte van Silla te vermeerderen, mislukte. Het Sui-hof behandelde Japan namelijk als schatplichtige vazalstaat, zoals het dat trouwens deed met alle naburige staten.

