De vier grote pollutiezaken van Japan

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

De vier [1] grote pollutiezaken vonden plaats in Minamata, Yokkaichi en Toyama. De pollutie in deze gebieden gebeurde op enorme schaal. Zowel op het vlak van het aantal slachtoffers, de grootte van de vervuilde oppervlakte als de duur van de rechtszaken die erop volgden, gaat dit over de grootste pollutiezaken die Japan ooit gekend heeft. De vier grote pollutiezaken troffen Japan in de periode na de Tweede Wereldoorlog, tussen de jaren 50 en de jaren 70. Het ecologisch bewustzijn kwam door deze zaken in een stroomversnelling terecht. Ze stonden model voor de wereld in de strijd tegen vervuiling en het streven naar een meer ecologisch beleid wereldwijd.

Politiek Kader

Gedurende de Meiji restauratie werd Japan gedwongen om zijn grenzen te openen voor de buitenlandse markt. Zo was Japan verplicht om zich snel aan te passen aan de moderne markt. Dit betekende voor Japan een radicale omwenteling. Het moest zo snel mogelijk van feodaal land naar een sterk geïndustrialiseerd land gaan om zich staande te houden tussen imperialistische landen zoals de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Het beleid van de overheid werd aan dit politieke kader aangepast. De overheid hanteerde een strikt beleid van sterke industrialisatie met uitsluiting van al het andere.

Na de Tweede Wereldoorlog moest Japan snel herstellen van de zware schade die het opgelopen had. Het land moest heropgebouwd worden en wederom economisch sterk worden, dat was althans het hoofddoel. De binnenlandse politiek richtte zich hier dan ook ten volle op. Het vredesakkoord van San Francisco, dat in 1952 tot stand kwam tussen de geallieerden en Japan en een einde maakte aan de Amerikaanse bezetting, was de eerste stap naar de verdere industrialisering van Japan. Het strikte beleid van de overheid veroorzaakte het “Japanse mirakel”, de enorme economische groei van Japan in een zeer korte periode. De vier pollutiezaken waren hier een neveneffect van.

Sociaal kader

Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd het hele land ingezet om bij te dragen aan de economische groei van Japan. De staat werd gezien als een grote familie en degenen die niet meehielpen in het volbrengen van de nationale doelen werden vervolgd. Bewegingen die bestonden uit pollutie slachtoffers werden onderdrukt door de regering onder het mom van “gevaar voor de nationale veiligheid”. Er was dus wel sprake van een ecologisch bewustzijn, maar dit werd halsstarrig onderdrukt door de regering. Iedere vorm van protest werd quasi genegeerd.

Bovendien had men een heel ander beeld van hygiëne. Hygiëne had in het naoorlogse Japan vooral te maken met het beperken van besmettelijke ziektes en niet met milieuvervuiling. Het bureau van Hygiëne en het Ministerie van gezondheid propageerden hygiëne voor het beperken van ziektes als cholera en raadde de bevolking aan alle vliegen en muizen in en rond het huis te doden. Hygiëne maakte deel uit van van de ideologie om de Japanse maatschappij en ruimte te controleren.

De overheid veranderde dit na de Tweede Wereldoorlog niet. Het bleef de bedrijven beschermen zodat zij konden blijven doorwerken aan de economische groei van Japan. Echter gedurende de jaren 50 en de jaren 60 doken er meer en meer problemen van rivierpollutie en vuilnis op door de toenemende urbanisatie. Het protest nam toe. Pas na de vier grote pollutiezaken kreeg het protest een stem en wakkerde zo het ecologisch bewustzijn aan.

De vier pollutiezaken

Pollutie in Yokkaichi

Uitzicht over de stad Yokkaichi

Yokkaichi gelegen in de prefectuur Mie, in het centrum van Japan, speelde een grote rol in de industrialisatie van Japan. De stad was in het bezit van een grote haven die uitkeek op de Ise baai. Na de Tweede Wereldoorlog vestigden een aantal petrochemische bedrijven zich aan de haven. De haven werd het economisch centrum van de stad.

In de jaren 50 doken de eerste tekenen van ernstige pollutie op. Er was sprake van lucht- en watervervuiling. Meer en meer inwoners werden getroffen door ernstige ademhalingsproblemen. Omdat deze problemen vooral voorkwamen bij mensen die dicht bij de bedrijven woonden, zag niemand er werkelijk een gevaar in. De inwoners van de stad bleven nog altijd zeer dicht in de buurt van de bedrijven zwemmen, zich duidelijk niet bewust van het gevaar.

In de jaren 60 begon het probleem enorme proporties aan te nemen. Meer en meer gevallen van de zogenaamde ‘Yokkaichi-astma’ werden vastgesteld. Door de aanwezigheid van grote concentraties zwaveloxide in de lucht werden de luchtwegen en de longen van de inwoners van de stad Yokkaichi ernstig aangetast. [2] De inwoners begonnen, door afwezigheid van een andere bron, te beseffen dat de oorzaak lag bij de petrochemische bedrijven aan de haven en dienden in 1967 klacht in.

De Yokkaichi pollutiezaak ging de geschiedenis in als de eerste pollutierechtszaak waarbij er schadevergoedingen werden uitbetaald. In 1972 waren alle slachtoffers die klacht hadden ingediend, vergoed. Het totale bedrag dat werd uitbetaald bedroeg 88.2 miljoen yen. Initieel waren er elf slachtoffers die klacht ingediend hadden, maar dat aantal steeg algauw tot 682. In 1969 werden er in omliggende gebieden in Osaka en Kawasaki ook gevallen van Yokkaichi-astma vastgesteld waardoor het aantal slachtoffers dat erkend was, opliep tot 17199. Uiteindelijk werden er in heel Japan 75150 slachtoffers van Yokkaichi-astma erkend.

Pollutie in Toyama

Slachtoffer met ernstige vergroeiing van de ruggengraat

Toyama is de hoofdstad van de prefectuur Toyama en ligt op 300 km afstand van Tokio. De stad is gelegen aan de Jinzu rivier die uitmondt in de Japanse zee. Deze rivier werd in de begin jaren 50 ernstig vervuild met het zware metaal cadmium. De schuldige was het grote mijnbouwbedrijf ‘Mistui Mining and Smelting co’, een van de grootste mijnbouwbedrijven ter wereld. Dit bedrijf loosde het zeer giftige cadmium [3] in de Jinzu rivier.

De bevolking van de stad Toyama bestond overwegend uit boeren. Men gebruikte het water van de Jinzu rivier als drinkwater en om de rijstvelden te bevloeien voor irrigatie. Zo kwam de giftige stof via het drinkwater en de rijst in de voedselketen terecht. Veel mensen die op de oevers van de Jinzu leefden werden ernstig ziek. Meer dan de helft hiervan overleed aan de ziekte waarvan men nog altijd de oorzaak niet wist. Vooral vrouwen tussen de vijftig en zestig jaar die al veel kinderen gedragen hadden liepen een groot risico op besmetting.

In 1963 stuurde het ministerie van volksgezondheid en welzijn een onderzoekscommissie naar de stad om te zoeken naar de oorzaken van de tot dan toe onbekende ziekte. In 1968 werd de Itai Itai-ziekte vastgesteld door het ministerie van volksgezondheid en welzijn. De Itai Itai-ziekte was het resultaat van het consumeren van met cadmium besmette rijst. De naam van de ziekte betekent letterlijk “het doet pijn, het doet pijn” en verwijst naar de hevige pijnen in de gewrichten en de ruggengraat waaraan deze patiënten leden. Cadmium stapelt zich namelijk op in het lichaam en tast zo de beenderen en de nieren aan wat leidt tot nierfalen.

In datzelfde jaar werd er door de slachtoffers een klacht ingediend. In 1972 werd “Mistui Mining and Smelting co” beschuldigd van het lozen van giftige stoffen in de Jinzu rivier en werd het veroordeeld tot het compenseren van alle 156 slachtoffers. Er werd aan de slachtoffers een totale som van 148.2 miljoen yen uitbetaald.

Pollutie in Minamata

Minamata, een stad gelegen in het Zuidwesten van Kumamoto prefectuur, werd in 1956 getroffen door een uitbraak van een ernstige ziekte. De stad gelegen aan de Shiranui zee haalde zijn inkomsten vooral uit de visvangst. De meerderheid van de bevolking bestond dan ook uit vissers. Er waren ook mensen die tewerkgesteld waren in Chisso Corporation, het chemisch bedrijf dat zich bezighield met het produceren van kunstmest.

Chisso Corporation opende zijn chemisch bedrijf in Minamata in 1908. Initieel hield het bedrijf zich bezig met het ontginnen van carbide. Toen elektriciteit werd geïntroduceerd in Japan, werd er haast niets meer van verkocht. Het bedrijf stapte dan over op de productie van kunstmest. Na de eerste wereldoorlog kregen ze, dankzij het staken van de import, hier een monopolie op. Het bedrijf kende een ongekende groei. In 1930 begon het bedrijf gebruik te maken van acetyleen en kwik voor de productie van aceetaldehyde of ethanal. Al de afvalproducten die werden gebruikt bij de aanmaak van het basisproduct ethanal werden zonder enige behandeling geloosd in de Minamata baai. Het zeer gevaarlijke kwik was de oorzaak van wat later bekend zou worden als de Minamataziekte.

Op 1 mei 1956 kwam een moeder met haar twee dochters naar het Chisso ziekenhuis. Haar twee dochters leden aan onverklaarbare neurologische symptomen. De arts verwittigde het Minamata centrum voor volksgezondheid. Daar zeiden de dokters dat ze patiënten hadden onderzocht met gelijkaardige symptomen. De hoofdarts van het centrum voor volksgezondheid sprak met de moeder van de twee zusjes en bracht verslag uit bij het Kumamoto Prefectuuraal gezondheidscentrum. Op 8 mei 1956 kwam de zaak voor het eerst in de krant. Hierna meldden vele mensen die zich herkenden in de symptomen van de zusjes zich aan het centrum voor volksgezondheid. Er ontstond een angst om besmet te worden en vele patiënten werden verplicht om afgezonderd te leven.

Een onderzoeksgroep van de universiteit van Kumamoto werd aangesteld om de oorzaken van de ziekte te onderzoeken. Ze ontdekten dat de ziekte niet besmettelijk was en dat ze hoogstwaarschijnlijk iets te maken had met het beroep dat de patiënten uitoefenden. Het viel de onderzoekers namelijk op dat meer dan de helft van de patiënten vissers waren. De ziekte moest dus veroorzaakt zijn door een gemeenschappelijke factor en dat werd uiteindelijk de met besmette vis uit de Minamata baai. De vis was besmet geraakt door het kwik dat Chisso corporation in de Minamata baai loosde. De onderzoeksgroep bracht verslag uit aan de Kumamoto universiteit, maar de bevolking zelf werd nauwelijks ingelicht.

Inwoners van Minamata bleven nietsvermoedend besmette vis consumeren.

De lokale regering van Kumamoto zocht raad bij de Japanse regering. Deze adviseerde op zijn beurt dat de regering van Kumamoto het consumeren van vis en schaaldieren gevangen in de Minamata baai moest afraden aan de bevolking. Ook wees het erop dat het niet bewezen was dat alle vis besmet was en dat het dus niet nodig was om de consumptie van vis uit dat gebied volledig te verbieden. Doordat de inwoners van de stad niet goed geïnformeerd werden, bleven ze besmette vis consumeren. Hierdoor bleef de blootstelling aan kwik duren en er werden alsmaar meer mensen ziek. Bovendien ontkende Chisso corporation zijn aandeel in de zaak waardoor de hulp aan de slachtoffers alleen maar vertraging opliep. De regering, geconcentreerd op de economische groei van Japan, zag in de vervuiling geen probleem en vertraagde zo ook de hulpverlening.

Katten werden vaak als eerste ziek. Ze vertoonden spasmen en begonnen achter hun staart te lopen totdat ze van uitputting stierven. Vervolgens werden de lokale vissers ziek. Hun motorische functies gingen er langzaam op achteruit. Kwik stapelde zich beetje bij beetje op in het lichaam en tastte het centrale zenuwstelsel aan, met acute pijn tot gevolg. Het ging hier dus om een chronische ziekte waardoor de erkenning van een Minamata patiënt niet zo gemakkelijk was. Kwik was ook een kostbare stof. Men had nooit kunnen denken dat het bedrijf er zo zou mee omspringen. Bovendien was het kwik van anorganische aard, terwijl de symptomen leken op die bij organische kwik- intoxicatie. Daardoor is het de meest bekende en meest gedocumenteerde zaak van de vier. Door continue blootstelling aan het giftige kwik werden de symptomen alleen maar erger met de dood tot gevolg.

Pollutie in Niigata

Slachtoffer van de Minamata-ziekte

In 1965 doken er gelijke problemen op in het stroomgebied van de Agano in de prefectuur Niigata. Dit gebied lag op een grote afstand van Minamata, maar het was duidelijk dat het hier ging om een tweede uitbraak van de ziekte. De ziekte werd ‘De tweede Minamata ziekte’ genoemd. Hevig protest brak los. Er ontstond een protestbeweging bestaande uit voornamelijk slachtoffers die uiteindelijk het bedrijf Chisso corporation in 1967 voor de rechter daagde.

In 1971 werden 690 slachtoffers van de ‘tweede Minamata ziekte' en 2265 slachtoffers van de eerste uitbraak erkend en vergoed. Hierna ontstond er een heel proces van erkenning van patiënten die aan de ziekte leden, maar waarbij die nog niet vastgesteld was en het vastleggen van de vergoedingen. Hierdoor liepen de spanningen met de beweging alleen maar op. Pas in 1995 werden de overige 10353 patiënten vergoed, maar niet erkend.

Pas in 2004 werd het aandeel van de regering in de hele zaak besproken in het hooggerechtshof. Het hof oordeelde dat de regering te weinig acties had ondernomen om de ziekte in te dammen. Dit was op zich al een hele overwinning voor de slachtoffers. Al kwam het voor velen te laat, want op dat moment waren er reeds 1784 mensen bezweken aan de ziekte.

Hervorming ecologisch beleid

Deze vier zaken brachten een geleidelijke stroom van hervorming op gang. In 1959 werd een eerste wet die te maken had met ecologie goedgekeurd door de hoofdstedelijke regering. De criteria waren veel te laks opgesteld, waardoor het akkoord weinig effectief bleek. Bovendien lokte het akkoord enorm veel tegenstand uit van de industrie.

Als reactie op het protest van pollutieslachtoffers begon de regering aan het ontwerp van een wetgeving om milieuvervuiling onder controle te houden. Dit proces werd vertraagd doordat de regering op felle tegenstand stuitte van de verschillende industriële groepen. Bovendien verliep het onderhandelen tussen de verschillende ministers zeer stroef.

In 1961 werden er twee wetten voor de controle van waterpollutie goedgekeurd. Deze bleken later wederom niets uit te halen. Pas in 1971 kwamen er een hele reeks nieuwe wetten die voor een heel nieuw ecologisch beleid in Japan moesten zorgen. Belangrijke ecosystemen zouden beschermd en geconserveerd worden. Deze reeks wetten werden geïntroduceerd in het ‘pollution session of the diet’ in 1970, een speciale sessie over pollutie. Men vaardigde standaarden uit voor emissie zoals de standaarden voor zwaveldioxide, uitgevaardigd in 1969. Deze werden algauw opgevolgd door de standaarden voor uitlaatgassen en watervervuiling in 1970, grenzen voor geluidsoverlast in 1971 en voor de uitstoot van CO2 in 1973. In 1971 werd het agentschap voor milieu opgericht dat ervoor moest zorgen dat de nieuwe wetgeving gerespecteerd werd. De sombere toestand van het industrieel landschap van Japan bleek een vruchtbare grond te zijn voor een snelle technologische ontwikkeling en bijgevolg een snel herstel van de beschadigde ecosystemen.

Voetnoten

  1. Eigenlijk ging het om drie pollutiezaken, maar de laatste kende twee uitbraken in Niigata en in Kumamoto.
  2. De zwaveloxide ontstond door de verbranding van zwavelhoudende brandstoffen.
  3. Cadmium werd samen met zink en lood ontgonnen in het mijnbouwbedrijf “Mistui Mining and Smelting co”.

Bronnen

Artikels

  • Cadmium Pollution and Itai-itai Disease, The Lancet, vol. 297 nr. 7695 (1971): 382-383.
  • Gomez Salgado, Oscar A. The evolution of Official lessons: The Japanese experience of the “Big four” Pollution Diseases through the Lens of International aid, Journal of Alternative Perspectives in the Social sciences, nr. 1 (2008): 81 – 100.
  • Mori, Masato. Environmental pollution and bio-politics: The epistemological constitution in Japan’s 1960s, Geoforum, nr. 39 (2007): 1466 – 1479.
  • Peng, Guo, Kazuhito, Yokoyama, Masami Suenaga en Hirotaka Kida. Mortality of Yokkaichi Asthma patients, Japan: Late effects of air pollution in 1960-70s, Environmental health journal, nr. 7 (2008): art. 8.
  • Toshihide, Tsuda, Takashi Yorifuji, Soshi Takao, Masaya Miyai en Akira Babazono. Minamata disease: Catastrophic poisoning due to a failed public health response, Journal of Public Health Policy, nr. 30 (2009): 54 – 67.
  • Yasunaga, Hideo. History of public crises in Japan, Journal of Public Health Policy, nr. 28 (2007): 221 – 237.

Boeken

  • George, Timothy S. Minamata: Pollution and the struggle for democracy in Postwar Japan. Cambridge: Harvard University Asia center, 2002.
  • Ui, jin. Industrial Pollution in Japan. Tokyo: United Nations university press, 1992.

Internet