De rijstrellen van 1918

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

Over de rijstrellen[1] en hun impact. Ze vonden plaats gedurende de maanden juli, augustus en september in 1918. Toen de rijstprijs in de zomer van 1918 fors steeg groeide de onrust uit tot een nationaal protest.

Naar aanleiding van de Siberische campagne begonnen rijsthandelaars grote hoeveelheden rijst op te kopen om zo de prijs te manipuleren. Door grote prijsstijgingen van de rijst ging de bevolking hiertegen in opstand. Dit gebeurde eerst in Hozu, Toyama prefectuur. Hier kwamen vissersvrouwen in opstand. Dit begon vredevol met protestacties en evolueerde naar plunderingen en andere gewelddaden. Deze acties inspireerde de bevolking elders in het land en de opstanden verspreidden zich naar 32 andere prefecturen. De overheid reageerde eerst met brutaal geweld. De regering Terauchi zag zich hierop genoodzaakt af te treden. De volgende regering onder eerste minister Hara zorgde voor prijsverlagingen en importeerde rijst uit Taiwan en Korea. Deze opstanden waren van belang omdat ze de kracht van massabewegingen toonden en hierdoor aan het begin stonden van verdere politieke, actieve, sociale bewegingen.

Aanleiding

De rijstrellen van 1918 waren een reactie tegen inflatie, lage lonen en speculatie. Op korte tijd verdubbelde de prijs van de rijst. Andere goederen werden ook verkocht tegen hoge prijzen terwijl de lonen onveranderd bleven. Van 1918 tot 1919 heerste er een griepepidemie in Japan. Opmerkelijk voor de rellen was dat het grootste deel van de opstandelingen niet uit de armste gelederen van de bevolking kwam. De opstandelingen kwamen voornamelijk uit een zekere middenklasse van arbeiders, mensen met een vaste baan en inkomen. Door de versnelde industrialisatie werden er veel mensen tewerkgesteld in fabrieken en manufacturen. Op het platteland hadden velen een tweede beroep in de industriële sector om rond te komen. De meeste landbouwers waren pachters en betaalden hun pacht in natura. De pacht was echter zo hoog dat velen zich niet in hun basisbehoeften konden voorzien. Er was wel een tekort aan rijst, maar er heerste geen hongersnood. De meeste rellen waren eerder een pleiten tot prijsdaling dan plunderingen.

De rijstrellen van 1918 sluiten een periode af van wat een tijdperk van volksgeweld[2] genoemd werd. Van 1905 tot 1918 was er sprake van een 9-tal volksconflicten, waarvan een 6-tal van groot kaliber en een 3-tal kleinere. Het begon met de Hibiya Anti-Verdragsopstand[3] van 1905. Dit was een reactie tegen het verdrag van Portsmouth en de tegenvallende resultaten van de Russisch-Japanse oorlog.

De conflicten van dit tijdperk kenden allen een gelijkaardig verloop, voornamelijk in de steden. Op het platteland verliepen ze vaak vrediger met meer shintoïstische trekjes. Een boze menigte trok door de stad en verwoeste zowel publieke als private eigendom. Vaak ging het over een protest tegen de gevestigde orde van Imperiaal Japan. De menigte viel politie, politiekantoren en nationale overheidsgebouwen, trams en hun bestuurders aan, demonstreerden voor het Japanse parlement en bestormden kantoren van grote kranten. Vaak ging het over grote menigten van tienduizenden deelnemers. Honderden werden gearresteerd en enkelen gedood. Bij 4 van deze rellen viel de regering, o.a. bij de Rijstrellen.

De Rellen

Toyama Prefectuur

De eerste vermelding van een zogenaamde 'rijstrel' was op 22 juli, 1918 in de Toyama prefectuur. In het vissersdorpje Hozu en in andere dorpjes langs de baai van Toyama kwamen vissersvrouwen op tegen de snelle prijsstijgingen van de rijst. Acties werden ondernomen zoals het verhinderen van transport, aanvallen op rijsthandelaars, petities gericht tot de lokale machtsvoerders en andere middelen om rijsthandelaars onder druk te leggen. Alles met als doel een verlaging van de rijstprijs tot meer aanvaardbare normen. Vissers waren vaak lange tijd weg van huis, werkten voor lage lonen en werden vaak verbonden aan booteigenaars door financiële verplichtingen. Vissersvrouwen moesten vaak bijklussen rond de dokken of werkten in de grote spinnerijen en zijde manufacturen. Wanneer ze hun eigen gemeenschap in gevaar zagen komen, kwam er hiertegen reactie. Vele protestacties hadden een traditioneel karakter. In deze periode vond het jaarlijkse Obon[4] festival plaats. Hierdoor kregen vele protesten een feestelijk karakter. ’s Avonds verzamelden de dorpsbewoners voor de festiviteiten die gepaard gingen met het drinken van saké en bier. De gemoederen laaiden op en vandaar uit vertrok vaak een protestmars, vergezeld met tromgeroffel.

De onrust in de Toyama prefectuur duurde nog tot 4 oktober. Er was sprake van een 30-tal demonstraties waarvan velen bleven aanmodderen tot een aantal dagen. Door de grote aantallen activisten kon de politie weinig doen om hen te kalmeren. De activiteiten zijn pas gestopt toen er rijst tegen gunsttarieven en onder controle van de politie en lokale ambtenaren verkocht werd. Onder druk hebben rijsthandelaars toch toegegeven. Sommigen vreesden voor hun eigen veiligheid, anderen zagen de chaos die hun winstbejag teweegbracht. Uit vrees voor de heropleving van de protesten bleven de gunsttarieven uiteindelijk nog in stand tot in 1919.

In enkele dagen tijd verspreidden de opstanden over heel Japan. De acties in de steden gingen er gewelddadiger aan toe dan op het platteland. De situaties op het platteland geleken sterk op die van de Toyama prefectuur. De opstandigheden leidden ook tot het aankaarten van andere problemen zoals slechte werkomstandigheden, lage lonen en hoge pachten.

In Nagoya was er sprake van opstanden van 9 tot en met 17 augustus. ’s Avonds verzamelde een massa zich op verschillende locaties in de stadsparken. Aanvankelijk gebeurde dit spontaan als reactie op berichtgevingen in kranten en op de stijgende rijstprijs. Op deze verzamelplaatsen werd de massa opgehitst door volkssprekers. Van de parken uit werd vervolgens een optocht door de stad gehouden gepaard gaande met plunderingen en gewelddadige confrontaties met de politie. Het grootste incident vond plaats op 12 augustus met ongeveer 50 000 deelnemers. Het kwam tot een grootse confrontatie met de politie, een ware veldslag. De politietroepen hadden een verbod gekregen hun zwaarden te trekken, maar deden dit toch. Het precieze aantal doden en gewonden is nooit vrijgegeven. De volgende dag begon men sterk afgeprijsde rijst te verkopen tussen 16:00 en 20:00. Dit weerhield de arbeiders om na hun werk te verzamelen in de parken. Over de volgende dagen waren er nog een aantal demonstraties maar geweld bleef achterwege. Tussen 11 en 20 augustus vonden rellen over heel de Kansai regio plaats in steden zoals Ōsaka, Kōbe], Hiroshima en Tōkyō.

In de mijnen waren de werkomstandigheden erbarmelijk sinds de overname door de zaibatsu zoals Mitsui en Mitsubishi. Werknemers hadden een soort horige status. Ze werkten en leefden in en rond de mijn in huizen, een soort barakken, voorzien door het bedrijf. Door allerlei plannetjes werden ze in de schulden gezet en gedwongen te blijven. Zo mochten ze enkel in de bedrijfswinkel inkopen doen, moesten ze gedwongen investeren in een nadelig pensioenplan. Vaak werkten hele families in de mijn tegen een hongerloontje. Hoewel ze niet te maken kregen met stijgende rijstprijzen[5] gaven deze opstanden de kans om een beter loon en betere levensomstandigheden te eisen.

Reacties van de Overheid

Tot 1920 was er een grote toename in productiviteit en output. De uitputting van traditionele technologische mogelijkheden en de voortdurende vertraging van de groei in rijst-productiviteit bleken samen gevallen te zijn met een verhoogde vraag naar rijst tijdens de Eerste Wereldoorlog . Dit dreef de rijstprijs op naar ongeziene hoogten. De impact van de inflatie van de prijs resulteerde in een ernstige ontwrichting in de stedelijke gebieden en culmineerde in de rijstrellen van 1918.

De reactie van de overheid op de rijstrellen was om programma’s te organiseren om rijst te importeren van de overzeese gebieden Korea en Taiwan. Om een rijstoverschot te creëren voor de uitvoer naar Japan, werden korte termijn exploitatiemaatregelen getroffen, zoals de invoer van Mantsjoerijnse minderwaardige graanproducten om in de voedselvoorziening van Koreanen te voorzien. Koreaanse rijst zelf werd vervolgens uitgevoerd naar Japan. In Taiwan werd dezelfde tactiek gebruikt. Daar werden zoete aardappelen in de plaats van rijst gesteld om zo Taiwanese rijst ook naar Japan te kunnen uitvoeren.

Dit beleid werd nog versterkt door een sterke controle op het reële inkomen door belastingen en overheidsmonopolies in zaken als likeur, tabak en zout. Het doel op lange termijn was om ontwikkelingsprogramma’s te introduceren om zo de rijstproductiviteit te verhogen in de koloniale gebieden. Dit programma werd Sanmai Zoshoku Keikaku (Rijst Productiviteit Ontwikkelingsprogramma) genoemd. De Japanse overheid investeerde in het onderzoek naar technieken en structurele middelen om zo de hoog producerende Japanse rijstsoorten te kunnen aanpassen aan het klimaat en de omstandigheden in Taiwan en Korea. Het succes van deze inspanningen creëerde enorme rijstoverschotten die de Japanse markten overspoelden. Met als gevolg dat de rijstprijzen in Japan daalden en inheemse boeren ontmoedigd werden om nog verder rijst te telen.

Impact en Gevolgen

Door een intensief koloniaal rijstbeleid konden de tekorten aangevuld worden. Invoer vanuit de koloniale gebieden Taiwan en Korea zorgde voor een stagnatie in de agriculturele ontwikkeling van Japan. Het draaide bij tot industriële vooruitgang door de prijzen laag te houden en een grote aanvulling van kapitaal zonder een vermindering van buitenlandse uitwisseling te veroorzaken.

Hoewel deze rellen grotendeels hetzelfde verloop kenden als de rellen van het voorgaande decennium waren er een aantal elementen nieuw. Bij de rijstrellen van 1918 klonk er een eis tot aftreden van het kabinet van Terauchi. Dit duidde op een toenemend politiek bewustzijn. De regering Terauchi was het laatste kabinet aangesteld door de grote mogendheden van de Meiji-restauratie. Voortaan werden de traditionele gezagsdragers gedwongen rekening te houden met de volksvertegenwoordiging. Premier Hara was de eerste premier die niet uit de rangen van de adel en de hoge rangen van de voormalige samurai kwam.

Na de rijstrellen vonden geen grote stadsrellen meer plaats. Een nieuw tijdperk was aangebroken, een tijdperk van politiek protest en vakbondsbewegingen. Arbeiders werden nu beter georganiseerd in hun protest. Protesten ontstonden niet meer spontaan, maar werden georganiseerd en gecoördineerd vanuit organisaties.

Bronnen

Literaire bronnen

  • Vande Walle, Willy. Een geschiedenis van Japan: Van samurai tot soft power. Leuven. Acco. 2007.
  • Japan: an illustrated encyclopedia. p.1263 Tokyo. Kodansha Ltd. 1993.
  • Lewis, Michael L. Rioters and Citizens: Mass Protest in Imperial Japan. University of California Press. 1990.

Artikels

  • Sheldon, Garon. Review section: Rioters and Citizens: Mass Protest in Imperial Japan by Michael Lewis. Journal of japanese studies, vol.17, nr.2,(summer, 1991):471-475.
  • Bowen, Roger. Review: Rioters and Citizens: Mass Protest in Imperial Japan by Michael Lewis. The American Historical Review, Vol.96, No.5 (Dec. 1991):1597-1598.
  • Walthall, Anna. Review: Rioters and Citizens: Mass Protest in Imperial Japan by Michael Lewis. Monumenta Nipponica, Vol. 46, No. 1.(Spring, 1991):123-125.
  • Winant, Thomas T. Review: Rioters and Citizens: Mass Protest in Imperial Japan by Michael Lewis. The Journal of Asian Studies, Vol. 50, No. 2 (May, 1991:415-416
  • Gordon, Andrew. The crowd and Politics in Imperial Japan: Tokyo 1905-1918. Past and Present,No. 121 (Nov., 1988):141-170
  • Haring, Douglas Gilbert. Japanese Character in the Twentieth Century. Annals of the American Academy of Political and Social Science, Vol. 370 (Mar., 1967):133-142.
  • Institute of Pacific Relations, American Council. Memorandum on Japanese Rice Control. Vol. 2, No. 18. (Sep. 22, 1933).
  • Hayami,Yujiro;Ruttan, V. W. Korean Rice, Taiwan Rice, and Japanese Agricultural Stagnation: An Economic

Consequence of Colonialism. The Quarterly Journal of Economics, Vol. 84, No. 4. (Nov., 1970):562-589.

  • McKenzie, R.D. Reviewed Work(s):The Basic Industries and Social History of Japan 1914-1918. by Ushisaburo Kobayashi. The American Journal of Sociology, Vol. 37, No. 2. (Sep., 1931):301-302.
  • Duus, Peter. Reviewed Work(s):Labor and Imperial Democracy in Prewar Japan by Andrew Gordon. Journal of Japanese Studies, Vol. 18, No. 2. (Summer, 1992):539-543.
  • Thayer, Nathaniel B. Reviewed Work(s):The Politics of Oligarchy: Institutional Choice in Imperial Japan by J. Mark Ramseyer. The Journal of Asian Studies, Vol. 55, No. 3. (Aug., 1996):738-739.
  • Koschmann, Victor J. Review:The Origins of Socialist Thought in Japan by Crump John. Pacific Affairs, Vol. 57, No. 1. (Spring, 1984):127-128.
  • Fisher, Galen M. The Cooperative Movement in Japan. Pacific Affairs, Vol. 11, No. 4. (Dec., 1938):478-491.
  • Totten, George O. Labor and Agrarian Disputes in Japan Following World War I. Economic Development and Cultural Change, Vol. 9, No. 1, Part 2: City and Village in Japan.(Oct., 1960):187-212.
  • Rice, Richard. Reviewed Work(s):Economic Growth in Prewar Japan by Takafusa Nakamura; Robert A. Feldman. The Journal of Asian Studies, Vol. 43, No. 2. (Feb., 1984):331-333.
  • Smith, Henry D. Tokyo as an Idea: An Exploration of Japanese Urban Thought until 1945. Journal of Japanese Studies, Vol. 4, No. 1. (Winter, 1978):45-80.

Online bronnen

voetnoten

  1. (米騒動, kome sōdō)
  2. 民衆騒擾期, minshu sojo ki
  3. 日比谷焼討事件, Hibiya Yakiuchi Jiken
  4. Obon: een shintoïstisch feest van zuivering. Door bezoedeling van het dagelijkse leven is er een jaarlijks ritueel van zuivering, matsuri, nodig.
  5. De rijstprijzen werden onveranderd gehouden door het bedrijf.