De oude staatsmannen (Genrō 元老)

Uit GeschiedenisJapan

Excursus - Studentenbijdrage

De Genrō (元老) was een kleine groep van samurai die een zeer actieve rol gespeeld had in de Meiji-Restauratie (明治維新). Ze verkregen een leidende rol in de regering en behielden hun invloed tot ver in de nieuwe eeuw. Deze oude staatsmannen, gekend als Genrō (元老), waren de lijm die de Meiji-staat bij elkaar hield. Ze gaven de macht aan elkaar door en leverden 7 van de 9 eerste ministers tussen 1885 en het einde van de Eerste Wereldoorlog. Ze werden vaak geraadpleegd door de keizer en andere instituties van de regering.

Inhoud

Aanloop naar de installering van het Meiji-bestuur

De aankomst van Commodore Perry in 1853 in Japan veroorzaakte een schokgolf doorheen het hele land. Mede door deze buitenlandse druk, kwam er een reeks van gebeurtenissen tot stand die uiteindelijk zou leiden tot de val van het Tokugawa-bewind. Er werd een streep getrokken onder de politiek van algehele afzondering (sakoku 鎖国) , die meer dan 250 jaar allerlei buitenlandse invloeden had weten te weren. Japan begon als eerste in de Aziatische regio te moderniseren en internationaliseren. Slogans als “een welvarend land en een sterk leger” (fukoku kyōhei, 富国強兵) en “ontwikkeling van de industrie en het bevorderen van een bloeiende productie” (shokusan kōgyō, 殖産興業) verwoordden het doel van de natie.

De breuk met het verleden was echter verre van radicaal. Bij de aanvang van de Meiji-periode (1868-1911) was het namelijk al snel genoeg duidelijk dat het autocratische bewind van voorheen in zekere zin werd voortgezet. Leden van de militaire kaste uit vier van de 270 feodale domeinen in Tokugawa-Japan (Satsuma 薩摩, Chōshū 長州, Tosa 土佐 en Hizen 肥前), maakten van de verzwakking van het bewind gebruik om zelf de touwtjes in handen te nemen. De zogenaamde Meiji-Revolutie kwam dan ook van bovenaf waardoor er geen nieuwe sociale klasse aan de macht kwam. Er werd geen inspraak geduld, noch van buitenstaanders noch van het volk. Japan was derhalve een oligarchie. Vanaf 1868 moest de samurai-klasse één voor één haar privileges van de hand doen. Ze verenigden zich nog een laatste maal in een burgeroorlog tegen de regering in 1877, waarop de uitkoop van de samurai volgde. Dit had een desastreuze inflatie tot gevolg, waarbij enkel de grootgrondbezitters baat hadden. De regering kon hun eis van deelname in het bestuur niet langer weigeren en ook het protest tegen de oligarchie bleef groeien, verenigd in de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten (自由民権運動).

Tegen deze achtergrond, viel in 1881 het besluit om een Grondwet tot stand te laten komen (1889) en een Parlement op te richten (1890). Er werd een Geheime Raad, de Genrō-in (元老院), opgericht om de Meiji-Keizer (1868-1911) te adviseren. De leden van deze raad streefden dan wel naar de absolute macht van de keizer, in de praktijk voerden zij het werkelijke beleid. Tegen de vooravond van de 20ste eeuw waren deze leden ver in leeftijd gevorderd en verminderd in aantal door overlijden. Ze werden nu Genrō (元老) , oude staatsmannen, genoemd. De grondwet maakte geen notie van de Genrō (元老), maar zij bepaalden de facto tot het einde van de Tweede Wereldoorlog wie premier van Japan werd.

De leden van de Genrō (元老)

De Genrō (元老) waren dus de overlevenden van een groep oligarchen, de zogenaamde ‘Westernizers’ uit Satsuma en Chōshū . Deze bestond uit een 9-tal leden, met als belangrijkste vertegenwoordigers Itō Hirobumi en Yamagata Aritomo. Een korte voorstelling:

  • Matsukata Masayoshi (松方正義): Matsukata Masayoshi werd geboren in 1835 in Satsuma. Hij begon zijn carrière als bureaucraat, was belast met de controle van de oorlogsschepen en onderhield nauwe contacten met de Britse handelaars in Nagasaki. Na de Meiji-Restauratie werd hij opgenomen in de regering en was de belangrijkste architect van Japans financiële modernisering. Hij was de vierde (1891-1892) en zesde (1896-1898) eerste minister van Japan. Hij stierf in 1924.
  • Inoue Kaoru (井上馨): Inoue Kaoru werd geboren in 1835 als zoon van een arme samurai familie in Chōshū. In 1858 studeerde hij in Edo (江戸, het huidige Tokio) met gelijkgezinde zielen. Hij werd sterk beïnvloed door Yoshida Shoin (吉田松陰) waardoor hij eerder antibuitenlanders gezind werd. In 1862 vertrok hij naar Groot-Brittanië waar hij de westerse technologie bestudeerde en vriendschap sloot met Itō Hirobumi. Bij zijn terugkeer in Japan hielp hij mee een alliantie tot stand te brengen tussen Satsuma en Chōshū, die zou leiden tot de val van de Tokugawa-regering. Hij bekleedde hoge regeringsposten zoals gouverneur van Okinawa, Minister van Openbare Werken en vice-minister van financiën. Hij werd ziek in 1909 en stierf in 1915.
  • Yamagata Aritomo (山県有朋): Yamagata Aritomo was de zoon van een arme samurai familie in Chōshū. Hij werd geboren in 1838 en studeerde eveneens bij Yoshida Shoin. Hij speelde een leidende rol bij de verdediging van de tweede aanval van het Tokugawa shogunaat als oprichter van het leger van Chōshū. Na de Meiji-Restauratie in 1868 werd hij naar Europa gestuurd om er het leger te bestuderen. Als lid van de Genrō (元老) zou hij de macht delen met Itō Hirobumi en leidde de oorlog tegen China (1895) en tegen Rusland (1905). Hij was de derde (1889-1891) en elfde (1898-1900) Eerste Minister van Japan. Yamagata was een hevige tegenstander van politieke partijen en overleed in 1922.
  • Kuroda Kiyotaka (黒田清隆): Kuroda Kiyotaka werd geboren in 1840 in Satsuma. Hij was mee actief bij het omverwerpen van het Tokugawa shogunaat. Later zou hij beroemd worden als een leider in de Boshin-oorlog(戊辰戦争). In 1871 reisde hij naar Europa en Amerika en verkreeg bij zijn terugkeer een administratieve post in Hokkaido. Hij was de tweede Eerste Minister van 1888 tot 1889. Hij zag mee toe bij de opstelling van de Meiji-grondwet, maar werd verplicht ontslag te nemen wegens onvolkomenheden bij de onderhandelingen van verschillende verdragen die Japan werden opgelegd. Nadien vervulde hij onder andere nog de post als voorzitter van de Geheime Raad. Hij stierf in 1900.
  • Itō Hirobumi (伊藤博文): Itō Hirobumi was geboren als zoon van een arme familie uit Chōshū in 1841. Na zijn studies in een school opgericht door Yoshida Shoin werd hij naar Engeland gestuurd om er de Westerse technologie van dichtbij te bestuderen. Wegens oorlogsomstandigheden moest hij echter al snel terugkeren naar Japan. Na de Meiji-Restauratie werd hij één van de invloedrijkste personen van de regering en speelde de hoofdrol bij het opstellen van de grondwet van 1889. Hij vervulde als eerste de rol van de Japanse Eerste Minister (1885-1888). Nadien werd hij nog verschillende keren aangesteld om dit statuut te bekleden als vijfde (1892 –1896), zevende (1898-1898) en tiende (1900-1901) Eerste Minister. Omwille van de steun die hij verleende bij de annexatie van Korea zou hij worden vermoord door een Koreaanse nationalist in Mantsjoerije, 1909.
  • Saigo Tsugimichi (西郷従道): Tsugimichi Saigo werd geboren in 1843 als zoon van een samurai familie in Satsuma. Nadat hij gediend had in de Boshin oorlog, begon hij te werken voor de nieuwe regering. In 1874 was hij luitenant-generaal gedurende de expeditie in Taiwan en vervulde posten als Minister van Onderwijs, Landbouw, Handel etc. . Zijn grootste stempel op de Japanse geschiedenis heeft hij echter gedrukt als Minister van Zeemacht. Hij vervulde deze post gedurende een tiental jaren waarbij hij verschillende belangrijke hervormingen doorvoerde. Hij stierf in 1902.
  • Oyama Iwao (小山巌): Oyama Iwao werd geboren in 1842 in Satsuma en eveneens afkomstig van een samurai-familie. In 1686 nam hij deel aan de Boshin oorlog als leider van een groep kanonniers. Na de Seinan-oorlog (西南戦争) deelde hij de macht in het Japanse leger met Yamagata Aritomo en werd als eerste persoon in de Japanse geschiedenis aangesteld als Minister van het Leger. Gedurende de Russisch-Japanse oorlog (1904-1905) won hij de Slag bij Mukden als opperbevelhebber van het Japanse leger in Mantsjoerije. Hij overleed in 1916.
  • Katsura Tarō (桂太郎): Katsura Tarō werd geboren in 1847 in Chōshū. Hij was een beschermeling van Yamagata Aritomo en vervulde de post van Eerste Minister van 1901 tot 1906. Onder zijn beleid, met de Brits-Japanse alliantie (1902) en de overwinning op Rusland (1905), werd Japan erkend door Amerika en de rest van de wereld als grootste mogendheid in Azië. In 1906 nam hij ontslag omdat hij een tegenstander was van het Verdrag van Portsmouth. Hij werd terug aangesteld als Eerste Minister van 1908 tot 1911. Hij maakte de annexatie van Korea mee mogelijk en verkeerde kort nadien in een twist met het Parlement inzake het militair budget. Hij zou nog een laatste keer aangesteld worden in 1912 en stierf in 1913.
  • Saionji Kinmochi (西園寺公望): Saionji Kinmochi werd geboren in 1849 als zoon van een aristocraat, Tokudaiji Kinito, en geadopteerd door de Saionji-familie. Ontevreden met het conservatisme van zijn tijd nam hij deel in de Boshin oorlog tegen het shogunaat in Edo. In 1871 studeerde hij rechten in Frankrijk en bij zijn terugkeer richtte hij een van de eerste universiteiten op van de Meiji-periode. Hij werd opgemerkt door Itō Hirobumi en werd Minister van Onderwijs. In 1903 was hij de voorzitter van een politieke partij, de Seiyukai (政友会). In 1909 speelde hij een belangrijke rol gedurende de Conferentie van Versailles. Hij stierf in 1940 als de laatste echte Genrō (元老).

Concretisering van de macht

Het grootste initiatief van de grondwet was de oprichting van een parlement. Men kan echter niet zomaar veronderstellen dat Japan opeens een echte democratie geworden was. Er nam dan wel een grotere groep dan enkel de oligarchie deel in regeringszaken, maar er had amper één procent van de hele bevolking stemrecht. Niet verwonderlijk in een systeem dat stemrecht verbond met welstand.

De stichters van de nieuwe regering controleerden nog altijd Japan. Deze oude staatsmannen genoten groot aanzien omwille van hun jarenlange ervaring en hun politieke talenten. Ze controleerden de Geheime Raad en dus ook de Keizer. Er werden partijen gesticht, maar de boventoon werd gevoerd door de oude oligarchen en hun visies. Kabinetten volgden elkaar razendsnel op, maar tot 1918 kwam het merendeel van de Eerste Ministers van dezelfde kleine groep van oligarchen of hun getrouwen, die mee werden opgenomen in de politieke draaimolen.

De concretisering van de macht van de Genrō (元老) is kort samen te vatten in een drietal stappen:

  • Japan begon na 250 jaar feodalisme koortsachtig te moderniseren. De macht bleef echter in handen van een kleine groep samurai, de oligarchie. Deze groep werd eerst geleid door personen als Kido Takayoshi (木戸孝允) en Ōkubo Toshimichi (大久保利通), later door Itō Hirobumi en Yamagata Aritomo. Ze ijverden voor de absolute macht van de keizer, maar hadden echter zelf het bestuur in handen. Het kwam er dan ook op aan deze te behouden, des te meer omdat er zich een sterke oppositie begon te vormen onder de bevolking. De Genrō (元老) deed vervolgens enkele toegevingen om de indruk te wekken dat er een minder dwingende samenleving tot stand was gekomen. Lokale verenigingen werden toegelaten en leiders van de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten kregen een plaats in de regering. De grootste toegevingen waren echter de belofte tot een grondwet en een parlement.
  • Nadien begonnen de Meiji-oligarchen hun voorzorgen te nemen om de mogelijke gevaren, die hun gezag zouden kunnen ondermijnen, te minimaliseren. Dit kreeg gestalte in de Meiji-grondwet, haar bijkomende wetten en andere legale middelen die ervoor zouden zorgen dat de politieke tendensen van die tijd niet verstoord zouden worden. Zo werd de bevolking in de grondwet bijvoorbeeld omschreven als onderdanen (shinmin 臣民) en hadden bijgevolg geen soevereiniteit.
  • Nadat de grondwet een feit was geworden, begonnen de nóg sterker geworden Genrō (元老) hun macht nog maar eens op te drijven. Ze manipuleerden reeds bestaande instituties als de keizer en de Geheime Raad. Ondertussen ontstonden er binnen de politieke partijen verschillende facties en slaagde men er maar niet in om de verschillende meningen tot één coherent beleid te vormen. Ook hiervan maakte de Genrō handig gebruik en de politieke partijen moesten het stellen met de weinige administratieve macht die hen werd toegewezen.

Het is belangrijk om weten dat de parlementaire regering niet was opgedrongen aan de Genrō, integendeel, het juist door hen was gegeven. De oligarchen wisten maar al te goed dat deze nieuwe tijd gebaseerd was op het principe van ‘inspraak’. De Meiji-constitutie staat voor de pogingen van de oligarchen om het ‘Grote Experiment’, dat democratie was, legaal en rationeel te besturen.

Geleidelijk verlies van de macht

De Genrō gingen de periode van een grondwettelijke regering met gemengde gevoelens tegemoet. Ze waren langs de ene kant wat onzeker en ongelukkig met de vooruitzichten van politieke deelname in regeringsbesluiten. Langs de andere kant waren ze er zeker van dat de voorzorgen die ze genomen hadden de mogelijke neveneffecten van de verschillende toegevingen zouden neutraliseren. In haar verwachtingen van het welslagen van het parlementaire experiment had de Genrō het echter bij het verkeerde eind:

  • Ten eerste was het parlement, waarbinnen de verschillende politieke partijen werkten, niet volledig onderworpen aan de ‘goodwill’ van de oligarchie, met haar bijna absoluut gezag. Het parlement was vanaf haar ontstaan namelijk niet zo 'politiek gehandicapt’ als de Genrō gehoopt had. De partijleden hadden reeds politieke ervaringen opgedaan in allerhande lokale verenigingen. Bovendien konden ze rekenen op de steun die ze geleidelijk aan hadden opgebouwd.
  • Een volgende reden voor het welslagen van de grondwettelijke regering was er een van nationale trots: Japan was namelijk het eerste, niet-westers land met een grondwet. Een andere was er dan weer een van nationaal belang: de Genrō beseften namelijk dat Japan tot een moderne staat moest ontwikkelen opdat de ongelijke verdragen zouden worden opgeheven. Een grondwettelijke regering was dan ook één van de voorwaarden waaraan voldaan moest zijn om een natie te worden die op gelijke voet met het westen zou kunnen staan.
  • Ten derde waren er interne moeilijkheden. Waren de politieke partijen geplaagd door factionalisme, jaloezie en onenigheid, dan gold dit ook voor de Genrō. Itō Hirobumi zocht bijvoorbeeld steun voor het regeringsbeleid door toenadering te zoeken bij politieke partijen. In 1900 stichtte hij de Vereniging voor Politieke Vrienden (Rikken seiyūkai, 立憲政友会). Niet iedereen was hiermee akkoord. Zo ontstonden er bijvoorbeeld spanning met Yamagata Aritomo, die het helemaal niet begrepen had op politieke partijen.

Ondertussen was er een nieuwe generatie opgestaan van generaals, admiraals, bureaucraten, intellectuelen, … die stilaan aan de macht kwam. De dood van Saionji Kinmochi in 1940 luidde officieel het einde in van de Genrō.

Bronnen

  • Akita, George. Foundations of Constitional Government in Modern Japan, 1868-1900. Cambridge: Harvard University Press, 1967.
  • Benson, John en Matsumura, Takao. Japan 1868-1945 : From Isolation to Occupation. Essex: Pearson Education Limited, 2001.
  • Dickinson, Frederick R. War and National Reinvention: Japan in the Great War, 1914-1919. Cambridge: Harvard University Asia Center, 1999.
  • Reischauer, Edwin O. Japan: Past and Present. London: Alfred A. Knopf, Inc., 1964.
  • Vande Walle, Willy en Coppens, Hans. Geschiedenis van het Moderne Japan. Cursus gedoceerd in het kader van het vak ‘Geschiedenis van het Moderne Japan’, Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Letteren, Departement Oosterse en Slavische Studies, Afdeling Japanologie, 2003.
  • Vanoverbeke, Dimitri en Adriaensens, Edward. Op zoek naar het nieuwe Japan: de Japanse politiek na 1945. Roeselare: Globe, 2004.