De opbouw van het nieuwe Japan
Uit GeschiedenisJapan
Na de capitualtie bezetten de geallieerden Japan. Verregaande hervormingen op politiek, sociaal en economisch vlak moesten ervoor zorgen dat een vrije en democratische staat zou ontstaan. De eigenlijke overgangsperiode na de capitulatie was van korte duur, want al snel werd Japan een pion in het politieke schaakspel van de Koude Oorlog. Japan kreeg een belangrijke rol toebedeeld in het Amerikaanse plan om het land als een bolwerk tegen het communisme uit te bouwen. In 1950 was Japan economische alweer op de been. Een beperkte 'oorlogsindustrie' werd heropgestart om de Amerikanen in Korea te bevoorraden. Er kwam voor het eerst weer een onderdrukking van extreem links. Op de conferentie van San Francisco in 1951 sloot Japan officieel vrede met de geallieerde landen en herwon het zijn onafhankelijkheid, al bleef het onder de 'atoomparaplu' van de Verenigde Staten. In de arena van de binnenlandse politiek stellen we vast dat het zelfvertrouwen groeit en duiken de ideologische tegenstellingen tussen links en rechts weer op. Japan groeide uit tot een economische reus, maar bleef op het politieke en militaire vlak een dwerg. Dit had zijn voordelen, maar het bracht ook grote diplomatieke en geopolitieke complicaties mee. Zowel de Verenigde Staten als velen in Japan en Europa zijn die anomalie steeds luider in vraag gaan stellen, maar tussen droom en werkelijkheid bleven tot dusver wetten en praktische bezwaren bestaan.
Inhoud
|
Onder Amerikaanse bezetting
Voor Japan was de nederlaag en de allereerste bezetting in de lange geschiedenis van het Keizerrijk uiteraard een traumatische ervaring. Nu kwam pas ten volle aan het licht hoe roekloos het land zich in een heilloos avontuur gestort had. Het land zat economisch totaal aan de grond, economische stabiliteit werd logischerwijs de eerste prioriteit. Hiervoor was Japan geheel overgeleverd aan de V.S. die de voedselbevoorrading verzekerde, maar tevens een sterk gecontroleerd financieel beleid voerden. De galopperende inflatie van de eerste naoorlogse jaren was tegen 1951 onder controle gebracht. Een nieuwe grondwet legde de basis voor grondige politieke hervormingen. Op het regionaal niveau liepen de hervormingen wat stroever. Sommigen konden zich moeilijk bij de nederlaag neerleggen, voor andere waren de hervormingen niet radicaal en diepgaand genoeg.
Organisatie en fundamentele oriëntatie van het bezettingsbeleid
Doelstellingen
Theoretisch was de bezetting de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de geallieerden. Zij lieten er geen twijfel over bestaan dat de basisprincipes van het beleid demilitarisering en democratisering zouden zijn. In september 1945 werd een programma opgesteld met de maatregelen die onmiddelijk na de capitulatie genomen dienden te worden. De Verklaring van Potsdam bevatte de volgende voorwaarden:
- ontmanteling van de politieke en militaire macht van de legerleiding;
- militaire bezetting van Japan;
- beperking van de nationale soevereiniteit en inperking van het grondgebied;
- materiële afbouw van het leger;
- berechting van oorlogsmisdadigers en aanmoediging van democratische tendensen;
- omschakeling van de industrie op vreedzame productie;
- de bezetting mocht pas opgeheven worden nadat een democratische regering stevig ingebed zou zijn.
Organisatie van de bezetting
Het merendeel van het bezettingsleger bestond uit Amerikanen, aangevuld met een klein aantal Australiërs. De facto begon de bezetting in augustus 1945 en in oktober werd officieel het General Head Quarters (GH Q, Rengōkokugun sōshireibu 連合国軍総司令部), het hoofdkwartier van de Supreme Commander for the Allied Powers (SCAP ) (Rengōkokugun saikōshireikan 連合国軍最高司令官) in Tōkyō geïnstalleerd onder bevel van generaal Douglas MacArthur (1880-1964). Daarnaast werden er twee internationale organen gesticht om op de uitvoering van de bezetting toe te zien. De oprichting van beide lichamen werd op 27 december 1945 in Moskou bekendgemaakt. Het hoogste van de twee werd in Washington gevestigd en bestond uit vertegenwoordigers van alle landen die tegen Japan gestreden hadden: de Far Eastern Commission (Kyokutō Iinkai 極東委員会). Zij moest toezien op een in het begin van 1946 opgerichte en uit vier landen (Verenigde Staten, Sovjet-Unie, Groot-Brittannië, China) bestaande Allied Council for Japan (Tai-Nichi Rijikai 対日理事会), die in Tōkyō zetelde. In de praktijk kreeg SCAP zijn bevelen van de Amerikaanse regering en liet zich maar weinig aan die twee organen gelegen liggen. Het woord SCAP ging al snel zowel de persoon van MacArthur als zijn hoofdzakelijk uit Amerikanen bestaande administratie betekenen. De Verenigde Staten waren de belangrijkste overwinnaar en de enige atoommacht. Het was MacArthur die vanuit het GH Q de bezetting dirigeerde, en de bevelen en richtlijnen aan de Japanse administratie opstelde en verstuurde. Hij werd door de Japanners dan ook shōgun genoemd. De Amerikanen organiseerden de bezetting als een grootse show. De Sovjets voelden er niets voor om troepen onder Amerikaans bevel te plaatsen en Chiang Kai-shek had het te druk met zijn strijd tegen de communisten. De Far Eastern Commission en de Allied Council for Japan waren weinig meer dan windowdressing om de bezetting toch een internationale aura te geven. De Allied Council for Japan evolueerde tot een forum waar Russen en Amerikanen hun ideologische ruzies uitvochten, en door het vetorecht (van de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie, Groot-Brittannië en China) in de Far Eastern Commission was ook dit beleidsorgaan machteloos. MacArthur had trouwens een hekel aan de inmenging van deze geallieerde organen. Zij werden opgeheven toen op 28 april 1952 het Vredesverdrag van San Francisco van kracht werd. Omdat de Amerikanen zich ervan bewust waren dat ze het bestuur van Japan niet helemaal in eigen handen konden nemen – alleen al door het enorme taalprobleem was dit onmogelijk – besloten ze de uitvoering van het beleid aan de Japanners over te laten. Aanvankelijk ontscheepte er een ware vloedgolf van Amerikaanse en Australische troepen, om duidelijk te maken dat elke vorm van verzet nutteloos was. Tegelijkertijd werd in Tōkyō een enorm bureaucratisch apparaat opgezet om de Japanse administratie te controleren. Ook in de regio’s werden kleine teams gevestigd om de resultaten van de hervormingen op te volgen. In het begin bestond het hele apparaat uit militairen, maar na verloop van tijd werden vele burgers aangeworven, al bleef het geheel tot het einde op militaire leest geschoeid. Hoewel de Amerikanen goede redenen hadden om de Japanse administratie te gebruiken, en hoe ‘oprecht’ de Japanse medewerking ook was, toch had deze werkwijze de facto gewichtige gevolgen voor de reikwijdte van de voorgestelde hervormingen. Vanzelfsprekend creëerde men zo een enorme contradictie: een belangrijk deel van de Japanse elite kreeg als opdracht zowel het land als de eigen klasse te zuiveren en te democratiseren. Zowel de opdracht als het vertrouwen dat in de uitvoering gesteld werd, zouden misplaatst blijken. Reeds tijdens de planning vóór de overgave hadden bepaalde beleidsmakers in Washington ervoor gepleit geen al te ver reikende hervormingen door te voeren in Japan. Het waren leden van de zogenoemde ‘Japan crowd’, die aangevoerd werd door Joseph Grew, de voormalige ambassadeur in Japan. Zij pleitten ervoor om de hervormingen beperkt te houden. In Tōkyō waren bepaalde medewerkers van MacArthur dezelfde mening toegedaan, in het bijzonder generaal Charles Willoughby, die MacArthur niet zonder gevoel voor humor ’my pet fascist’ noemde. In hun visie was de oorlog een misstap geweest waarin enkele militaristen het staatsapparaat gekaapt hadden. Het zou daarom volstaan om het leger te ontmantelen en een reeks fundamentele wetten uit te vaardigen om politieke democratie te vestigen. Diepergaande hervormingen riskeerden af te drijven in de richting van een gevaarlijke volksdemocratie. Om dat te vermijden waren zij ervoor om de macht terug te geven aan de ‘verantwoordelijke elementen’ van de vooroorlogse elite, mensen uit de zakenwereld en prowesterse veteranen uit het ministerie van Buitenlandse Zaken zoals Yoshida Shigeru en Shidehara Kijūrō. De keizer kon daarbij dienen als anker van stabiliteit. In het begin van 1947 begon men deze benadering te vertalen in concrete beleidslijnen. Deze omslag wordt in het Engels de ’reverse course’ genoemd. Tegen het einde van de jaren ‘40 vonden de Amerikanen het belangrijker om van Japan een betrouwbare bondgenoot te maken tegen het Chinese en Russische communisme dan een echt democratisch land. Democratiseringsplannen werden afgezwakt, rechtse elementen uit de politieke partijen en figuren die in de oorlog belangrijke functies hadden bekleed, kregen een kans op rehabilitatie, terwijl de voorstanders van echte democratie en communisten het zwijgen werd opgelegd. In dat licht moeten we ook het verbod van MacArthur op een algemene vakbondsstaking op 1 februari 1947 zien. In 1948 schroefden de Amerikanen hun plannen terug om de voormalige dochterbedrijven van de zaibatsu te ontmantelen en in 1949 zagen ze af van elke eis tot schadevergoeding. In 1948 moedigde SCAP de Japanse regering aan om de nieuwe naoorlogse arbeidswetgeving te herzien en in het bijzonder staking door overheidsambtenaren te verbieden en de beschermende arbeidsstandaarden terug te schroeven. Al van in het begin van 1947 moedigden zij de Japanners aan om een nationale politie op te richten en naderhand zouden ze ook herbewapening bepleiten. In juni 1950 bereikte de Koude Oorlog een nieuw stadium van intensiteit toen Noord-Koreaanse troepen de 38e breedtegraad overstaken. Enkele dagen later mengden de Verenigde Staten zich in het Koreaanse conflict. Rond diezelfde tijd gaf GH Q de opdracht aan de Japanse regering om leden van de Communistische Partij uit posities in de publieke sector weg te zuiveren. Dit was het begin van de ‘Rode Zuiveringen’ die aan ongeveer 13.000 personen, verdacht van lidmaatschap van de Communistische Partij of communistische sympathieën, hun baan in de publieke of privésector kostten. De opgegeven reden hiervoor was dat hun politieke activiteiten strijdig waren met de democratisering, een van de doelstellingen van de bezetting. Dezelfde argumentatie had ook gediend om de oorlogsleiders in 1945-46 weg te zuiveren. In een ironische bocht van 180 graden werd een aantal mannen die tijdens de oorlog ‘fout’ geweest waren nu gerehabiliteerd. Sommigen onder hen vonden hun weg naar prominente posities in de politieke wereld. Een aantal historici, vooral Amerikaanse, betwisten dat de maatregel een bocht van 180 graden was, en stellen dat hij gewoon in de lijn van de bezettingspolitiek lag. Vooral Japanse historici, vaak van marxistische inspiratie, zien er een cynische uiting in van een politiek die in de eerste plaats het Amerikaanse imperialisme diende. Hoe dan ook, het is beslist niet toevallig dat in hetzelfde jaar 1950 de republikeinse senator Joseph McCarthy in de Verenigde Staten zelf zijn beruchte heksenjacht op communisten lanceerde.
Ontmanteling van oude instellingen
De vijf grote hervormingslijnen
Onmiddellijk na de oorlog, tot ongeveer 1947-48, koesterde de bezetter wel degelijk de hoop Japan diepgaand te democratiseren, er als het ware een experiment in democratie van te maken. De vloed van plannen en richtlijnen die het GH Q naar de Japanse overheid stuurde, bewijst dat. Ook de invloed van de Amerikanen op de nieuwe wetgeving en vooral op de nieuwe grondwet wijst in die richting. In oktober 1945 trad het capitulatiekabinet-Higashikuni af en werd een nieuwe regering gevormd onder Shidehara Kijūrō, de carrièrediplomaat die voor de oorlog tweemaal minister van Buitenlandse Zaken geweest was en als gematigd en pro-Amerikaans bekend stond. Hij moest de richtlijnen van GH Q in daden omzetten. De vijf voornaamste waren: erkenning van de positie van de vrouw door h −− aar stemrecht toe te kennen; −− de oprichting van vakbonden aanmoedigen; −− democratisering van het onderwijs: −− afschaffing van alle repressieve instellingen en gebruiken; −− democratisering van het industrieel-economische complex. Spijts de vele kritiek kan men niet ontkennen dat het sociaaleconomische leven in Japan hierdoor een evolutie ten goede onderging, ook en met name voor de individuele burger.
Ontmanteling van het Japanse imperium
Op 1 januari 1946 proclameerde keizer Hirohito, middelpunt van de ultranationalistische en totalitaire ideologie, dat hij geen goddelijk wezen was maar een mens. Een belangrijk deel van de hoge adel werd, samen met de vele privileges, door hem afgeschaft. Deze verklaring en de voorbeeldige samenwerking met generaal MacArthur hebben waarschijnlijk hemzelf en het keizerlijk huis als instelling gered. De Amerikanen besloten hem omwille van zijn moreel gezag te behouden als boegbeeld van de Japanse natie. Japan verloor alle territoria die het sinds 1868 gewonnen had. Korea werd onafhankelijk, Taiwan werd aan China overgedragen, de Koerilen en Sachalin kwamen onder Russische bezetting. Een groot deel van de kleine archipels kwam onder Amerikaans bestuur, terwijl ook Okinawa door de in 1945 opgerichte Verenigde Naties als protectoraat aan Amerika werd toegewezen. Het Japanse leger en de marine werden op 30 november 1945 ontbonden en alle exmilitairen werden uit het buitenland gerepatrieerd. 3,7 miljoen soldaten en 3,2 miljoen burgers bevonden zich overzee op het moment van de overgave. Oorlogsleiders en oorlogsmisdagers werden gearresteerd en moesten terechtstaan. Ze werden ingedeeld in categorieën. Categorie A omvatte de voornaamste verantwoordelijken die berecht werden door het Kyokutō Kokusai Gunji Saibansho 極東国際軍事裁判所, het Internationaal Militair Tribunaal voor het Verre Oosten. Dit tribunaal was gehuisvest in Tōkyō en de rechtsgang aldaar werd bijgevolg ook het Proces van Tōkyō genoemd. Rechters uit de elf landen die Japan bestreden hadden, stonden onder het voorzitterschap van de Australiër William Webb. Als openbaar aanklager trad de Amerikaan Joseph Keenan op. De hoorzittingen begonnen in mei 1946 en de vonnissen werden in november 1948 uitgesproken. Van de 28 beschuldigden werden er 25 schuldig bevonden en zeven ervan werden tot de strop veroordeeld, namelijk Tōjō Hideki (oorlogspremier), Doihara Kenji 土肥原賢二 (generaal, luchtmachtcommandant), Hirota Kōki (minister van Buitenlandse Zaken en volksmenner die de bevolking opriep om de totale oorlog vol te houden), Itagaki Seishirō 板垣征四郎 (generaal, aanvoerder van de expeditielegers in China en Singapore), Matsui Iwane 松井石根 (verantwoordelijk voor de slachting in Nanjīng), Kimura Heitarō 木村兵太郎 (vicepremier onder Tōjō) en Mutō Akira 武藤章 (generaal in Sumatra en de Filippijnen). In december 1948 werden de vonnissen voltrokken. In totaal werden zo’n zesduizend militairen berecht en ongeveer 940 geëxecuteerd. Alle bestuurlijke instellingen die banden met leger of politie hadden, werden opgeheven, onder meer de ideologische politie (de zogenaamde ‘thought police’) en de Geheime Raad, die als een fascistisch bestuursorgaan werd omschreven. Ook fascistische organisaties werden ontmanteld, zoals de Taisei Yokusan-kai, na de oorlog snel omgedoopt tot Dai-Nihon Seijikai 大日本政治会. De oorlogswetgeving en een reeks repressieve wetten, zoals de wet inzake de openbare orde, werden nietig verklaard. Er vonden grootscheepse zuiveringen plaats in de wereld van de politiek en de zakenwereld, onder de bestuurders en bij de administratie. Tussen 1945 en 1948 werden meer dan 200.000 personen weggezuiverd. Adellijke rangen en voorrechten werden opgeheven. Shintō-heiligdommen verloren hun officiële status en konden niet langer op staatssubsidies rekenen. In het onderwijs werden het respectvol hardop lezen van keizerlijke edicten, het vak moraal en de vakken aardrijkskunde en geschiedenis geschrapt. Later werd maatschappijleer ingevoerd als een combinatie van geschiedenis en aardrijkskunde. Tegenwoordig zijn beide vakken weer gesplitst.
Democratisering van maatschappij en instellingen
Hervorming van het kiesstelsel
De politieke partijen die in de oorlogsjaren waren opgeheven, werden opnieuw actief in 1945. De conservatieve partijen bleken de grootste veerkracht te hebben. Zij hadden steun in de administratie, politieke ervaring en een goed netwerk. De meeste linkse activisten daarentegen waren gevangen of geliquideerd, en dus was het voor linkse partijen moeilijker herop te staan. Mannen en vrouwen kregen gelijke rechten, te beginnen met het stemrecht. De kiesgerechtigde leeftijd werd op twintig jaar gebracht. Ook werd de kieswetgeving zodanig herzien dat zowel mannen als vrouwen zich op 25-jarige leeftijd kandidaat mochten stellen, dankzij de hervormde wet op de verkiezingen (Kaisei Senkyo Hō 改正選挙法). Op basis van deze hervormingen werden in april 1946 de eerste naoorlogse algemene verkiezingen gehouden. In die stembusgang wonnen zes communisten en 39 vrouwen een zetel in de Diet. Ook op regionaal niveau werden de belangrijkste bestuurlijke en politieke functies gezuiverd. De posities van provinciegouverneur en leden van onderwijscomités werden afhankelijk gemaakt van verkiezingen, wat democratisering op de lagere niveaus ook een reële kans gaf.
Onderwijshervormingen
Het ultranationalistische en militaristisch geïnspireerde onderwijssysteem werd grondig herzien. De Amerikaanse instellingen dienden als voorbeeld. Al in 1946 bezocht een Amerikaanse delegatie van specialisten Japan en adviseerde zij de Japanse overheid het Amerikaanse systeem van zes jaar verplicht lager en drie jaar verplicht middelbaar onderwijs in te voeren. Deze idee werd overgenomen in de in maart 1947 uitgevaardigde fundamentele wet op het onderwijs (Kyōiku Kihon Hō 教育基本法) en de fundamentele wet op de scholen (Gakkō Kihon Hō 学校基本法). In april van dat jaar werd een onderwijsplan ingevoerd van gemengd onderwijs volgens een kalender van vier cycli van resp. zes, drie, drie en vier leerjaren. Het vak ‘maatschappijleer’ verscheen in het studieprogramma. Ook de onderwijsadministratie werd grondig hervormd. Op prefecturaal en stedelijk niveau werden de onderwijscomités (kyōiku iinkai 教育委員会) opgericht, waarvan de raadsleden verkozen moesten worden door het volk. Dit werkt een grotere decentralisering in de hand en verminderde de invloed van het ministerie van Onderwijs. Na de opheffing van de bezetting werd de wet op het onderwijs herzien, en vanaf 1957 werden de onderwijsraden weer door de centrale administratie benoemd in plaats van verkozen. De typisch Amerikaanse gedecentraliseerde visie op onderwijs,lokale autonomie en politie, vond geen vruchtbare bodem in Japan. De vooroorlogse tendens tot uitgesproken centralisatie werkte verder door, en viel uiteindelijk, na het vertrek van de bezettingsmacht, weer in zijn oude plooi.
Ontmanteling van de zaibatsu
Omdat in de ogen van de Amerikanen de zaibatsu grote verantwoordelijkheid gedragen hadden in de vooroorlogse expansie en oorlog, wilde het GH Q deze monopolies ontbinden. Alle aandelen en titels van Mitsui, Mitsubishi, Sumitomo en Yasuda, alsook de titels die deze vier houdstermaatschappijen in andere bedrijven hadden, werden openbaar gemaakt. Vervolgens werd het aan de Japanse overheid overgelaten om al de titels van 83 overheidsholdings en 56 aan de zaibatsu geaffilieerde bedrijven van de hand te doen. De ontmanteling werd om diverse redenen niet grondig uitgevoerd, maar één ervan was het anticiperende optreden van de Japanse zaibatsu zelf. Yasuda kwam met een voorstel tot zelfopheffing op de proppen, waardoor het een verregaande uitverkoop kon voorkomen. De top van de piramide verdween, maar de onderliggende niveaus werden gespaard. Het plan werd door MacArthur aanvaard, maar werd doorde Japanse overheid slechts stapsgewijs uitgevoerd, samen met een zuivering van het leidende personeel. Formeel verdwenen de allergrootste conglomeraten, maar de magnatenfamilieswerden door anonieme beheerraden vervangen en structureel was er zo weinig veranderd dat in 1947 al een wetgeving moest ingevoerd worden om het opnieuw ontstaan van monopolies te beletten: de wet op het verbod van monopolies (Dokusen Kinshi Hō 独占禁止法). In feite bestendigde deze wet het status-quo. In 1947 was de grondige hervorming van de Japanse economie nog verre van gerealiseerd. De voornaamste reden was dat de zuivering van de kaders op zich liet wachten. Bovendien werden de zaken steeds gecompliceerder. Amerika begon over te hellen naar de overtuiging dat de Japanse economie niet mocht worden verzwakt. Hierin speelde de verkoeling van de relaties tussen de Verenigde Staten en de Sovjet- Unie uiteraard een grote rol, maar er was ook druk van Amerikaanse beleggers die in de zaibatsu geinvesteerd hadden. Ten slotte werd ook nauwelijks geraakt aan de banken die een spilrol vervulden in de zaibatsu.
Landhervormingen
Wegens de politieke winst van de conservatieven konden hier wel belangrijke hervormingen gerealiseerd worden. Japan kende tot na de oorlog vele parasiterende grootgrondbezitters die zelf hun gronden niet bebouwden. Daartegenover stond een grote massa kleine boeren en pachters, die voor het gebruik van de grond pacht verschuldigd waren in natura, in de vorm van karweien of in klinkende munt. De Amerikanen waren ervan overtuigd dat de afhankelijkheid van die kleine landbouwers, en vooral van diegenen die te weinig grond bezaten om over een stabiel inkomen te beschikken, een hoeksteen was van de voortwoekerende ‘feodaliteit’ op het platteland. Het GH Q baseerde zijn hervormingsplannen bijgevolg op twee pijlers: −−bescherming van de kleine pachters; −− onteigening van alle gronden die niet door de eigenaars werden bewerkt. In december 1945 begon de Diet met het voorzichtig doorvoeren van enkele wijzigingen. Landeigenaars mochten vijf hectaren grond onvoorwaardelijk houden en 40 procent van alle gepachte gronden zou, over vijf jaar gespreid, eigendom van de pachters moeten worden. Dit ging niet ver genoeg voor de Amerikanen. Zij drongen aan op verdergaande ingrepen. Die gingen in februari 1946 van start. De volgende krijtlijnen werden uitgezet: −− de eigenaars mochten slechts een deel van hun gronden verpachten, en afwezige eigenaars werden onteigend; −− pacht mocht voortaan alleen in baar geld betaald worden en er werd een limiet aangegeven, waarboven men niet mocht gaan. De concrete uitvoering had echter heel wat voeten in de aarde. Er was een tekort aan controleurs en een gebrek aan coördinatie, er ontstonden controversen over wat precies als landbouwgrond moest beschouwd worden, of over de vraag of er geen verworven rechten konden gelden, ... Eigenaars probeerden de pacht op te zeggen om zelf de gronden te bewerken. Anderen wilden hun pachters dwingen om gronden te kopen. Lokale toepassingen van de wet moesten uiteraard door lokale comités worden bepaald en de interpretatie wilde wel eens verschillen, afhankelijk van de samenstelling van die comités. Omdat de Allied Council for Japan landbouwhervormingen heel belangrijk bleef vinden, werd op 21 oktober 1946 een nieuwe wet uitgevaardigd onder de naam ‘wet op de speciale maatregelen voor de instelling van de kleine landeigendom’ (Jisakunō Sōsetsu Tokubetsu Sochi Hō 自作農創設特別措置法). De maatregelen waren precies en concreet geformuleerd: Landeigenaars die in de landbouwgemeenschap zelf −− leefden en werkten mochten slechts 1 hectare (chō 町) als pachtland bezitten, de rest kocht de staat op en deze werd aan de pachters doorverkocht (in Hokkaidō was de norm 4 hectaren). −− Pachtrente mocht niet meer dan 25 procent van de opbrengst bedragen en moest in geld worden betaald. −− Om de toepassing van de herverdeling eerlijk te doen verlopen, werd de samenstelling van het Comité voor Landbouwgrond (nōchi iinkai 農地委員会) gereglementeerd: vijf pachters, drie landeigenaars, twee zelfstandige boeren. Naargelang de houding van de zelfstandige boeren slaagde de herverdeling op de ene plaats al beter dan op de andere. Het gevolg was dat op ongeveer vier jaar tijd 80 procent van de verpachte gronden eigendom van de pachters werd. In feite werd het aantal pachters zo gering dat de klasse als dusdanig verdween. In maart 1949 waren deze maatregelen volledig uitgevoerd en op 21 oktober 1952 eindigde de uitwerking van de wet. Het was een goede wet, met een diepgaand en duurzaam effect op de socio-economische realiteit in Japan. Het succes ervan is toe te schrijven aan de aanwezigheid van een tendens die al voor de nederlaag onderhuids werkzaam was. In de Engelstalige literatuur wordt het doorwerken van vooroorlogse latente krachten tot diep in de periode van de bezetting gekarakteriseerd als een ‘transwar’ transformatie. De landhervorming is daar een goed voorbeeld van. Grote landeigenaars, die in vele gevallen zelf in de stad woonden, zagen vanaf de jaren 1920 hun status en positie onder toenemende druk staan. Pachters organiseerden zich om betere pachtvoorwaarden af te dwingen. Ambtenaren van het ministerie van Landbouw traden vaak op als bemiddelaar in geschillen, en hoewel het resultaat nooit een radicale verbetering van de situatie van de pachters inhield, was het cumulatieve effect door de jaren heen toch een erosie van de rechten van de eigenaars. Om de productie te stimuleren maakte de overheid tijdens de oorlog gebruik van een programma van gesubsidieerde aankoop van rijst, hetgeen de pachters ook weer minder van de eigenaars afhankelijk maakte. Wanneer SCAP de landhervorming doorvoerde gaf ze eigenlijk een gestructureerde vorm aan krachten die al voor de oorlog diffuus en latent werkzaam waren. Het ‘transwar’-karakter van deze maatregelen verklaart het succes en de duurzaamheid van hun effect. Toch verdwenen de zogenaamde ‘feodale’ relaties niet helemaal. Vele boeren slaagden er niet in voldoende grond bijeen te kopen om in hun eigen levensonderhoud te voorzien en moesten in loondienst gaan werken bij de vroegere eigenaars. Nogal wat gewone grond, die niet onder de herverdeling viel, werd nu pas in cultuur gebracht. Vooral in afgelegen gebieden waren de boeren nog steeds aangewezen op de toestemming van de landeigenaar, bijvoorbeeld voor het rapen van sprokkelhout in diens bossen. Toch betekende het resultaat van de hervormingen globaal genomen een geweldige revolutie op het platteland.
Ontvoogding van de arbeiders
De Amerikanen eisten dat vakbonden opgericht zouden worden en garanties gegeven zouden worden over de bestaanszekerheid van de arbeiders. In 1945 werd het verenigingsrecht van de arbeiders erkend. Op last van het GH Q vaardigde de Japanse overheid drie wetten uit: −− De wet op de vakvereniging (Rōdō Kumiai Hō 労働組合法), uitgevaardigd in december 1945, die het recht op vereniging en collectieve arbeidsonderhandelingen garandeerde. −− De wet op de bemiddeling in arbeidsgeschillen (Rōdō-kankei Chōsei Hō 労働関係 調整法), uitgevaardigd in september 1946, die mechanismen voor het regelen van arbeidsdisputen, bijvoorbeeld in comités, regelde. −− De wet op de arbeidsstandaarden (Rōdō kijun Hō 労働基準法), uitgevaardigd in april 1947, die het recht op arbeid en bestaanszekerheid verzekerde. In weerwil van het geringe enthousiasme van de Japanners (wat onder meer blijkt uit de data van de wetten) zorgde de steun van de Amerikanen voor een uitbarsting van vakbondsactiviteit tijdens de eerste maanden van de bezetting. Gevangen leiders kwamen vrij, bonden werden opgericht en er werd gretig gebruikgemaakt van de verworven vrijheden: stakingen, betogingen, langzaamaanacties, productiecontroles, ... Tegen het einde van 1946 waren er bijna vijf miljoen vakbondsleden. Tegen 1949 waren meer dan 56 percent van de loonarbeiders lid van een vakbond. Werkgevers zagen zich genoopt om de eisen van de vakbonden in te willigen: loonopslag, oprichting van ondernemingsraden,en het intrekken van plannen om arbeiders te ontslaan. In 1947-48 begonnen de Amerikanen zelf te vinden dat sommige van de activiteiten te sterk communistisch gekleurd werden, en zij namen gas terug. Zij verplaatsten hun prioriteit van democratisering naar economisch herstel. De werkgevers grepen deze trendbreuk aan om het initiatief weer naar zich toe te halen en overeenkomsten te sluiten met meer inschikkelijke vakbondsleiders, die voorrang gaven aan harmonie boven conflict.
Een nieuwe grondwet voor Japan
In oktober 1945 werd de Meiji-grondwet door het GH Q onwettig verklaard. Het kabinet Shidehara kreeg opdracht een nieuwe grondwet te ontwerpen in samenwerking met een comité van ambtenaren van de SCAP -administratie. In januari 1946 was het ontwerp klaar en werden voorstellen van politieke partijen en andere burgerlijke verenigingen genoteerd. Toen deze voorstellen al te conservatief bleken, legde het GH Q de zogenaamde ‘MacArthur Note’ voor met drie centrale verplichtingen: −− De keizer mocht geen enkele bevoegdheid hebben. Het in stand houden van een leger en het gebruik van oorlog −− om de wil van de staat op te leggen waren taboe. −− Japan moest grondig worden gedemocratiseerd; bijgevolg dienden alle ‘feodale’ rechten en plichten van individuele burgers afgeschaft te worden. Op 4 februari gelastte MacArthur de Government Section van SCAP om in allerijl zelf een eigen ontwerp van een grondwet te redigeren. Hij deed dit om te vermijden dat de Allied Council for Japan zich ermee zou bemoeien, en dat de zaak op de lange baan geschoven zou worden. Niemand van de stafleden van SCAP had echter enige ervaring met het opstellen van grondwettelijke teksten. Een van de stafleden, de enige vrouw overigens, Beate Sirota Gordon, trok de stad in op zoek naar exemplaren van nationale grondwetten. Ze vond er tien en daarmee ging de staf aan de slag. In zeven dagen tijd slaagden ze erin een tekst gereed te maken. Met geringe wijzigingen werd het voorstel in de lente van 1946 door de Diet goedgekeurd en in november 1946 uitgevaardigd. De nieuwe grondwet werd op 3 mei 1947 van kracht en er is sindsdien nog geen jota aan gewijzigd. Niet alleen inhoudelijk maar ook in het taalgebruik blijkt de belangrijke invloed van de Amerikaanse bezetter in de nieuwe grondwet. De belangrijkste hervormingen waren: −− De soevereiniteit ligt bij het volk. −− Japan ziet voor altijd af van oorlog als middel om internationale geschillen op te lossen. −− De keizer wordt volgens de algemene wil van het volk het symbool van de staat en van de eenheid van het volk, maar heeft geen bevoegdheden. −− De Diet (parlement) is de hoogste instantie waarin de soevereiniteit van het volk tot uiting komt. −− Het Hogerhuis wordt voortaan op basis van algemene verkiezingen samengesteld. −− De eerste minister wordt door het parlement aangesteld. De keizer bekrachtigt zijn aanstelling. −− Fundamentele burgerrechten, zoals vrijheid van meningsuiting, van vergaderen en godsdienst, moeten geëerbiedigd worden. −− De gelijkheid van man en vrouw wordt gewaarborgd en het gezin, in plaats van de clan, wordt als kern van de maatschappij beschermd. −− Aan het Japanse volk werden ook een aantal sociale rechten gegarandeerd: recht op opvoeding in overeenstemming met talent, op een menswaardig bestaan en op werk. −− De grondwet verbood discriminatie op grond van geslacht, ras, geloof, status of afkomst. Vrouwen kregen gelijkheid in huwelijk, scheiding, eigendom en erfenis. Ondanks zijn democratische inslag bestond en bestaat er nogal wat kritiek op de inhoud van de grondwet en op de manier waarop hij tot stand kwam. MacArthur stelde het voor alsof de keizer en de Japanse regering hem aan het Japanse volk schonken. Het werd toen al duidelijk dat de keizer niet vervolgd zou worden wegens oorlogsmisdaden, en zelfs niet tot aftreden gedwongen zou worden. Misleidend was de gewekte indruk dat de Japanse overheid een actieve rol in de totstandkoming van de grondwet gekregen had, wat helemaal niet het geval was. Vrijwel de volledige tekst werd in ‘vertaaljapans’ geschreven en als dusdanig opgedrongen aan de regeringsleiders onder het dreigement dat de Amerikanen hem anders rechtstreeks aan het volk zouden voorleggen. Ook voerden critici aan dat de Amerikanen in feite de geest van het Japanse autoritaire regime bestendigden door de grondwet te laten afkondigen als een geschenk van de keizer en de regeringsleiders aan het volk. Daardoor was Amerika voortaan gebonden aan de persoon van de ‘mensgeworden’ keizer. Het zogenaamde pacifistische artikel 9 (Japan ziet voor altijd af van oorlog als middel om internationale geschillen op te lossen) was en is het meest heikele punt in de nieuwe grondwet. Zodra Japan zijn soevereiniteit herwon, werd het ter discussie gesteld. De hedendaagse realiteit wijkt al behoorlijk af van de grondwettelijke theorie: Japan beschikt sinds de jaren 1950 over professionele strijdkrachten, die geen ‘leger’ maar ‘zelfverdedigingsmacht’ genoemd worden. Zij verschillen inderdaad van een klassiek leger in een aantal opzichten: hun beperkte grootte, de samenstelling van hun bewapening, en hun bewegingsvrijheid (of liever: het gebrek daaraan). In verhouding tot het land, zijn bevolking en zijn economische draagkracht is het aantal manschappen beperkt. Zij beschikken niet over offensieve wapensystemen en het jaarlijkse budget is aan een strikt kader gebonden. Zij mogen alleen het eigen territorium verdedigen en het is hun zelfs verboden om zich in collectieve defensie te engageren. In 2007 heeft het kabinet van Abe Shinzō het eindelijk voor elkaar gekregen dat de Diet het principe aanvaardde dat de grondwet voor herziening vatbaar moet gemaakt worden. Er is echter nog een lange weg te gaan voor hij ook daadwerkelijk herzien wordt. Er moet onder meer nog een referendum aan voorafgaan. Ondanks de kritiek heeft de pacifistische grondwet een groot draagvlak bij de Japanse bevolking en het is maar de vraag of de meerderheid zich in het referendum voor wijziging zal uitspreken. De ervaring met de atoombom heeft Japan er ook van weerhouden om een eigen atoombom te gaan ontwikkelen, hoewel het daartoe zeker de nodige financiële middelen en technologische knowhow bezit. De sociale en wettelijke gelijkheid van de vrouw in de grondwet was grotendeels te danken aan de inbreng van de hogervermelde Beate Sirota Gordon (geb. 1924). Tijdens de jaren dertig had zij als kind samen met haar ouders in Japan gewoond en zij sprak vlot Japans. In 1938 was zij in de Verenigde Staten gaan studeren. Zij was een van de weinige Kaukasische Amerikanen die in 1945 vlot Japans spraken en zij had geen moeite om een baan te vinden als tolk bij SCAP . Zij was de eerste Amerikaanse burger die Japan na de overgave binnenkwam. De naoorlogse praktijk bleef echter ver achter ten opzichte van de grondwettelijke rechten van de vrouw. De dominante positie van mannen in de familie en de samenleving bleef bestaan, maar de basis was gelegd voor een langzame emancipatie van de vrouw, die pas vanaf de jaren tachtig werkelijkheid zou worden.
Het nieuwe burgerlijk wetboek
Het traditionele clan-familiesysteem was patriarchaal. Het clanhoofd, familiehoofd of pater familias (koshu 戸主) had haast absolute zeggenschap in het bestuur van de clan of de meergeneratiefamilie en in alle beslissingen stond het welzijn en de status van de clan of de familie voorop. Als de pater familias stierf of zijn functie niet meer kon vervullen, nam de oudste zoon van het ‘hoofdhuis’ de rol van clanhoofd over. Oudere zonen en jongens in het algemeen hadden een bevoorrechte positie en vrouwen werd bijgebracht hoe zij zich dienden te schikken in hun ondergeschikte positie. Na de oorlog werd het hele systeem formeel en juridisch grondig herzien. Voortaan ging men uit van de gelijke rechten van man en vrouw (danjo dōken 男女同権), ook tussen echtelieden binnen het gezin. Dit had zijn weerslag op het erfenisrecht, dat voortaan naar westers model werd opgesteld (bijvoorbeeld bij overlijden van de man erfde eerst de echtgenote 50 procent, vervolgens de kinderen, ...) Huwelijken konden voortaan alleen plaatsvinden met wederzijdse instemming. Traditioneel en sociaal staat de familie nog steeds in hoger aanzien dan in het Westen, al is dit deels te verklaren door het feit dat de welzijnssector in Japan minder goed uitgebouwd is, en oudere en zwakkere familieleden dus meer op hun familie aangewezen zijn.
Hervormingen van het regionale bestuur
Om de wil van het volk op het lokale politieke niveau vorm te geven, werd de wet op de lokale autonomie (Chihō Jichi Hō 地方自治法) uitgevaardigd, die de bestuursfuncties van regionale autonome raden verkiesbaar maakte en ‘ontzettingsprocedures’ (rikōru-sei リコール制) in het leven riep. De politie werd gedecentraliseerd. Elke regio kreeg eigen verantwoordelijkheid voor een politiecorps, dat eventueel voor de coördinatie kon bijgestaan worden door de nationale politie. Het ging hier om een verregaande decentralisatie, die evenwel na de onafhankelijkheid van Japan door de conservatieven weer ongedaan werd gemaakt. Hoewel de vrees voor de herrijzenis van een vooroorlogs centraal politieapparaat met zijn repressieve imago ongegrond is gebleken, is de organisatie van het huidige Japanse politiecorps weer sterk centraal gecoördineerd.
De economische wederopbouw onder de Amerikaanse bezetting
Voedseltekorten en stagnerende voedselproductie
Vlak na de oorlog werd Japan getroffen door grote voedseltekorten, omwille van de oorlogsschade, de gebrekkige productie en vooral het stopzetten van de import. De gekoloniseerde gebieden weigerden nog iets te leveren aan Japan. In de stedelijke gebieden waren de problemen het grootst. De Japanse overheid dwong de landbouwers hun opgepotte voorraden te verkopen en riep daarnaast de hulp van het GH Q in. De ontevredenheid van het volk steeg en in mei 1946 braken er ernstige rellen uit, bekend onder de naam Kome yokose 米よこせ (’Geef ons rijst’), die de bedeling en de distributie in vraag stelden. Betogingen en petities aan de keizer zagen de Amerikanen met gemengde gevoelens aan, maar toen bleek dat relletjes en stakingen door linkse activisten werden georganiseerd, zagen de bezetters zich helemaal voor een dilemma geplaatst: enerzijds stimuleerden ze vrije vakbonden, anderzijds vreesden ze het communisme. Vanaf dat moment organiseerde het GH Q wel betere rantsoenbedelingen. Ook aan grondstoffen leed Japan een groot tekort. Er heerste een grote crisis in de productie van steenkool, ijzer, elektriciteit, ... Alle sleutelindustrieën waren ingekapseld in de zaibatsu-monopolies, die zelf geen initiatief namen om de crisis op te lossen, officieel omdat de aandeelhouders niet wisten in welke mate de Amerikanen trusts zouden laten voortbestaan, maar in feite omdat ze wilden laten voelen hoe onmisbaar ze waren in het Japanse bestel. De overheid speelde een erg dubieus spel, aangezien ze de zaibatsu miljarden yen uitbetaalde om de geleden oorlogsschade te boven te komen, hun fabrieken herop te bouwen en de productie weer op gang te brengen. De bedrijven gebruikten het geld vooral om structurele verschuivingen voor te bereiden, zuiveringen tegen te houden en zich onmisbaar te maken in de economische wederopbouw van Japan. Het fonds voor de wederopbouw (Fukkō Kin’yū Kinko 復興金融金庫) keerde deze bedragen uit. De staat kwam zo in grote geldnood, wat prijsstijgingen en inflatie veroorzaakte. Deze werden niet doeltreffend bestreden, omdat de conservatieven in Japan wel inzagen dat de economische wederopbouw de Amerikanen nader aan het hart lag dan de hervormingen op sociaal vlak.
Toenemende inflatie
Voor het einde van de oorlog was de inflatie al redelijk hoog, maar het deficit spending waartoe de Japanse overheid na de capitulatie haar toevlucht nam, in een wanhopige poging om de economie te doen heropleven, zorgde voor een monetaire ontsporing. Het eerste jaar na de oorlog verzevenvoudigden de prijzen. Om dat enigszins in te dijken werden in februari 1946 financiële noodmaatregelen (Kin’yū Kinkyū Sochi Rei 金融緊急措置令) getroffen. De burgers werden verplicht te leven van 500 yen per maand, lonen en spaardeposito’s werden geblokkeerd, het in omloop zijnde volume aan yen werd met driekwart gereduceerd, maar het bleef allemaal zonder veel resultaat. Na één jaar was de situatie even erg als in 1946. In de eerste fase lag de uitvoering van het anti-inflatiebeleid in handen van Yoshida Shigeru 吉田茂 (1878- 1967), die als een van de belangrijkste maatregelen de bovengenoemde kredieten voor de wederopbouw introduceerde, met het doel een gerichte economische productie op gang te brengen. Deze maatregelen joegen de inflatie eerder de hoogte in dan soelaas te brengen. Een groot obstakel vormden de financiële kringen. De overheidsmaatregelen waren op zich zinvol: een strikt industrieel beleid gericht op het produceren van de levensnoodzakelijke producten, het verminderen van de overheidsuitgaven om de inflatie te beteugelen, het rantsoeneren van voedsel en andere producten om de import tot het essentiële te beperken en de stadsbevolking te voeden. Alles was erop gericht niet al te zeer afhankelijk te worden van de Amerikanen, iets waar vooral conservatieve kringen zeer beducht voor waren. Zolang de zakenwereld niet zeker was in hoeverre hij aan de oorlogsrepresailles zou kunnen ontkomen, was dit programma moeilijk uitvoerbaar. In de ogen van de bedrijfsleiders hadden investeringen die het risico liepen later onteigend te worden geen zin. Bovendien bleven de concerns de meeste productiemiddelen en voorraden beheren, zolang er geen zuiveringen werden doorgevoerd. Inflatie was voor hen interessant, omdat de waarde van hun stocks en kapitalen erdoor toenam. Bovendien deinsden ze er niet voor terug prijsverhogingen door te voeren waar mogelijk.
Amerikaanse hulp en aanmaningen
Het jaar 1947 is cruciaal om de verdere uitwerking van het programma van de bezetting te evalueren. We moeten echter verder kijken dan Japan. Op politiek vlak begon zich in Amerika een tegenstelling af te tekenen. Groeperingen met belangen in de Japanse industrie begonnen de hervormingen af te remmen en stilaan kwam het GH Q onder de invloed van deze ’realisten’ in de zakenwereld, die zich distantieerden van het ‘democratisch experiment’ van de militairen en de ambtenaren. Het argument dat de Amerikanen als overwinnaar zich niet om de wederopbouw van Japan hoefden te bekommeren, vond een gewillig gehoor, maar de basisreden van de koerswijziging was politiek. Amerika begon Japan te zien als een voorpost tegen de toenemende invloed van de Sovjet-Unie in het Verre Oosten. Op 12 maart 1947 werd een sterk, welvarend en kapitalistisch Japan in de Trumandoctrine opgenomen. Op 5 juni van hetzelfde jaar herhaalde het marshallplan deze visie. Expliciet werd in deze plannen gesteld dat elk land dat zich door het communisme bedreigd voelde voortaan een beroep kon doen op de financiële en de economische steun van de Verenigde Staten. Er werd zowat $ 400.000.000 ter beschikking gesteld. Deze ommezwaai in het beleid was van geopolitiek belang. Sinds 1823 had de isolationistische Monroedoctrine, ondanks twee wereldoorlogen, de grondslag gevormd van de Amerikaanse buitenlandse politiek. Nu gaf Amerika deze politiek op en concentreerde het zich op het economisch herstel van Europa, Japan en andere landen om de invloed van de Sovjet-Unie in te dijken. In het Engels gebruikt men in dit verband vaak de term ‘containment’ om deze politiek te karakteriseren. Voor Japan bracht de koerswijziging met zich mee dat er twee steunfondsen werden opgericht: Garioa - Senryō Chiiki Kyūsai Shikin ガリオア 占領地域救済資金 (Government Appropriation for Relief of Occupied Areas Fund), hoofdzakelijk bedoeld als steun voor de productie van consumptiegoederen, en Eroa - Senryō Chiiki Keizai Fukkō Shikin エロア 占領地域経済復資金 (Economic Rehabilitation in Occupied Areas Fund), hoofdzakelijk steun voor de industriële wederopbouw. Omdat de Amerikanen rechtstreekse financiële steun gaven, kregen ze ook dadelijk inspraakin de concrete maatregelen die de Japanners moesten nemen om de inflatie te drukken en een gezonde kapitalistische economie op te bouwen. In december 1948 presenteerde het GH Q de Keizai Antei Kyū Gensoku 経済安定九 則 (Nine Point Economic Stabilization Program) aan Yoshida, wiens conservatieve achterban zich gelastte met de rigoureuze uitvoering ervan. Indien Japan verdere hulp wenste te ontvangen, dan moest het: −− overheidsuitgaven saneren e het budget in evenwicht brengen; −− belastingen verhogenn; −− lonen stabiliseren en/of bevriezen; −− de prijzenspiraal doorbreken, het volk tot matigheid dwingen, ... Om het programma te realiseren zond Amerika ‘hakbijl’-specialisten, waaronder de Detroitse bankier Joseph Dodge. Naar hem werd dit beleid de Dodge Line (Dojji Rain ドッジ・ライン) genoemd. Enkele van Dodges voorschriften waren: het verhogen van de transportprijzen van het openbaar vervoer, strikte looncontroles, herziening van de antimonopoliewetten in het voordeel van de zaibatsu, algemeen stakingsverbod, de werklozensteun afschaffen opdat er ijverig naar werk zou gezocht worden, ... Alle zwakke schakels in de Japanse economie werden afgestoten. Een derde van de zowat vier miljoen kleine ondernemingen ging bankroet en Japan geraakte in een diepe economische depressie. De grote zaibatsu kwamen er bovenop, maar investeerden nauwelijks in consumptiegoederen. Kleine ondernemers en arbeiders moesten de lasten torsen. In juni 1950 kon men de resultaten van de Dodge Line aanschouwen. Het budget voor 1949-1950 was in evenwicht, er was een vaste wisselkoers vastgelegd voor dollar en yen (360 yen voor 1 dollar), de economische productie bedroeg slechts een derde van het peil van 1931, er werd maar de helft geïnvesteerd van 1949. Maar in het jaar 1950 brak de oorlog in Korea uit. In een van de vele ironische bochten van de geschiedenis werd dit conflict de reddende hand die naar Japan uitgestoken werd. De Amerikaanse bestellingen voor de interventie in Korea brachten een miraculeuze economische heropbloei op gang, en verbeterden aanzienlijk de relaties tussen Japan en de Verenigde Staten.
Ontwikkeling van de Arbeidersbeweging
De levensstandaard van de bevolking ging schrikwekkend omlaag omwille van de rantsoeneringen en voedseltekorten, de stagnerende productie, de toenemende werkloosheid en de relatieve loonsvermindering in vergelijking met de inflatoire prijzenspiraal. Het GH Q ondersteunde de meeste van deze maatregelen, wat aanleiding gaf tot een grote en radicale frontvorming bij de arbeiders. Omwille van hogergenoemde maatregelen konden de vakbonden zich vrij ontplooien en kregen ze een juridische status. Ze voerden op allerlei manieren actie. De origineelste was wellicht de productiecontrole. In augustus 1946 ontstonden twee nationale vakbonden, de Zen Nihon Sangyōbetsu Rōdō Kumiai Kaigi 全日本産業別労働組合会議 of Sanbetsu Kaigi 産別会議, en de Nihon Rōdō Kumiai Sōdōmei 日本労働組合総同盟 of Sōdōmei 総同盟. Het aantal aangesloten leden bedroeg 6,6 miljoen arbeiders. Ze gingen over tot actie tegen de rigoureuze economische maatregelen. Op 1 februari werd een algemene staking in de overheids- en de privésector gepland om het aftreden van Yoshida te eisen. Dat deze Ni-ichi zenesuto 二・一ゼネスト uiteindelijk niet plaatsvond, was te wijten aan de rechtstreekse tussenkomst van MacArthur, die weliswaar de arbeidersvrijheden niet in het gedrang wou brengen, maar de wederopbouw belangrijker vond. Deze ingreep ten voordele van de conservatieve regering en de zakenwereld was een duidelijk signaal voor de socialistisch en democratisch ingestelde leiders dat het democratiseringsbeleid van de Verenigde Staten afgesloten was. Het kwam later zelfs zo ver dat stakingspiketten met tanks verdreven werden.
Reconstructie van de politieke partijen
Een versnipperd politiek landschap
Te beginnen met de oprichting van de Socialistische Partij van Japan (Nihon Shakai-tō 日本社会党) in november 1945, werden verschillende partijen van socialistische signatuur gesticht door vooroorlogse leiders van arbeiderspartijen en -bewegingen. De belangrijkste was de Socialistische Massapartij (Shakai Taishū-tō), met als eerste voorzitter Katayama Tetsu 片山哲. In 1947 werd ze de grootste partij van Japan en dit leverde Katayama het eersteministerschap op. In 1951 kwam er een tijdelijke scheuring tussen rechtse en linkse elementen, maar de scheuring werd in 1955 bijgelegd, tot in 1960 de Democratische Socialistische Partij (Minshu shakai-tō) definitief een eigen koers ging varen. Aan conservatieve zijde werd de Liberale Partij van Japan (Nihon Jiyū-tō 日本自由党), erfgenaam van de vooroorlogse regeringspartij Seiyū-kai onder het leiderschap van Hatoyama Ichirō 鳩山一郎 (1883-1959), de grootste. Hatoyama werd echter weggezuiverd wegens zijn rol in de Taisei Yokusankai. De Rikken Minsei-tō 立憲民政党 nam een nieuwe start als de Progressieve Partij van Japan (Nihon Shinpo-tō 日本進歩党), die later de naam Democratische Partij van Japan (Nihon Minshu-tō 日本民主党) aannam. De derde conservatieve partij was de Partij voor de Samenwerking van het Volk (Kokumin Kyōdō-tō 国民協同党). Uiterst links van het politieke spectrum bevond zich de Communistische Partij van Japan (Nihon Kyōsan-tō 日本共産党), die dadelijk na de oorlog radicale sociale hervormingen eiste. Dit was de enige partij die nooit enig compromis met de militaristen had gesloten. Alle andere partijen, inclusief de socialistische, hadden zich in mindere of meerdere mate ‘verbrand’. De verkiezingen van 1946 werden gewonnen door de Liberale Partij van Japan (Nihon Jiyū-tō 日本自由党) en haar leider Yoshida Shigeru 吉田茂 (1878-1967) werd in mei 1946 eerste minister. Onder zijn regering werd de nieuwe grondwet uitgevaardigd en in maart 1947 werd het keizerlijk Parlement ontbonden, waarna er nieuwe algemene verkiezingen werden uitgeschreven. Omdat Yoshida niet veel had ondernomen tegen debelabberde sociale toestand, wonnen de socialisten de verkiezingen en kon Katayama Tetsu 片山哲 (1887-1978) met de Democratische Partij van Japan (Nihon Minshu-tō) en de Partij voor de Samenwerking van het Volk (Kokumin Kyōdō-tō 国民協同党) een coalitieregering op de been brengen, waarvan hij in mei 1947 premier werd (zie verder).
De eerste naoorlogse verkiezingen
De verkiezingen van 1946 hadden niet het verhoopte effect van vernieuwing. De voornaamste reden daarvoor was dat in de rangen van de liberalen talloze politici gewoon verderwerkten alsof Japan niet bezet werd. De zuiveringen gebeurden immerslang niet grondig. Vooral op het platteland bleven de oude partijstructuren vrijwel ongemoeid. Ze genoten niet alleen de financiële steun van de zaibatsu maar zelfs de morele steun van de SCAP . De oppositie bevond zich wat dat betreft in een slechter parket. Niet alleen was de partijstructuur tijdens de oorlogsjaren grondig vernield, maar het imago van de socialisten had ook schade geleden door de collaboratie van enkele van haar kopstukken met Tōjō. Alleen de communisten hadden een ongeschonden blazoen, omdat zij consequent het militarisme bestreden hadden. Zij hadden daar echter een zware prijs moeten voor betalen. De repressie had de structuur van de partij vernietigd en haar ervaren activisten uitgeschakeld. Bovendien was de linkse oppositie innerlijk verdeeld. Een gematigde vleugel steunde het behoud van het keizerlijk bestel. Toen het GH Q zijn voorkeur in maart 1946 bekendmaakte, kregen de socialisten het publiek achter zich. Het overgrote deel van het Japanse volk aanvaardde erg dociel de wens van de Amerikaanse bezetter. Vermits de Communistische Partij zich tegen het keizerschap keerde, was er op dit punt geen compromis mogelijk. De conservatieve en de progressieve liberalen haalden, met enkele kleinere partijen, bijna driekwart van de stemmen. Voor de uitvoering van zijn plannen moest de Amerikaanse bezetter voortaan niet meer optornen tegen een bijzonder stroeve bureaucratie, maar kon hij rekenen op de medewerking van conservatieve politieke partijen. Deze partijen hadden echter overduidelijke banden met het leger en met mannen van de oude garde. Bovendien werd het bestrijden van de economische crisis bijzonder moeilijk, omdat de politieke vertegenwoordigers alle maatregelen van het SCAP bleven saboteren, zolang ze niet zeker waren van hun toekomst. De regering Yoshida verviel al vlug in immobilisme, vooral op sociaal gebied. De conservatieve partijen behielden toch talloze voordelen in vergelijking met de linkse partijen. De zuiveringen i −− n hun rangen bleven erg beperkt. −− De maatregelen van het GH Q om de lokale ambtenarij te democratiseren, werden nauwelijks doorgevoerd. −− Allerlei mechanismen van politieke controle waren niet afgeschaft, zodat de conservatieven een sterke controle op het volk behielden. −− Het kiesstelsel werd veranderd in het voordeel van de conservatieven: kiesdistricten werden verkleind volgens grenzen die samenvielen met de conservatieve bastions, en per district werd slechts één vertegenwoordiger gekozen. −− Door zijn anticommunistische uitlatingen via de media leek het wel alsof de SCAP partij koos voor de conservatieven, wat zijn gevolgen had voor de linkse partijen. Samenvattend kunnen we de invloed van de Amerikanen op de Japanse politiek als volgt typeren. Het gemak en de snelheid waarmee de Japanners zich bij de bezetting neergelegd hadden, leidden ertoe dat de Amerkanen de wil van de heersende oligarchie om haar machtsbasis te beschermen onderschatten. De bezetter trad niet voldoende snel en drastisch op om de gevestigde machtsinstanties uit te schakelen en een grondige zuivering van politici, zakenlui en bureaucraten mogelijk te maken. De democratische draagwijdte van de richtlijnen was aanvankelijk onmiskenbaar, maar de beslissing om de uitvoering over te laten aan de bestaande overheidsinstanties had tot gevolg dat niet-weggezuiverde aanhangers van het oude regime de maatregelen konden afzwakken of op de lange baan schuiven. Zij zorgden er wel voor dat ze steeds konden blijven optreden als de wettige vertegenwoordigers van het Japanse volk. Met deze twee troeven in handen kostte het hun weinig moeite om de politieke en economische structuren te blijven beheersen. De Amerikanen waren of naïef of maakten een enorme inschattingsfout toen zij meenden dat zij als gezondenen Gods de democratie konden schenken, en geloofden dat die democratie van de eerste dag naar wens zou functioneren. De inspanningen van het GH Q tijdens de eerste maanden van de bezetting om de democratie ingang te doen vinden, riepen ironisch genoeg een politieke oppositie in het leven, die al snel naar extreem links evolueerde en een doorn werd in het oog van de Amerikanen. Na de verkiezingen van 1946 legde de bezetter het accent al meer op controle dan op het aanmoedigen van democratische tendensen. Deze controle vond plaats via traditionele kanalen en consolideerde de positie van de conservatieven.
Onstabiele kabinetten
Om bovengenoemde redenen bleef de winst van de linkse partijen in de verkiezingen van maart 1947 vrij beperkt en waren ze genoopt een coalitie te sluiten om aan de macht te komen. De coalitievorming liep niet van een leien dakje. Ongeveer een maand lang voerden socialisten, de Democratische Partij van Japan (Nihon Minshutō 日本民主党), de Partij voor de Samenwerking van het Volk (Nihon Kyōdō-tō 日本協同党) en de Liberale Partij van Japan (Jiyū-tō 自由党) onderhandelingen. De communisten werden hardnekkig uit het beraad geweerd. Om in de regering te worden opgenomen moesten de socialisten zich openlijk tegen het communisme uitspreken en hun linkervleugel zuiveren. Dit laatste weigerden ze te doen, maar ze moesten wel ander voorwaarden aanvaarden: hun linkervleugel mocht geen ministers leveren, ze zouden geen extreem linkse verklaringen dulden, ze zouden geen staatsgeheimen laten uitlekken, geen nationaliseringen doorvoeren en geen aanleiding tot sociale onrust geven. Ondanks al die voorwaarden weigerden de liberalen toch nog om in de regering te stappen, zodat Katayama Tetsu moest aantreden aan het hoofd van een driepartijenkabinet. De socialisten kregen de portefeuilles van Onderwijs, Land- en Bosbouw, Justitie, Handel, Nijverheid en het voorzitterschap van de Economische Stabiliseringsraad. Het kabinet werd van bij de aanvang geconfronteerdmet de enorme crisis. Tegen de algemene verwachtingen van het volk in kon het moeilijk anders dan strikte prijsafspraken maken voor voedsel (rijst) en grondstoffen, en tevens loonblokkeringen en een sobere houding aan de arbeiders voorschrijven. Verder werd het, in se onsocialistische, economische beleid van Yoshida voortgezet: de sleutelnijverheden kregen steun en monopolievorming werd gedoogd. Uiteraard leidde dit tot spanningen binnen de Socialistische Partij en Katayama moest vroegtijdig opstappen. Ashida Hitoshi 芦田均 (1887-1959) zette dezelfde driepartijencoalitie verder, maar zijn kabinet liep op de klippen door een corruptieschandaal, waarin meerdere kabinetsleden betrokken waren. Diverse kabinetsleden en een aantal ambtenaren werden ervan beschuldigd van het chemische bedrijf Shōwa Denkō 昭和電工 steekpenningen gekregen te hebben. Op het proces werden alle betichten, behalve één ambtenaar, echter vrijgesproken. Sommigen menen dan ook dat het schandaal in scène gezet werd om de vooruitstrevende, linkse Ashida ten val te brengen. In oktober 1948 kwam Yoshida voor de tweede maal aan de macht. Hij zou dit keer vijf jaar eerste minister blijven van een kabinet van liberale signatuur. De socialisten verloren veld en hun kritiek op de bezetting, onder andere op het Dodge-plan en op de Rode Zuiveringen, klonk steeds luider. In de kwestie van de Rode Zuiveringen bleef hun protest in de grond tweeslachtig. Op de keper beschouwd kwam een uitschakeling van de communisten hen niet ongelegen. Tijdens de volgende verkiezingen wisten de conservatieven het politieke roer in handen te houden.
De naoorlogse cultuur
Wetenschap en techniek
Het vrije onderzoek werd opnieuw beschermd en aangemoedigd, zodat zowel de mens- als de positieve wetenschappen een hoge vlucht namen. Ideologische studies van het socialisme en het communisme konden opnieuw verschijnen. In 1949 kreeg Yukawa Hideki 湯川秀樹 (1907-1981) als eerste Japanner een Nobelprijs, voor fysica. Japan werd al snel opnieuw als een volwaardige collega in de wetenschappelijke wereld aanvaard. In januari 1949 werd de Science Council of Japan (Japanse Raad voor Wetenschappen, Nihon Gakujutsu Kaigi 日本学術会議) opgericht, die ijvert voor een democratische ontwikkeling en organisatie van de wetenschapsbeoefening.
Tendensen in de naoorlogse literatuur
De capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 en de daaropvolgende bezetting van het land confronteerden de Japanners met een ongekende situatie. De bevolking bood tegen de verwachtingen in vrijwel geen weerstand aan de bezetter. Er is al veel gespeculeerd over de reden waarom Japan zich zo goedschiks aan de bezetting onderwierp. De verklaring moet wellicht gezocht worden in een verzameling van meerdere factoren. De grote psychologische schok van een ondenkbaar geachte nederlaag, en het fatalisme dat traditioneel aan de Japanner toegedicht wordt, worden vaak als verklaring ingeroepen. Maar evenzeer kan de verklaring gezocht worden in de ‘verlichte’ bezettingspolitiek van de Amerikanen. Het hoofdkwartier van de bezettingsmacht voerde een consequente politiek van demilitarisering en democratisering. Het literaire leven, dat tijdens de oorlog streng aan banden gelegd was, kon weer heropleven. De vrijheid van meningsuiting, gewaarborgd door de nieuwe grondweten de perscode van 1951, stelde de schrijvers in staat te publiceren wat voorheen verboden was. Tijdschriften die tijdens de oorlog publicatieverbod gekregen hadden, konden weer verschijnen, en vele nieuwe tijdschriften, zoals Bungakukai 文学界, zagen het levenslicht. Thema’s uit de politieke en de seksuele sfeer waren niet langer taboe. Gevestigde auteurs, zoals Nagai Kafū 永井荷風, Masamune Hakuchō 正宗白鳥, Murō Saisei 室生犀星, Satō Haruo 佐藤春夫, Yokomitsu Riichi 横光利一, Kawabata Yasunari 川端康成, Shiga Naoya 志賀直哉 en Tanizaki Jun’ichirō 谷崎潤一郎 publiceren nieuw werk. Dit verschilt echter qua thematiek noch qua stijl veel van hun vooroorlogse productie. De oorlog betekent niet echt een breuk in hun werk. In 1947 krijgt Tanizaki de Mainichi Prize for Publications and Culture voor zijn befaamde roman Sasameyuki 細雪 (in het Engels vertaald als The Makioka Sisters, 1943‑1948). In 1949 krijgt hij ook nog de Asahi Cultural Prize voor deze roman. In hetzelfde jaar ontvangt hij de Imperial Cultural Medal en in 1964 wordt hij verkozen tot erelid van de American Academy and National Institute of Arts and Letters. Kawabata krijgt in 1968 de Nobelprijs voor de Literatuur. Daarnaast treden er een aantal schrijvers naar voren, die we kunnen onderbrengen bij een van de drie volgende groepen: 1) de Nieuwe Burlesken; 2) de democratische literatuur; 3) de sengoha 戦後派 (après-guerre)schrijvers. Hun werken zijn duidelijk het product van een tijd waarin de gevestigde orde ingestort is en er alom verwarring heerst. De Nieuwe Burlesken (Shin-gesaku 新戯作), zoals Sakaguchi Ango 坂口安吾, Dazai Osamu 太宰治, Oda Sakunosuke 織田作之助 en Tanaka Hidemitsu 田中英光, zagen de ineenstorting van de gevestigde orde en de aftakeling van de traditionele waarden weerspiegeld in hun eigen innerlijke desintegratie. Hun hoofdpersonages zijn mislukkelingen, sociaal onaangepasten, die de harmonie met hun omgeving verloren hebben, ofwel omdat zij niet anders kunnen, ofwel omdat ze weigeren zich aan de geldende normen aan te passen. Ze zijn zich pijnlijk van hun vervreemding bewust, maar zijn niet in staat er iets aan te doen. Zij jammeren om hun lot of drijven er de spot mee, en zijn vervuld van verachting voor zichzelf en de maatschappij. De schrijvers die tot de stroming van de democratische literatuur gerekend worden, zagen in de heersende verwarring na de oorlog een unieke gelegenheid om een begin te maken met de socialistische revolutie en de opbouw van een nieuwe maatschappij. Nakano Shigeharu 中野重治 en Miyamoto Yuriko 宮本百合子 verdienen hier vermelding, maar echt grote schrijvers zijn er niet uit voortgekomen. De sengoha vertegenwoordigt de eerste naoorlogse generatie. Het zijn schrijvers als Noma Hiroshi 野間宏, Shiina Rinzō 椎名麟三, Nakamura Shin’ichirō 中村真一郎, Takeda Taijun 武田泰淳, Ōoka Shōhei 大岡昇平, ... Zij hebben de oorlog meegemaakt, het merendeel van hen heeft zelfs meegestreden. Geen wonder dus dat het thema van de oorlog en zijn naweeën een centrale plaats in hun oeuvre bekleedt. Zij zoeken naar het wezen van de mens en de maatschappij, nu de traditionele orde verdwenen is. Velen van hen zijn sterk door het marxisme beïnvloed, of door het existentialisme, waaruit dan een sociaal engagement voortvloeit. Zij tonen weinig belangstelling voor de traditionele Japanse literatuur, vooral dan de ik-roman en de zedenroman. Zij worden gekenmerkt door hun existentialistisch wereldbeeld en door het inbrengen van politiek en seks in de literatuur. Zij wilden romans schrijven die konden vergeleken worden met de grote negentiende-eeuwse romans in Europa. Dit bleek echter een anachronisme te zijn, en hun werken misten spontaneïteit. De eerste jaren na de nederlaag heerste er in Japan een chaos, die creatief stimulerend werkte maar met vele sociale mistoestanden gepaard ging. Er heerste grote inflatie en de zwarte markt tierde welig. Met het uitbreken van de Koude Oorlog, in het bijzonder de Koreaanse Oorlog (1950-1953) kwam daar een einde aan. Dromen over een vreedzame revolutie en een nieuwe maatschappij werden opgeborgen. Er trad een algemene sociale stabilisering in. De bezetter staakte zijn politiek van ondersteuning van de progressieve krachten in de maatschappij. De zuivering van de fascistische elementen werd stilgelegd. De strijd tegen het communistische gevaar kreeg nu voorrang. Japan moest een belangrijke rol spelen als bevoorradingsbasis voor de Amerikaanse oorlogsinspanning in Korea. Daardoor begon de Japanse economie aan een steile opgang. In deze periode van relatieve stabiliteit, die in het begin van de jaren vijftig aanvangt, verschijnen auteurs die men groepeert onder de noemer ’de Derde Nieuwe Generatie’. De meeste onder hen zijn geboren tussen 1916 en 1926, en waren student in een tijd dat de marxistische beweging in Japan over haar hoogtepunt heen was. Hun jeugd valt samen met de oorlog. Zij hebben een instinctief wantrouwen tegen ideologie en politiek, en voelen zich aangetrokken door de artistieke kwaliteiten van de vooroorlogse ik-roman en het masochisme van de Nieuwe Burlesken. De bekendsten onder hen zijn de katholieke auteur Endō Shūsaku 遠藤周作, Yasuoka Shōtarō 安岡章太郎, Yoshiyuki Junnosuke 吉行淳之介, Shōno Junzō 庄野潤三, Miura Shumon 三浦朱門, Agawa Hiroyuki 阿川弘之, ... Halfweg de jaren vijftig doet de ’Zuiver Naoorlogse Groep’ (Junsui sengoha 純粋戦後派) zijn intrede. Hiertoe behoren Ōe Kenzaburō 大江健三郎, Kaikō Takeshi 開高健 en Ishihara Shintarō 石原慎太郎. Zij hadden het niet zo begrepen op de literatuur met biografische inslag die door de ‘Derde Nieuwe Generatie’ geproduceerd werd, omdat die te sterk aanleunde bij de vooroorlogse ik-roman. Zij rebelleren tegen traditionele waarden, moraal en ideeën, en behandelen actuele sociale en politieke problemen. Ze zijn sterk beïnvloed door de après-guerreschrijvers. Hun werk vertoont ook verwantschap met de geschriften van de Angry Young Men, een generatie Engelse schrijvers die in de jaren vijftig wild om zich heen schopten en grote internationale populariteit genoten. Waarschijnlijk dankt deze groep van Britse auteurs haar naam aan het toneelstuk Look Back in Anger van John Osborne. Zij spuien ongezouten kritiek op de maatschappij en alle gevestigde waarden, en provoceren door ongepolijst taalgebruik en cynisch materialisme. Zij hebben geen positieve boodschap, geen recept voor de verbetering van de wereld, maar zijn ontzettend woedend. De verwantschap van de ‘Zuiver Naoorlogse Groep’ met de Angry Young Men mag evenwel niet overdreven worden. Zij hebben de bitsige kritiek op de maatschappij weliswaar met elkaar gemeen, maar blijken meer gedreven te zijn door de wil om de maatschappij in positieve zin te beïnvloeden. De groep kantte zich tegen de verlenging van het Vredesverdrag (ANP O) met de Verenigde Staten, en nam actief deel aan het protest. Ishihara, Ōe en enkele anderen vormden het genootschap ‘Jong Japan’ (Wakai Nihonkai 若い日本会) en debatteerden over de kwestie. Na enige tijd viel het genootschap uiteen; de individuele verschillen waren te groot. Ishihara oogstte een gigantisch succes met zijn roman Taiyō no kisetsu 太陽の季節 (‘Het jaargetijde van de zon’). Het werk werd bekroond met de Akutagawa-prijs en werd een echte bestseller. Meteen werd de auteur, toen nog student aan de universiteit van Hitotsubashi, een cultfiguur, de James Dean van Japan. Later schreef hij nog Chōsen 挑戦 (‘De uitdaging’, 1959-1960), Kōi to shi 行為と死 (‘Actie en dood’, 1964) en Ōkami ikiro, buta wa shine 狼生きろ豚は死ね (‘Wolven leef, varkens sterf’, 1960). In 1968 stapte hij in de politiek en werd hij verkozen als parlementslid van de Liberaal- Democratische Partij. Dankzij zijn populariteit werd hij met het grootste stemmenaantal verkozen. Zijn programma was geïnspireerd door rechts-conservatieve idealen en een hernieuwd nationalisme. In 1989 deed zijn pamflettaire geschrift Het Japan dat nee kan zeggen veel stof opwaaien in de Verenigde Staten. Als jong schrijver zette Ishihara zich wel tegen de gevestigde orde af. Hij beschrijft amorele situaties of extreme toestanden van goed en kwaad. Voor hem wordt het lichaam een doel op zich, en daardoor wordt het een middel om de bestaande orde te negeren. In dezelfde periode debuteerde ook Kaikō Ken. Na enkele stukjes te hebben gepubliceerd in het tijdschrift Kindai Bungaku 近代文学, vestigde hij de aandacht op zich met de roman Panikku パニック (‘Paniek’, 1957). Met Hadaka no ōsama 裸の王様 (‘De naakte koning’, 1957) won hij de Akutagawa-prijs. De meest prominente schrijver van het drietal is Ōe Kenzaburō (geboren in 1935). Ōe zei ooit dat zijn literaire achtergrond de vorm had van een driehoek. De drie hoekpunten waren Jean-Paul Sartre, Norman Mailer en de ‘après-guerre’-schrijvers. Daarnaast hebben ook Rabelais en W.H. Auden zowel filosofisch als qua literaire techniek hun stempel op zijn oeuvre gedrukt. De ‘après-guerre’-groep werd gekenmerkt door een breuk met de vooroorlogse traditie van de ik-roman, door haar existentialistisch wereldbeeld, en het inbrengen van politiek en seks in de literatuur. De invloed van de ‘après-guerre’-groep is vooral te zien in Ōe’s vroegere werken, geschreven tussen 1957 en 1959. Sinds zijn debuut heeft hij een niet-aflatende productiviteit aan de dag gelegd. Hij heeft romans, novellen en essays geschreven. Vooral in zijn essays geeft hij vaak scherpzinnige analyses van de aberraties en modieuze trends in de naoorlogse maatschappij. Zoals uit zijn Hiroshima nōto ヒロシマ・ノート (‘Brieven uit Hiroshima’) blijkt, is Ōe een politiek geëngageerde schrijver. In zijn werken pakt hij steeds hedendaagse problemen aan. Zijn originaliteit ligt vooral in de intensiteit van zijn boodschap, die zowel tot het individu als tot de hele mensheid gericht is. Want, evenzeer als de landing op de maan voor de mensheid een realiteit is, staat voor Ōe de vernietiging van de mensheid door een kernontploffing vast. Hij wordt beschouwd als een woordvoerder van de ‘Nieuw Linkse’-Beweging. Dit is een anti establishmentbeweging, ontstaan circa 1960, in oppositie tegen de gevestigde partijen van linkse signatuur, namelijk de Japanse Socialistische Partij, de Japanse Communistische Partij en de Algemene Raad van Japanse Vakbewegingen (Sōhyō 総評). Nieuw-Links verweet ‘Oud-Links’ zijn immobilisme en opportunisme. Twee grote thema’s beheersen het werk van Ōe. Het jaar 1964 mag men daarbij beschouwen als een soort keerpunt. In de werken voor 1964 beschrijft Ōe vooral de chaos en de ontreddering, die de onvoorwaardelijke overgave van Japan in 1945 heeft veroorzaakt. De vroegste helden van Ōe zijn jonge mensen, zoals hijzelf, die behoren tot de naoorlogse generatie. Ze zijn beroofd van hun zedelijk erfdeel, omdat de waarden die in hun kindertijd van kracht waren, door Hiroshima en de overgave van de keizer werden stukgeslagen. Wat overbleef was een gapende leegte, een zwak afschijnsel van het leven, een angstwekkende afwezigheid van continuïteit. Hierdoor raakten ze het noorden kwijt en werden ze over de grenzen van het oorbare gedreven, naar politiek fanatisme, geweld en seks. Zij worden moderne, grimmige versies van Huckleberry Finn, vluchten de beschaving en gaan op avontuur. Het gevaar schijnt het enige tegengif te zijn tegen de dodelijke leegte thuis, maar meestal vernietigt hetook de avonturier. De protagonisten van Ōe dromen ervan granaten te gooien op de auto van de keizer, te strijden aan de zijde van Nasser, of zich aan te sluiten bij het vreemdelingenlegioen. Maar die ideeën omzetten in daden gaat hun mogelijkheden te boven. Ōe toont zich een meester in het beschrijven van mensen in een opgesloten ruimte. De apathische naoorlogse jeugd bevindt zich in een staat van moratorium, in eenzame opsluiting wacht zij als het ware het moment van haar executie af. Veel toegankelijker voor de jeugd is het seksuele geweld. Vroeg of laat ontdekken de helden van Ōe dat het enige terrein waar ze de leegte van het dagelijkse leven kunnen overwinnen ‘de seksuele perversie’ is. Ōe’s romans krijgen daardoor een taboedoorbrekend karakter. In 1964 wordt hij vader van een mentaal gehandicapte zoon, een ingrijpende gebeurtenis, die hij onder meer verwerkt in de roman Kojinteki na taiken 個人的な体験 (‘Het eigen lot’), door Mishima als een hoogtepunt in de naoorlogse romankunst geprezen. Met dit boek sneed de auteur een nieuw thema in zijn werk aan. Het behandelt de vraag hoe iemand reageert op de geboorte van een abnormaal kind. Na 1964 moet Ōe’s obsessie over de ontreddering van de naoorlogse generatie wijken voor een nieuw thema, namelijk dat van de waanzin: zowel op individueel vlak als op wereldschaal. Wat Ōe intrigeert, is hoe de mens reageert op abnormaliteit. Zijn personages zijn vaak sociale mislukkelingen, marginalen. De waanzin op wereldvlak is voelbaar in de voortdurende bedreiging die uitgaat van een atoomoorlog. We leven in een wereld die op ieder ogenblik kan worden vernietigd door een fatale zondvloed van atoombommen. De kwestie Hiroshima houdt de schrijver sterk bezig. Later monden beide thema’s uit in een bredere en abstractere vraagstelling: die naar de waardigheid van de mens, of liever de ‘onwaardigheid’ waaraan het leven in deze wereld hem blootstelt. In 1994 werd Ōe bekroond met de Nobelprijs voor Literatuur. De tegenpool van Ōe Kenzaburō was de mediagenieke en excentrieke Mishima Yukio 三島由紀夫 (1925-1970). Deze auteur van een dertigtal romans, talloze toneelstukken, essays en pamfletten, was een duizendpoot. Naast zijn schrijfactiviteiten vond hij ook nog de tijd voor kendō, karate, gewichtheffen en bodybuilding. Hij was bovendien ook nog zanger, model, acteur, organiseerde en leidde een privémilitie, ontwierp er de uniformen van en leidde een druk sociaal leven. De roman die Mishima naar de roem katapulteerde was Kamen no kokuhaku 仮面の告白 (‘Bekentenissen van een masker’, 1949), wellicht zijn sterkst biografisch getinte werk. Het is het relaas van de opgroeiende verteller in min of meer chronologische orde. De ik-persoon getuigt van een ontzettend sterk zelfbewustzijn. Zo herinnert hij zich zijn eigen geboorte, zij het vaag. Als kind was hij erg opgewonden door het zien van een vuilnisman, de reuk van soldatenzweet of een afbeelding van Jeanne d’Arc. Dit is in zekere zin al een verwijzing naar de twee hoofdthema’s van het werk: de seksuele inversie van de verteller en zijn relatie met het meisje Sonoko. De eenheid van het werk ligt niet in zijn plot of de rode draad in het verhaal, maar steunt op de eenheid van gevoel: het conflict tussen zijn homoseksuele neigingen en zijn bewuste poging om heteroseksueel te zijn. De bezetenheid met het schone heeft hij op briljante wijze behandeld in Kinkakuji 金閣寺 (‘Tempel van het Gouden Paviljoen’). Het verhaal is gebaseerd op het waargebeurde feit van de Zen-acoliet die in 1950 de Tempel van het Gouden Paviljoen in brand stak. Mishima heeft echter slechts het skelet van die gebeurtenis behouden. De roman peilt naar de motieven van de brandstichting. Hij is geschreven in de eerste persoon. Het blijkt dat de acoliet de tempel in brand heeft gestoken omwill van zijn absolute schoonheid. Het misdrijf was voor hem onvermijdelijk, het was het logische gevolg van zijn eigen logica of ideologie. Hij is eigenlijk een filosoof van de schoonheid, die handelt in overeenstemming met zijn principes. Het is duidelijk hoever Mishima afblijft van het documentaire karakter van zijn oorspronkelijk gegeven. Een van de grondgedachten van de roman is dat schoonheid slechts bestaat binnen de bedreiging van ondergang. Zolang de oorlog woedt, is hij in harmonie met de tempel en is hij erop verliefd. Eenmaal de tempel echter door het herstel van de vrede opnieuw bekleed wordt met een eeuwigheid en de schoonheid haar vergankelijkheid verliest, wordt zijn schoonheid een vijand, een kracht die het leven verstikt. Hij moet dus kiezen tussen de ervaring van het leven of de steriele orde van de levenloze schoonheid. Om aan het dilemma te ontkomen, zal hij de orde vernietigen om het leven te herwinnen. Mishima heeft gesuggereerd dat de roman gaat over een artiest, bezeten door het idee-fixe van schoonheid. In die optiek is het een zeer pessimistische roman. De schrijver is een povere stotteraar, die zijn visie op schoonheid probeert te bevestigen in de externe wereld, maar daar niet in slaagt. Zijn opsluiting in die idee-fixe van schoonheid gaat ten koste van zijn deelname aan het leven. Bovendien valt zijn schoonheid niet samen met die van de objectieve wereld. Zij kunnen niet samen bestaan en de conclusie is dat uiteindelijk alleen de destructieve daad zinvol is. Zijn laatste werk was Hōjō no umi 豊饒の海 (‘De zee der Vruchtbaarheid’). In deze tetralogie bestrijkt hij maar liefst zestig jaar Japanse geschiedenis, en al de thema’s en verlangens en idealen uit zijn vroegere werken. Hij verklaarde aan vele van zijn vrienden dat hij hierin alles wat hij tijdens zijn hele leven had gevoeld en gedacht zou leggen en dat hij het werk zou afmaken op de dag van zijn ‘handeling’. Aldus zou hij de eenheid van geest en daad realiseren. Na het voltooien van het werk zou hij niets meer te zeggen hebben. De laatste regels van het werk schreef hij inderdaad enkele uren voor zijn rituele zelfmoord. In de tetralogie krijgen we uiteenzettingen over reïncarnatie, de vrije wil, het hindoeïsme (o.m. bloedige riten ter ere van Durga), esoterisch boeddhisme, soetra’s, een overzicht van de theorieën van hergeboorte, de diamanten moederschootmandala’s en een uiteenzetting over de aftakeling van engelen. Vaak is het geheel overladen met nutteloze, encyclopedische kennis, zoals in het begin van het vierde boek, waar het werk van de hoofdfiguur Tōru als seiner voor de schepen heel technisch wordt beschreven. Het meest aangrijpende van de thema’s is en blijft harakiri. In het eerste volume reageert Kiyoaki nog tegen het militarisme, hij vertegenwoordigt bun 文 (cultuur, beschaving). In het tweede boek echter is het de adel van harakiri die wordt bezongen. Er is een duidelijk verband met zijn films, drama’s en essays over de code van de samurai. Hij verheerlijkt de heldendood van de kamikaze-piloten en hun loyaliteit. Mishima koesterde een mythe van Japan als een ritueel geordende staat met een samurai-levenswijze, gekarakteriseerd door mannelijke moed en vrouwelijke gratie, en de visie van constante doodsdreiging als het zout van het leven. Zijn nostalgie naar de grootheid van de samurai was een defensieve reflex. Met het zwaard zou hij de onvervreemdbare en bedreigde Japanse cultuur beschermen. Hij had het gevoel dat hij de oorlog ten onrechte overleefd had, dat hij een gevallen kruimel was van de oorlogstafel. Steeds moet hij verlangd hebben naar de dood die hij had moeten sterven tijdens de oorlog, en hij is er zich later meer en meer bewust van geworden dat hij zijn tijd gemist had. Vanaf 1960 begon hij een programma te ontwikkelen dat opriep tot het heraanwakkeren van een constant door de dood bedreigd leven in tegenstelling tot het nonchalante leven in vrede. Mishima’s ideologie heeft uiteindelijk tot zijn eigen zelfmoord geleid. Op 25 november 1970 pleegde hij harakiri.
Weer lid van de internationale gemeenschap
De grote tegenstelling die de contouren van de nieuwe wereldorde bepaalde was de Koude Oorlog, die de wereld in twee kampen verdeelde: het vrije Westen en het Oostblok. Her en der ontstonden conflicten en zelfs beperkte oorlogen, die de twee supermachten bij voorkeur door derden lieten voeren. Sommige landen werden evenwel letterlijk in twee gekliefd: Duitsland, Korea en Vietnam. Een sterke drang naar wereldvrede en de dekolonisering zorgden voor een nieuwe politieke mondigheid, zodat er een co-existentie groeide, gebaseerd op een zekere tolerantie en behoud vanhet status-quo. In Japan bleef gedurende deze gehele periode een conservatief liberaal kabinet aan de macht. Zijn beleid was volledig op Amerika afgestemd, wat zorgde voor binnenlandse spanningen en een identiteitscrisis, maar wat Japan anderzijds toch ook een miraculeuze economische bloei bezorgde. Sinds de jaren 1990 is Japans economie door een periode van stagnatie gegaan. Het is pas sinds kort dat zij zich daarvan lijkt te herstellen.
De koude Oorlog
Stichting van de Verenigde Naties
Op basis van onderhandelingen tussen de 54 belangrijkste landen ter wereld, die nog tijdens de oorlog in april 1945 in San Francisco waren gevoerd en die tot het Handvest van de Verenigde Naties (Kokusai rengō kenshō 際連合憲章) hadden geleid, werden de Verenigde Naties als een internationale instelling voor de wereldvrede officieel opgericht in oktober 1945. Het was de bedoeling om lessen te trekken uit de onmacht die bij de Volkenbond gebleken was. De instelling kreeg een eigen troepenmacht met het doel gewapende conflicten te voorkomen of in te dijken. Voorts werd de internationale samenwerking op sociaal, economisch en cultureel gebied in een reeks deelorganisaties, zoals Unesco, Unicef, ... geïnstitutionaliseerd. Het hoofdkwartier werd in New York gevestigd en tot op heden speelt de VN een belangrijkerol in het wereldgebeuren. De Veiligheidsraad, het Internationaal Gerechtshof te Den Haag, het Internationaal Monetair Fonds, de Unesco, de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), ... zijn niet meer uit de internationale politiek weg te denken.
Twee machtsblokken
De ideologisch wezenlijk van elkaar verschillende kapitalistische en socialistische wereld hadden tijdens de oorlog een verbond gesloten om het fascisme te verslaan, maar reeds tijdens de oorlog was het wederzijdse wantrouwen gebleken. In een reeks van crisissituaties breidde de Sovjet-Unie haar invloed uit over Oost-Europa, terwijl West-Europa tot de Amerikaanse invloedssfeer behoorde. De spanning tussen beide blokken steeg en het risico op politieke, economische en zelfs militaire conflicten nam overal op de wereldbol toe. Het geheel van deze spanningen en risico’s op conflict is wat wij de ‘Koude Oorlog’ noemen. In maart 1946 beschuldigt Winston Churchill de Russen ervan een ijzeren gordijn te hebben neergelaten tussen Oost- en West-Europa, waarop Stalin repliceert dat Churchill ruzie tracht te stoken tussen twee geallieerde landen. In maart 1947 kondigt de Amerikaanse president Harry Truman de anticommunistische Trumandoctrine af en spreekt de noodzaak uit om de Sovjet-Unie op alle terreinen te isoleren. Het marshallplan (zie hoger) kadert in deze politiek. De Sovjets creëren als reactie daarop in oktober 1947 de Cominform. In juni 1948 snijdt de Sovjet-Unie de bevoorrading van West-Berlijn af. De westerse mogendheden openen een luchtbrug naar de geïsoleerde stad. De spanning stijgt ten top en Amerika voert met tien Europese landen en Canada besprekingen om de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAV O of in het Engels NA TO) op te richten. Op 4 april 1949 houden de ondertekenende landen dit anticommunistische militaire pact boven de doopvont.
Azië en de Koude Oorlog
Voor koloniale mogendheden zoals Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland werd stilaan duidelijk dat hun koloniale imperium op termijn niet houdbaar was. Vrijheidsbewegingen boekten steeds meer succes en de ene kolonie na de andere verwierf haar onafhankelijkheid. Het dekoloniseringsproces raakte echter verstrengeld met de Koude Oorlog. In het noorden van Indochina riepen de Viet Minh na de Japanse overgave de socialistisch geïnspireerde Democratische Republiek Vietnam uit, die de ambitie had heel Vietnam te bevrijden en te verenigen. Na een periode van relatieve kalmte brak eind 1946 de Eerste Indochinese Oorlog uit tussen de Viet Minh en het expeditiecorps van de Franse Unie. Frankrijk raakte verzeild in een uitzichtloze oorlog. Het lot van het expeditiecorps werd bezegeld in de slag van Điện Biên Phủ (1954), die de doodsklok luidde voor het Franse imperium in Indochina. In China brak er een burgeroorlog uit tussen de zeer sterk geworden communisten van Máo Zédōng en de Volksregering van Chiang Kai-shek. Tegen de zomer van 1949 beheersten de communisten het vasteland en op 1 oktober 1949 riepen zij de Volksrepubliek China uit. De nationalistische regering vluchtte naar Taiwan, waar zij onder de hoede van de Verenigde Staten haar wettelijk recht om geheel China te besturen staande bleef houden. Ter hoogte van de 38ste breedtegraad werd Korea in twee gesplitst. In het noorden werd de Volksrepubliek Korea opgericht onder de vleugels van de Sovjet-Unie, en in het zuiden de democratische Koreaanse republiek met de Verenigde Staten als bondgenoot. In de jaren vijftig brak een oorlog in regel uit tussen noord en zuid, en tot op heden blijven de twee Korea’s met getrokken messen tegenover elkaar staan.
Japan herwint zijn soevereiniteit
Japan en de Koreaanse oorlog
De Koude Oorlog zorgde al voor bijsturing van de Amerikaanse prioriteiten, maar de Koreaanse Oorlog leidde tot een totale ommezwaai in de relatie tussen de Verenigde Staten en Japan. Japan werd als het ware opgeëist als een volwaardige bondgenoot van het vrije Westen. Hogerop hebben we al melding gemaakt van het verbieden van de nationale staking in februari 1947, dat als een eerste teken van de heroriëntering van het Amerikaanse bezettingsbeleid gezien kan worden. Toen werd duidelijk hoe ver Amerika wou gaan met de democratische experimenten. De idealistische principes van het bezettingsbeleid kwamen in conflict met de urgentie van het economische herstel van Japan, dat als bondgenoot in de Koude Oorlog moest meedraaien. Japan was een belangrijk geopolitiek steunpunt in Azie. Amerika duwde deze ommezwaai door, tegen de wil van de andere geallieerden in. De Japanse conservatieve elite diende niet gepaaid te worden om zich achter de nieuwe oriëntatie te plaatsen. Een eveneens al vermeld signaal was de herziening van de wet op het openbare ambt, die het stakingsrecht en het recht op collectieve arbeidsonderhandelingen aan ambtenaren in openbare dienst ontzegde. SCAP adviseerde deze herziening medeom de invloed van linkse activisten uit te schakelen en de ambtenarij de kans te geven de Dodge Line uit te voeren. De oppositie trok haar conclusies en hield zich verder gedeisd om de pas bevochten verworvenheden niet kwijt te spelen. Alleen de communisten bleven hier en daar ageren. In vakbondsmiddens en in de partijen ontstond een hevige strijd om de uiteindelijke controle. Toen in 1949-1950 de ‘Rode Zuiveringen’ in de vakbonden begonnen, steunden de Amerikanen de acties, omdat ze ‘de opbouw van vijandiggezinde elementen’ niet konden tolereren. De Dodge-sanering zorgde voor verdere sociale restricties en de ultieme stap werd in 1950 gezet, toen het GH Q voorstelde de Communistische Partij buiten de wet te stellen. Het plan ging niet door maar de leiding van de partij werd opnieuw uitgezuiverd. Tokuda Kyūichi 徳田球一, secretaris-generaal van de Japanse Communistische Partij, vluchtte met andere kaderleden naar de pas opgerichte Chinese Volksrepubliek om van daaruit de partij te leiden. Op 25 juni 1950 brak oorlog uit tussen Noord- en Zuid-Korea. De VN hielp hetzuiden met troepen, vooral bestaande uit Amerikanen, terwijl China Noord-Korea steunde. De Derde Wereldoorlog leek in de maak, maar in juli 1951 kwam er een tijdelijk wapenbestand. Amerika gebruikte Japan als basis en zette de Japanse industrie aan het werk voor oorlogsproductie. De zware nijverheid genoot weldra een bloei die het vooroorlogse niveau overtrof. In Japan pleitten de Amerikanen zelfs voor herbewapening. Ze stelden voor dat Japan een leger van 350.000 man op de been zou brengen om het eigen territorium te verdedigen, en zo de Amerikaanse opdracht te verlichten. Om strategische redenen blokkeerde Japan, in de persoon van premier Yoshida, een voldragen herbewapeningsprogramma. Yoshida deed wel concessies. Hij aanvaardde Amerikaanse bases op Japanse bodem en ging over tot de oprichting van de Keisatsu yobitai 警察予備隊, een kleine politionele defensiemacht, voorloper van de Self Defense Forces, net genoeg om van de Amerikanen de belofte van Japanse onafhankelijkheid en de militaire bescherming door de Verenigde Staten los te krijgen. Conservatieve elementen die door de zuiveringen getroffen waren, kregen gratie en leden van de Communistische Partij werden geweerd uit overheidsinstellingen en belangrijke industrieel-economische concerns.
Het Vredesverdrag van San Francisco
Het uitbreken van de Koreaanse Oorlog bespoedigde de plannen om de vrede met Japan te herstellen. President Truman gaf John Foster Dulles, de latere minister van Buitenlandse Zaken, in 1950 de opdracht om met Japan een vredesverdrag te sluiten. Dulles wist precies wat hij wilde: Japan moest een anticommunistisch bolwerk worden onder de beschermende militaire paraplu van de Verenigde Staten. De Sovjet- Unie en de meeste andere socialistische landen waren gekant tegen de Amerikaanse versie van het Vredesverdrag en eisten een globale benadering van de problematiek. Ze werden hierin gevolgd door de Japanse Socialistische Partij en de overkoepelende organisatie van de vakbonden (Sōhyō 総評), die Japan een neutraal statuut wilden geven en gekant waren tegen herbewapening of het toekennen van basisfaciliteiten om buitenlandse troepen te stationeren. De Japanse regering liet zich aan de tegenkantingen uit diverse hoeken niets gelegen liggen, en Yoshida voerde exclusieve onderhandelingen met de Verenigde Staten. Op 8 september 1951 werd te San Francisco door 49 landen een vredesverdrag ondertekend, officieel ‘Treaty of Peace with Japan’ genoemd. Japan deed afstand van alle territoriale aanspraken buiten de grenzen van 1868. Okinawa bleef onder Amerikaans toezicht staan. Op 28 april 1952 werd het verdrag van kracht en werd Japan door de ondertekenende landen opnieuw als soevereine staat erkend, maar onder andere India, de Sovjet-Unie, en China sloten zich hier niet bij aan. Op dezelfde dag als het Vredesverdrag tekenden Japan en de Verenigde Staten ook een Veiligheidsverdrag, dat Japan verzekerde dat het voor zijn defensie op de Verenigde Staten mocht rekenen (Nichi Bei Anzen Hoshō Jōyaku 日米安全保障条約). De Verenigde Staten mochten troepen stationeren op bases in Japan. Dit zorgde voor grote gramschap bij de Sovjets en andere communistische staten. In de ogen van de Amerikanen en van vele Aziaten moesten de Amerikaanse troepen evenzeer dienen om Japan onder controle te houden als om zijn veiligheid te verzekeren. Ook in Japan zette het Veiligheidsverdrag veel kwaad bloed. De linkse en progressieve elementen vonden het in strijd met de grondwet, en vreesden bovendien dat de Amerikaanse troepen op Japanse bodem een gevaar waren, omdat ze als een rode lap op een stier zouden kunnen werken op Japans vijanden. Conservatieven vonden dan weer dat het Japan permanent onder Amerikaanse voogdij plaatste en blameerden Yoshida daarvoor. Yoshida was er inderdaad steeds rotsvast van overtuigd geweest dat Amerikaanse militaire aanwezigheid en een ondergeschikte plaats in een Pax Americana voor het naoorlogse Japan de meest haalbare kaart waren. Sommigen noemden dit verdrag dan ook een tweede Ongelijk Verdrag.
Dooi in de Koude Oorlog
Wapenbestand in Korea en Indochina
De spanning tussen Oost en West nam enigszins af na de wapenstilstand in Korea, maar een fundamentele oplossing of opbouw van vertrouwen bleven uit. In juli 1951 waren de bestandsbesprekingen gestart, maar pas op 27 juli 1953 konden ze worden bezegeld. In 1954 werd in Genève een conferentie over het Koreavraagstuk en Indochina gehouden. Op de besprekingen speelde China een erg partijdige rol. Het conflict in Indochina werd beëindigd, er werd een demarcatielijn vastgesteld, en verkiezingen werden in het vooruitzicht gesteld voor 1956. Cambodja, Laos en Vietnam werden soevereine staten. Op de conferentie van Bandoeng in april 1955 benadrukten 29 Afrikaanse en Aziatische landen hun ongebonden positie tegenover de twee supermachten. India, Pakistan, Indonesië, Birma en Ceylon nodigden de andere landen uit om afspraken te maken inzake economische en culturele samenwerking en om de strijd tegen het kolonialisme te coördineren.
De topconferentie van Genève
In september 1954 werd de ZOAV O (Zuidoost-Aziatische Verdragsorganisatie, South East Asia Treaty Organisation) opgericht: een losse, defensieve alliantie, om verdere communistische expansie te voorkomen en Amerikaanse invloed in Azië veilig te stellen. Foster Dulles was de voornaamste architect van dit verband van collectieve verdediging. Door de nederlaag van de Fransen bij Điện Biên Phủ was de angst voor verdere communistische expansie acuut geworden. Hoewel de Verenigde Staten de neutraliteitsclausule in de akkoorden van Genève naar de letter eerbiedigden, poogden zij toch Zuid-Vietnam bij dit bondgenootschap te betrekken. In april 1955 erkenden de westerse mogendheden door de opname van West-Duitsland in de NA TO het recht op herbewapening van dit land. Dit was voor de Sovjet-Unie en de Oostblokstaten de aanleiding om het Pact van Warschau (14 mei 1955) te sluiten. Na de dood van Stalin in 1953 was Chroesjtsjov leider van de Sovjet-Unie geworden. Hij streefde naar een vreedzame co-existentie tussen beide machtsblokken. Een vreedzame ontwikkeling zou moeten uitwijzen welke ideologie de beste was. Op de topconferentie van Genève in juli 1955 spraken de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie, Groot-Brittannië en Frankrijk over de beperking van de atoombewapening en over wederzijdse troepenvermindering. Hoewel de conferentie weinig concrete resultaten opleverde, was er toch duidelijk sprake van ontspanning, Al veranderde dit weinig in de internationale politieke verhoudingen. De deelnemers bevestigden het statusquo.
Het herboren Japan
Versteviging van het conservatieve blok
Door het Verdrag van San Francisco herwon Japan zijn soevereiniteit, al bleef het inzake internationale politiek tot op zekere hoogte onder informele voogdij van de Verenigde Staten staan. De Japanse overheid begon een aantal verworvenheden van de Amerikaanse bezetting anders te interpreteren, bijvoorbeeld de wetgeving inzake de openbare orde. Na de ondertekening van het Vredesverdrag kwam het op 1 mei 1952 tot bloedige botsingen tussen betogers en politie op een plein voor het keizerlijk paleis, waar een demonstratieverbod gold. Deze 1 meidemonstratie is de geschiedenis ingegaan als de ‘bloedige meidag’(Chi no Mēdē jiken 血のメーデー事件). Meer dan duizend personen werden voorgeleid en 261 moesten voor de rechter verschijnen. De berechting sleepte aan tot 1972 en eindigde in de vrijspraak van allen behalve zestien personen. Het incident was een welsprekend bewijs van de aversie van de conservatieven voor de linkse oppositie. De reacties tegen het Vredesverdrag en tegen de militaire verdragen leidden tot de afkondiging van repressieve maatregelen, zoals de wet op het verhinderen van destructieve handelingen (Hakai Katsudō Bōshi Hō 破壊活動防止法) en de oprichting van het Kōan Chōsachō 公安調査庁 (bureau voor Controle op de Openbare Orde). Verder werd in 1954 de politiewet herzien en werden de politiestructuren gecentraliseerd, nadat ze een tijdlang door Amerika gedecentraliseerd waren. De stap naar de herbewapening werd schoorvoetend gezet, maar door een herinterpretatie van artikel 9 van de grondwet werd het principe wel aanvaard. In 1952 werd het Secretariaat voor de Openbare Orde opgericht, waarin de Nationale Politiereserve werd ondergebracht, die nu de naam Hoan-tai 保安隊 kreeg. In 1954 sloten Japan en de Verenigde Staten een verdrag voor wederzijdse defensiebijstand (Mutual Defense Assistance Agreement: Nichi Bei Sōgo Bōei Enjo Kyōtei 日米相互防衛援助協定), dat Japan bepaalde plichten inzake verdediging oplegde. Daartoe werd in juni 1954 de ‘Zelfverdedigingsmacht’ (Self Defense Forces: Jieitai 自衛隊) opgericht onder de civiele controle van het Staatssecretariaat voor Defensie (Defense Agency: Bōeichō 防衛庁). De Zelfverdedigingsmacht werd een corps van 250.000 manschappen, met een kleine zeemacht, landmacht en luchtmacht. Om uiteenlopende redenen waren links noch rechts gelukkig met deze evolutie, wat verklaart waarom de Zelfverdedigingsmacht vrij veel civiele opdrachten diende uit te voeren.De Zelfverdedigingsmacht, het Veiligheidsverdrag en de Amerikaanse bases in Japan waren een doorn in het oog van de linkse oppositie. Het geheel druiste in tegen de geest van de grondwet en betekende een toegeving aan Amerikaanse dictaten. Tot op heden blijft de Zelfverdedigingsmacht een gevoelig en controversieel punt. Een belangrijke doelstelling van de conservatieve partijen en een van de redenen voor hun fusie in 1955, was de herziening van de grondwet. De gevolgen van de zuiveringen waren vrijwel volledig tenietgedaan, en nu moest de opgedrongen grondwet gewijzigd worden in een ‘eerbare’ grondwet (onder andere artikel 9 en het statuut van de keizer). Linkse partijen, vakbonden en culturele organisaties en groeperingen verzetten zich heftig in de ‘Nationale Liga voor het Behoud van de Grondwet’ (Kenpō Yōgo Kokumin Rengō 憲法擁護国民連合) en verhinderden dat de regering de nodige tweederdemeerderheid in het parlement kon vergaren. In de volgende jaren verminderde de conservatieve meerderheid, zodat het probleem naar de achtergrond verdween. Anno 2007, onder het kabinet-Abe, stond het echter meer dan ooit in de schijnwerpers.
Wederoptreden op het internationale toneel
In december 1954 werd Yoshida ervan verdacht hoge ambtenaren te beschermen door hen immuniteit te verlenen in een omkoopschandaal bij de scheepswerven. Dit bracht hem ten val, maar er was ook een dieperliggende reden. De Liberale Partij van Yoshida werd met scheuring bedreigd omdat Hatoyama en andere leiders die na de oorlog waren uitgezuiverd nu in ere hersteld werden en omdat Yoshida niet met hen wou samenwerken. In maart 1953 scheurden Hatoyama en zijn volgelingen zich af. Yoshida won zeer nipt de verkiezingen, zodat hij slechts tot december 1954 met een minderheidskabinet in het zadel kon blijven. In februari 1955 werd Hatoyama’s Democratische Partij de grootste. Hatoyama Ichirō bleef trouw aan de overeenkomsten met de Verenigde Staten in zijn buitenlands beleid, maar hij had een voorkeur voor geopolitieke overwegingen die niet altijd de goedkeuring van de Amerikanen wegdroegen. Japan was verplicht geweest om een vredesverdrag met Taiwan (nationalistisch China) af te sluiten, maar Hatoyama streefde naar een verbetering van de relaties met communistisch China en de Sovjet-Unie. De Amerikanen konden dit niet aanvaarden en boden veel tegenkanting, maar toch begon Japan onderhandelingen met de Sovjet-Unie, die voerden tot een gemeenschappelijke verklaring van Japan en de Sovjet-Unie (Soviet-Japanese Joint Declaration: Nis-So Kyōdō Sengen 日ソ共同宣言) in oktober 1956, die een herstel van de diplomatieke relaties mogelijk maakte. Hatoyama hechtte veel belang aan deze relaties, omdat ze Japan niet al te sterk identificeerden met Amerika in de Koude Oorlog en omdat ze internationaal eerherstel voor Japan mogelijk maakten. De onderhandelingen verliepen erg moeizaam. Rusland hield nog veel Japanners krijgsgevangen en, hoewel Japan zijn aanspraken op de Koerilen had opgegeven, bleef het beweren dat de kleine eilanden Shikotan en Habomai deel van Hokkaidō uitmaakten en dat de twee zuidelijkste Koerilen, Kunashiri en Etorofu, toch onmiskenbaar Japans waren. Rusland gaf niet toe, zodat een volwaardig vredesverdrag uitbleef, maar de normalisering van de betrekkingen verschafte Japan toch een hogere status op het internationale toneel. Nadat het in juni 1955 lid van de GA TT was geworden, kon het eind 1956 lid van de VN worden. Zo herwon het voor bijna honderd procent zijn plaats als soevereine staat op het internationale toneel. Op binnenlands vlak is 1955 een scharnierjaar. Het luidde het begin van een politiek tijdperk in dat gekenmerkt werd door een polarisering in twee blokken. De Socialistische Partij vormde opnieuw een hecht blok, na haar verscheurdheid in 1950-1951 over het vredesverdrag met de Verenigde Staten. In de verkiezingen kon ze de twee liberale partijen in het nauw drijven, zodat de Liberale Partij van Japan (Nihon Jiyū-tō 日本自 由党) en de Democratische Partij van Japan (Nihon Minshu-tō 日本民主党) besloten te fuseren tot de Liberaal-Democratische Partij (Jiyū-minshu-tō 自由民主党). Hatoyama Ichirō werd de leider van de nieuwe partij en volgde Yoshida op als premier. De fusie kreeg een duwtje in de rug van de zakenwereld, die beducht was voor de opgang van de Socialistische Partij. Vanaf dat ogenblik begon het zogenaamde ‘regime van 1955’ (Gojūgo-nen taisei 55年体制). Deze term slaat op het sterk vereenvoudigde en gepolariseerde politieke landschap dat toen vorm kreeg. Een conservatief blok stond tegenover een progressief blok, dat bestond uit socialisten en communisten. De conservatieven zouden tussen 1955 en 1993 ononderbroken aan de macht blijven. In deze periode slaagde de Liberaal-Democratische Partij erin om een duurzame samenwerking en vervlechting tot stand te brengen met de zakenwereld en met invloedrijke ambtenaren. De ambtenaren leverden deskundig advies en mankracht aan de partij. Zij schreven de wetten die de partij door de Diet sluisde, en menig ambtenaar nam ontslag om lid van de partij te worden en zich kandidaat te stellen voor een politiek ambt. Sommigen onder hen schopten het zelfs tot premier. Dit hechte en duurzame netwerk van zakenwereld, leidende ambtenaren en de Liberaal-Democratische Partij noemt men de ‘ijzeren driehoek’. De periode van alleenheerschappij van de Liberaal- Democratische Partij wordt ook wel eens als ‘het tijdperk van het eenpartijbewind’ omschreven. Hatoyama Ichirō voerde weliswaar een minder dociele koers tegenover de Verenigde Staten, maar zijn conservatieve, nationalistische opvattingen waren toch duidelijk. Hij streefde naar een herziening van de grondwet en naar het instellenvan een meer gecentraliseerd bestuur. Hatoyama, die zelf een comeback gemaakt had na eerst weggezuiverd te zijn, liet de oorlogsmisdadigers van categorie A die levenslang gekregen hadden voorwaardelijk vrij.
Hoogconjunctuur zonder weerga
Na de oorlog in Korea geraakte de Japanse economie tijdelijk weer in een crisis, die werd overwonnen door het deflatoire beleid van Yoshida, door de invoerbeperkingen en exportgerichte investeringen. Na 1954 kreeg Japan vele buitenlandse leningen en kon het onder meer door licentieovereenkomsten zijn zware nijverheid moderniseren. Van meet af aan was deze exportgericht. De welvaart overtrof vanaf 1955-56 het vooroorlogse niveau. De periode van hoogconjunctuur tussen 1955 en 1957 was zo spectaculair dat de Japanners haar ‘de Jinmu-conjunctuur’ (Jinmu keiki 神武景気) noemden, naar de mythische grondlegger van Japan, keizer Jinmu, die de troon besteeg in 660 voor Christus. De implicatie van de naamgeving was dat Japan door een hoogconjunctuur ging die sedert de legendarische stichting van het keizerrijk haar gelijke niet had. De investeringen bleven toenemen en technische vernieuwingen werden op grote schaal doorgevoerd, vooral in de sleutelsectoren. In 1957 lag de productie van de Japanse industrie driemaal hoger dan voor de oorlog. In 1958 stagneerde de economische groei even door een toename van de import. Van juni 1958 tot december 1961 maakte Japan een hoogconjunctuur van 42 maanden mee, die bekend staat als de ‘Spelonkconjunctuur’ (Iwato keiki 岩戸景気). Het was in de ogen van journalisten met gevoel voor overdrijving de grootste bloeitijd die Japan gekend had sedert de mythische tijd waarin de zonnegodin zich in een spelonk verborgen had. Het herstel en de leidende economische rol die Japan en West-Duitsland gingen spelen, nog geen twee decennia na de totale nederlaag, verrasten de hele wereld. De spectaculaire opgang van Japan was zeker deels toe te schrijven aan de ‘argeloosheid’ van het Westen. Men schoof Japan heel wat geld en technologie toe, zodat Japan aanvankelijk veel kosten voor onderzoek en ontwikkeling kon uitsparen. Bovendien voerde het een weloverwogen beleid van planeconomie binnen het kader van een orthodoxe conservatieve politiek. In de beleidsvisie van Yoshida werd de sociale ontvoogding naar de tweede plaats verwezen.
Toenemende politieke bewustwording
Het beleid van austeriteit van de conservatieve regering, de uitbouw van de Zelfverdedigingsmacht, de hernieuwde centralisering van politie en onderwijs, en de geplande grondwetsherziening, riepen heel wat georganiseerd verzet van de linkerzijde op. Reeds in 1952 vonden manifestaties plaats maar het verzet was niet gestructureerd, zodat er een scheuring kwam in de Socialistische Partij. De eerste veiligheidsovereenkomsten leidden tot massaal en erg fanatiek verzet. In het midden van de jaren 1950 ontstond in de Japanse politiek een nieuwe stroming die men later het pluralisme is gaan noemen, een beweging die moeilijk te omschrijven valt als links of rechts, pro- of anti-Amerikaans. Amerikanen en Russen waren immers vanaf 1955 begonnen aan een wedloop in kernbewapening en ze hielden vele kernproeven die in Japan met afgrijzen werden bekeken. In augustus 1955 werd voor de eerste maal in Hiroshima een massameeting georganiseerd die een wereld zonder kernwapens eiste (Gensuibaku kinshi sekai taikai 原水爆禁止世界大会). Dit bracht een beweging op gang, waarvan de invloed tot op heden een constante in de Japanse politiek is gebleven. De omvang ervan dwong de conservatieven toezeggingen te doen in verband met de ontwikkeling van kernenergie, en hield de overheid aan het verbod om kernwapens te installeren op Japanse bodem. In december 1956 trad de bejaarde Hatoyama, die heel wat diplomatieke successen had behaald, af en werd hij opgevolgd door Ishibashi Tanzan, die reeds na twee maanden, omwille van ziekte, het roer uit handen moest geven aan Kishi Nobusuk 岸信介 (1896-1987), een van de merkwaardigste figuren in de geschiedenis van het moderne Japan. Hij was een notoir anticommunist en was als oorlogsmisdadiger veroordeeld. In de jaren dertig was hij een van de topfiguren in het burgerlijk bestuur van Mănzhōuguo. Onder Tōjō Hideki was hij minister van Buitenlandse Zaken en bijgevolg medeondertekenaar van de oorlogsverklaring aan de Verenigde Staten. Hij zat drie jaar in de gevangenis, maar werd gerehabiliteerd in 1952. Hij sloot zich noch bij de factie van Hatoyama noch bij die van Ikeda aan, maar was in feite in beide kampen actief. Zo slaagde hij erin amper vijf jaar na zijn rehabilitatie eerste minister te worden tijdens een van de meest bewogen periodes in de naoorlogse Japanse geschiedenis. In februari 1957 werd Kishi voorzitter van de Liberaal-Democratische Partij en premier. Hij is vooral de geschiedenis ingegaan als de architect van het hernieuwde veiligheidsverdrag met de Verenigde Staten in januari 1960 (Nichi Bei Anzen Hoshō Jōyaku no Kaitei 日米安全保障条約の改定). Hij voerde een vijandig beleid tegenover communistisch China, geheel zoals de Verenigde Staten het wensten en tegen het open bilaterale beleid van Hatoyama in. Op binnenlands vlak stimuleerde hij de economie en trachtte hij de democratische verworvenheden terug te schroeven, waarin hij slechts gedeeltelijk slaagde. Hij slaagde erin op brutale en achterbakse wijze het veiligheidsverdrag in de Diet te laten goedkeuren. Het verdrag stuitte op veel verbaal en parlementair verzet en zelfs binnen de rangen van de Liberaal- Democratische Partij waren de meningen zeer verdeeld. Daar kwam nog bij dat Kishi het verdrag goedgekeurd wou zien voor de komst van president Eisenhower. De goedkeuring kwam er uiteindelijk toch, omdat Kishi enkele honderden politiemannen in het parlementsgebouw posteerde om de oppositie het spreken te beletten. Het voorstel werd meerderheid tegen oppositie aangenomen. Door dit manoeuvre verloor hij wel zijn geloofwaardigheid, zelfs in de financiële kringen. De wekenlange demonstraties van oppositie, studenten, vakbonden, ... kostten hem uiteindelijk het premierschap. Bovendien zegde Eisenhower zijn bezoek wegens de hevige rellen af. Het lijdt geen twijfel dat het verdrag er hoe dan ook gekomen zou zijn, maar de wijze waarop Kishi de parlementaire procedures met de voeten trad, maakte hem persona non grata bij brede lagen van de bevolking. De massale demonstraties tegen het veiligheidsverdrag (Anpo tōsō 安保闘争) en de hoge mate van politieke bewustwording bij grote groepen in de samenleving markeren het jaar 1960 als het roerigste jaar in de Japanse naoorlogse geschiedenis. Het betekende voor Japan wat ‘Parijs 1968’ voor Frankrijk betekende.

