De opbouw van het nieuwe Japan
Uit GeschiedenisJapan
Leidraad
Voor Japan was de nederlaag en de allereerste bezetting in de lange geschiedenis van het Keizerrijk een traumatische ervaring. Bovendien bleek, na jaren van militair bombast, hoe het land ook economisch to- taal aan de grond zat. Economische stabiliteit was de eerste prioriteit. Hiervoor was Japan totaal overgeleverd aan de V.S. die zorgden voor de voedselbevoorrading, maar tevens een sterk gecontroleerd financieel beleid voerden. Op die wijze werd de naoorlogse inflatie tegen 1951 onder controle gebracht. Parallel met de financieel-economische her- vormingen kwamen er politieke hervormingen, op basis van een nieuwe grondwet. Op regionaal niveau liepen de hervormingen moeilijker. Er was verzet van mensen die de nederlaag niet konden aanvaarden maar ook radicale groepen die diepgaandere hervormingen eisten, zorgden voor spanningen.
Organisatie en fundamentele oriëntatie van de bezetter
Uitgangspunten van het bezettingsbeleid
Theoretisch lag de basis voor het bestuur vast in de Verklaring van Potsdam, maar praktisch gezien werd vrijwel alles georganiseerd door de hoofdzakelijk Amerikaanse “S.C.A.P.” (Supreme Command of the Allied Powers). De basisgedachten waren de demilitarisering en de invoering van democratische principes. In september 1945 werd een programma opgesteld Materiële afbouw van het leger
- Berechting van oorlogsmisdadigers en aanmoedigen van democratischetendenzen.
- Omschakelen van de productiecapaciteit op vreedzame doeleinden
- Pas opheffen van de bezetting nadat een democratische regering stevig ingebed zou zijn.
Organisatie van de bezetting
Het merendeel van het bezettingsleger bestond uit Amerikanen, aange- vuld met een miniem aantal Australiërs. De facto begon de bezetting in augustus 1945 en in october werd officieel het General Head Quarters 連合 国軍総司令部 - Rengōkokugun sō Shireibu, het hoofdkwartier van de SCAP = 連合国軍最高司令官- Rengōkokugun Saikō Shireikan in Tokio geïnstalleerd onder bevel van Generaal Douglas MacArthur マッカーサー元帥 (1860-1964). Daarnaast werden er twee internationale lichamen gesticht om de bezetting te beoordelen.
Het hoogste van de twee werd in Washington gevestigd en bestond uit vertegenwoordigers van alle landen die tegen Japan gevochten hadden: de Far Eastern Commission 極東委員会- Kyokutō Iinkai. Daarnaast was er de Allied Council of Japan in Tokio, 対日理事会- Tainichi Rijikai. Aangezien de V.S. als belangrijkste overwinnaar en met het prestige de enige atoommacht te zijn een vetorecht hadden in de besluitvorming was het de facto MacArthur die vanuit het G.H.Q. de reële bezetting, de bevelen en de richtlijnen naar de Japanse overheid toe bepaalde. Hij werd dan ook Shogun genoemd door de Japanners.
De Amerikanen organiseerden de bezetting als een enorme show. De Russen wilden geen troepen onder Amerikaans bevel plaatsen en Chiang Kai-shek geraakte steeds meer verstrikt in een slecht evoluerende oorlog tegen de communisten. We mogen achteraf zeggen dat FEC en ACJ uiteindelijk "window-dressing" waren om de bezetting toch internationale allure te geven. De oprichting van beide lichamen werd op 27 december 1945 in Moskou bekendgemaakt. De ACJ evolueerde tot een forum waar Russen en Amerikanen hun ideologische ruzies uitvochten en door het vetorecht in de FEC was ook dit beleidslichaam machteloos.
Omdat de Amerikanen wel beseften dat ze veel moeilijkheden zouden krijgen als ze het bestuur volledig in eigen handen zouden nemen - denken we alleen al maar aan het enorme taalprobleem - besloten ze de uitvoering van het beleid aan de Japanners over te laten. Aanvankelijk ontscheepte er een ware zondvloed van Amerikaanse en Australische troepen, om te tonen dat elke vorm van verzet nutteloos zou zijn. Tegelijkertijd werd in Tokio een enorm bureaucratisch apparaat uitgebouwd om de Japanse administratie te controleren. Ook in de regio's werden kleine teams gevestigd om de resultaten van de hervormingen na te gaan. In het begin bestond het hele apparaat uit militairen, maar na verloop van tijd werden vele burgers aangeworven, al bleef het geheel tot het einde op militaire leest geschoeid. Welke redenen men ook had om de Japanse administratie te gebruiken, en hoe "oprecht" de Japanse medewerking ook was, toch had deze handelwijze de facto twee gewichtige gevolgen voor de reikwijdte van de voorgestelde hervormingen. Vooreerst werd er een enorme contradictie geschapen: een belangrijk deel van de Japanse elite kreeg als opdracht zowel het land als de eigen klasse te zuiveren en te democratiseren. Zowel opdracht als het vertrouwen dat in de uitvoering gesteld werd, zou totaal misplaatst blijken. Reeds tegen het einde van de jaren veertig waren de Amerikanen er meer op uit om van Japan een betrouwbare bondgenoot te maken tegen het Chinese en Russische communisme dan een echt democratisch land. Democratiseringsplannen werden afgezwakt, rechtse elementen uit de politieke partijen en mensen die in de oorlog belangrijke functies hadden bekleed kregen een kans op rehabilitatie, terwijl de voorstanders van echte democratie en communisten tot zwijgen werden gebracht. In dat licht moeten we het verbod van MacArthur voor een algemene vakbondsstaking in 1947, het slechts gedeeltelijk ontmantelen van de zaibatsu, het gebrek aan politieke zuiveringen, enz. beschouwen. Anderzijds werd een "Rode zuivering" in 1950 aangemoedigd door de Amerikanen.
Ontmanteling van oude instellingen
De 5 grote hervormingslijnen
Onmiddellijk na de oorlog, tot ongeveer 1947-48, koesterde de bezetter wel degelijk de hoop Japan diepgaand te democratiseren, er als het ware een politieke proefbuisbaby van te maken. Dit wordt bewezen door een vloed van plannen en richtlijnen die vanuit het G.H.Q. naar de Japanse overheid werden geseind. Ook de invloed van de Amerikanen op de nieuwe wetgeving en vooral op de nieuwe grondwet wijst in deze richting. In october 1945 trad het capitulatiekabinet Higashikuni af en er werd een nieuwe regering gevormd onder Shidehara Kijurō de militair die voor de oorlog de Japanse buitenlandse politiek had gestroomlijnd en voor de Amerikanen geen onbekende was. Hij moest de richtlijnen van het hoofdkwartier in daden omzetten. De vijf voornaamste waren :
- Erkenning van de positie van de vrouw door haar stemrecht toe te kennen.
- Aanmoedigen van het oprichten van vakbonden.
- Democratiseren van het onderwijs.
- Afschaffen van alle repressieve instellingen en gebruiken.
- Democratiseren van het industrieel-economisch complex.
Ondanks alle kritiek kan men niet ontkennen dat het sociaal-economisch leven in Japan hierdoor een evolutie ten goede onderging, vooral vanuit het standpunt van de individuele burger.
Ontmanteling van het Japanse Keizerrijk
Op 1 januari 1946 proclameerde Keizer Hirohito, middelpunt van het militaristisch denken, dat hij geen goddelijk wezen was, maar een mens. Een belangrijk deel van de hoge adel werd, samen met de vele privileges, door hem afgeschaft. Deze verklaring en de voorbeeldige samenwerking met generaal MacArthur hebben waarschijnlijk hemzelf en het Keizerlijk huis als instelling gered. De Amerikanen besloten hem omwille van zijn moreel gezag te behouden als boegbeeld van de Japanse natie.
Korea werd onafhankelijk, Taiwan werd aan China overgedragen, de Koerilen en Sakhalin kwamen onder Russische bezetting. Een groot deel van de kleine eilandarchipels kwam onder Amerikaans bestuur, terwijl ook Okinawa door de in 1945 opgerichte Verenigde Naties als protectoraat aan Amerika werd toegewezen.
Het Japanse leger werd ontmanteld en alle ex-militairen uit het buitenland gerepatrieerd. Oorlogsmisdadigers en oorlogsleiders werden gearresteerd en berecht. Ze werden ingedeeld in categorieën. Categorie A omvatte de voornaamste verantwoordelijken. Zij werdenberecht door het 極東軍裁判所-Kyokutōgun Saibansho, Militair Tribunaal voor het Verre Oosten. In het tribunaal zetelden rechters uit de elf landen die tegen Japan oorlog gevoerd hadden. De Australier William Webb was er de voorzitter van en als openbaar aanklager werd de Amerikaan Joseph Keenan aangeduid. De hoorzittingen begonnen in mei 1946 en de vonnissen werden in november 1948 uitgesproken. Van de 28 beschuldigden werden er 25 schuldig bevonden. Zeven onder hen werden tot de strop veroordeeld, met name Tōjō Hideki (oorlogspremier), Doihara Kenji, Hirota Kōki (Minister van Buitenlandse Zaken en radicaal volksmenner die opriep om de totale oorlog vol te houden), Itagaki Seishirō (generaal, aanvoerder van de expeditielegers in China en Singapore), Matsui Iwane (verantwoordelijk voor de slachting in Shanghai), Kimura Heitarō (vice-premier onder Tōjō) en Mutō Akira (generaal in Sumatra en de Filippijnen). In december 1948 werden de vonnissen voltrokken.
Alle bestuurlijke instellingen die banden met het leger of de politien hadden, werden opgeheven (b.v. de ideologische politie, het House of the Privy Seal, dat als een fascistisch bestuursorgaan werd omschreven). Ook fascistische organisaties werden ontmanteld, zoals de Taisei Yokusan-kai, na de oorlog snel omgedoopt in 大日本政治会- Dainihon Seiji kai.
De oorlogswetgeving en allerlei directieven, zoals de Wet inzake de openbare orde, werden nietig verklaard.
Er vonden zuiveringen plaats onder politieke en ideologische misdadigers, en ook onder de bestuurders en bij de administratie. Adellijke rangen en prerogatieven werden opgeheven. Shintō-heiligdommen werden geprivatiseerd en ontvingen geen staatssubsidies meer.
In het onderwijs werd het respectvol hardop lezen van Keizerlijke edicten, het vak Moraal en de vakken Aardrijkskunde en Geschiedenis verboden. Later werd Maatschappijleer ingevoerd als een groepering van geschiedenis en aardrijkskunde, maar ondertussen werden beide vakken opnieuw gesplitst.
Maatregelen ter democratisering van de maatschappij en de instellingen
Hervormingen in het kiesstelsel
De politieke partijen die in de oorlogsjaren waren opgeheven, werden opnieuw actief in 1945. Naast het feit dat de conservatieve partijen het meeste spankracht bleken te hebben (steun in administratie, politieke ervaring en netwerk waren belangrijk voor het heropstarten. Bovendien waren vrijwel alle linkse activisten geliquideerd).
Mannen en vrouwen kregen gelijke rechten te beginnen met stemrecht. De kiesgerechtigde leeftijd werd op 20 jaar gebracht. Ook werd de kieswetgeving zodanig herzien dat zowel mannen als vrouwen zich op 25-jarige leeftijd kandidaat mochten stellen: 改正選挙法- Kaisei Senkyo hō. Op basis van deze hervormingen werden in april 1946 de eerste naoorlogse algemene verkiezingen gehouden. In die stemmenslag wonnen 6 communisten en 39 vrouwen een zetel in de Diet.
Ook op regionaal niveau werden de belangrijkste bestuurlijke en politieke functies gezuiverd. De posities van provinciegoeverneur en leden van onderwijscomités werden afhankelijk gemaakt van verkiezingen, wat democratisering op de lagere niveaus ook een reële kans gaf.
onderwijshervormingen
Het ultranationalistisch en militaristisch opgevatte onderwijssysteem werd grondig herzien. De Amerikaanse instellingen dienden als voorbeeld. Reeds in 1946 bezocht een Amerikaanse delegatie van specialisten Japan en adviseerde het Japan het Amerikaanse 6-3-systeem van onderwijsplicht in te voeren. Deze idee werd opgenomen in de in maart 1947 gepromulgeerde 教 育基本法- Kyōiku Kihon hō en de 学校教育法- Gakkō Kyōiku hō. In april van dat jaar werd volgens het principe 6-3-3-4 gemengd onderwijs aanvaard en het vak Maatschappijleer ingevoerd. Ook de onderwijsadministratie werd grondig hervormd. Op prefecturaal en stedelijk niveau werden de onderwijsraden 教育委員会- Kyōiku Iinkai opgericht, waarvan de raadsleden moesten gekozen worden door het volk. Zo kwam er een grotere decentralisering en een verminderde invloed van het Ministerie. Later zou die invloed toch gerestaureerd worden.
Ontmanteling van de zaibatsu
In november 1948 nam het G.H.Q. het besluit de economische motoren van de Japanse economie te ontmantelen. Alle aandelen en titels van Mitsui, Mitsubishi, Sumitomo en Yasuda, alsook de titels die door deze 4 holdings in bezit bevroren waren, werden openbaar gemaakt. Vervolgens werd het aan de Japanse overheid overgelaten om al de titels van 83 overheidsholdings en 56 aan de zaibatsu geallieerde bedrijven van de hand te doen. Om allerlei redenen werd de ontmaneling niet grondig uitgevoerd. Een van de redenen was het anticiperend optreden van de Japanse zaibatsu zelf. Yasuda kwam met een voorstel tot zelfopheffng op de proppen, waardoor het een verregaande uitverkoop voorkwam. De top van de piramide verdween, maar de onderliggende kaders werden gespaard. Het plan werd door MacArthur aanvaard, maar werd door de Japanse overheid slechts stapsgewijs uitgevoerd, samen met een zuivering van het zakenpersoneel. Formeel verdween een van de allergrootste conglomeraten, maar de magnatenfamilies werden door anonieme beheerraden vervangen en structureel was er zo weinig veranderd dat in 1947 al een wetgeving moest ingevoerd worden om het opnieuw ontstaan van de conglomeraten te beletten.
Hoe weinig ingrijpend het Yasuda-plan was, blijkt uit andere voorstellen zoals het Pauley-report dat een lange lijst van fabrieken opsomde die in Japan konden afgebroken worden en naar de buitenlandse verwoeste industriegebieden konden overgeplaatst worden. Japan bezat immers, ondanks de grote verwoestingen vooral tijdens de bombardementen van de laatste oorlogsjaren, een overcapaciteit, die voor de burgereconomie niet nodig was. In 1947 was de Japanse economie nog niet grondig hervormd. De voor naamste reden was dat de hervormingen van de kaders op zich lieten wachten. Bovendien werden de zaken steeds gecompliceerder. Amerika begon ook over te hellen tot de overtuiging dat de Japanse economie niet mocht worden verzwakt. Hierbij speelde de verkoeling van de relaties tussen de V.S. en de S.U. uiteraard een grote rol maar er was ook druk van Amerikaanse beleggers die in de zaibatsu geinvesteerd hadden. Tenslotte werd ook nauwelijks geraakt aan de banken die een spilrol vervulden in de zaibatsu. In 1947 werd de 独占禁止法- Dokusen Kinshi hō uitgevaardigd om nieuwe monopolies, oneerlijke concurrentie, hergroepering van conglomeraten te beteugelen. In feite bestendigde deze wet de status quo.
Hervormingen in het bezit van landbouwgrond
Wegens de politieke winst van de conservatieven konden hier wel belangrijke hervormingen gerealiseerd worden.
Japan kende tot na de oorlog vele parasiterende grootgrondbezitters die zelf geen landbouwactiviteiten uitvoerden. Daartegenover stond een grote massa kleine boeren en pachters, die voor het gebruik van de grond pacht verschuldigd waren in natura, in karweien of in geld. De Amerikanen waren ervan overtuigd dat de afhankelijkheid van die kleine landbouwers, en vooral van diegenen die te weinig grond bezaten om over een stabiel inkomen te beschikken, een hoeksteen was van de voortwoekerende feodaliteit in de regio's. Het G.H.Q. baseerde zijn hervormingsplannen bijgevolg op twee pijlers:
- Bescherming van de kleine pachters.
- Onteigening van alle gronden die niet door de eigenaars werden bewerkt. In december 1945 begon de Diet aan een voorzichtig doorvoeren van
enkele wijzigingen. Landeigenaars mochten 5 hectaren grond onvoorwaardelijk houden en 40 procent van alle gepachte gronden zou, over vijf jaar gespreid, geprivatiseerd worden. Dit ging niet ver genoeg voor de Amerikanen, zodatde eerste echte hervormingen dateren van februari 1946. Inhoudelijk verliep ze als volgt:
- De eigenaars mochten slechts een deel van hun gronden verpachten, en afwezige eigenaars werden onteigend.
- Pacht mocht voortaan alleen in baar geld betaald worden en er werd een limiet aangegeven waarboven men niet mocht gaan.
De concrete uitvoering had evenwel heel wat voeten in de aarde. Er was tekort aan controleurs en coordinatie, er ontstonden controversen over wat precies als landbouwgrond moest beschouwd worden, of er geen verworven rechten konden gelden, enz. Eigenaars probeerden pachters op te zeggen om zelf de gronden te bewerken. Anderen wilden hun pachters dwingen om gronden te kopen. Locale toepassingen van de wet moesten uiteraard door locale comités worden bepaald en de interpretatie wilde wel eens verschillen afhankelijk van de samenstelling van die comités. Omdat de Allied Council of Japan landbouwhervormingen heel belangrijk bleef vinden werd vanaf october 1946 een grondiger herverdeling opgezet, gebaseerd op de 自作農創設特別措置法- Jisakunōsō Setsu Tokubetsu Sochihō. In maart 1949 werd ze als voleindigd beschouwd. De inhoud was veel preciezer en de zaken werden grondig behandeld.
- Landeigenaars die in de landbouwgemeenschap zelf leefden en werkten mochten slechts 1 hectare (町- chō) als pachtland bezitten, de rest kocht de
staat op en werd aan de pachters doorverkocht (in Hokkaidō was de norm 4 hectaren).
- Pachtgelden mochten niet meer dan 25 procent van de opbrengst bedragen en moesten in geld worden betaald.
- Om de toepassing van de herverdeling eerlijk te doen verlopen, werd de samenstelling van de 農地委員会- Nōchi Iin kai gereglementeerd: 5 pachters,
3 landeigenaars, 2 zelfstandige boeren. Naargelang de houding van de zelfstandige boeren lukte de herverdeling op de ene plaats al beter dan op de andere. Het gevolg was dat op zo'n 4 jaar tijd 80 procent van de verpachte gronden werd geprivatiseerd. In feite werd het aantal pachters zo gering dat de klasse als dusdanig verdween. Toch verdwenen de feodale relaties niet helemaal. Vele boeren slaagden er niet in voldoende grond bijeen te krijgen om in hun eigen onderhoud te voorzien en moesten dus in loondienst gaan bij de vroegere eigenaars. Nogal wat gewone grond, die niet onder de herverdeling viel, werd nu pas in cultuur gebracht. Vooral in afgelegen gebieden waren de boeren nog steeds aangewezen op de toestemming van de heer b.v. voor het rapen van sprokkelhout in diens bossen. Toch betekende het resultaat van de hervomringen globaal genomen een geweldige revolutie op het platteland.
Ontvoogding van de arbeiders
De Amerikanen eisten dat in een eerste fase vakbonden opgericht moesten worden en garanties afgesproken omtrent de bestaanszekerheid van de arbeiders. In 1945 werd het verenigingsrecht van de arbeiders erkend.Op last van het G.H.Q. werd de Japanse overheidverplicht drie wetten te promulgeren.
- 労働組合法- Rōdō Kumiai hō (december 1945) garanties voor het verenigingsrecht en het bespreken van groepseisen in onderhandelingen.
- 労働関係調整法- Rōdō Kankei Chōsei hō(september 1946) mechanismen voor het regelen van arbeidsdisputen, b.v. via comités.
- 労働基準法- Rōdō Kijun hō april 1947) verzekering van het recht op arbeid en bestaanszekerheid.
Niettegenstaande het geringe enthousiasme van de Japanners (wat b.v. blijkt uit de data van de wetten) zorgde de steun van de Amerikanen voor een eruptie van vakbondsactiviteiten tijdens de eerste maanden van de bezetting. Gevangen leiders kwamen vrij, bonden werden opgericht en er werd gretig gebruik gemaakt van de verworven vrijheden : stakingen, betogingen, langzaamaanacties, productiecontroles, enz. tot de Amerikanen zelf vonden dat vele activiteiten te sterk communistisch gekleurd waren, zodat ze hun steun aan de democratiseringsbeweging verstrakten. Dit bood de Japanse conservatieven dan weer de gelegenheid om linkse elementen uit te schakelen tijdens de zogenaamde "Red Purge".
Een nieuwe grondwet voor Japan
In october 1945 werd de Meiji-grondwet onwettig verklaard door het G.H.Q. en het Shidehara-kabinet moest een nieuwe grondwet ontwerpen. In januari 1946 was het ontwerp klaar en werden voorstellen van politieke partijen en andere burgerlijke verenigingen genoteerd. Aangezien deze voorstellen al te conservatief waren, legde het G.H.Q. de zogenaamde \MacArthur Note" voor met drie centrale verplichtingen:
- De Keizer kreeg geen enkele autoriteit toegewezen.
- Het op de been brengen van een leger en oorlog om de wil van de staat op te leggen waren taboe.
- Japan moest grondig worden gedemocratiseerd, bijgevolg dienden alle feodale rechten en plichten van individuele burgers afgeschaft te worden.
Met geringe wijzigingen werd het voorstel in november 1946 door de Diet aanvaard en op 3 mei 1947 trad de nieuwe grondwet in voege. Naast hogervernoemde centrale punten wijzen we op de belangrijke invloed van de Amerikaanse bezetter die reeds dadelijk blijkt uit het taalgebruik. De belangrijkste hervormingen die deze grondwet bevat zijn :
- Soevereiniteit voor het volk.
- Eeuwig afzien van oorlog als middel om internationale geschillen op te lossen
- De Keizer wordt het symbool van de staat, overeenkomstig de algemene wil van het volk, maar zonder verdere bevoegdheden.
- De Diet is de hoogste instantie waarin de soevereiniteit van het volk tot uiting kan komen.
- Het Hogerhuis wordt voortaan op basis van algemene verkiezingen samengesteld.
- De Eerste Minsiter wordt door het parlement verkozen. De Keizer bekrachtigt zijn aanstelling.
- Fundamentele burgerrechten moeten geerbiedigd worden.
- De gelijkheid van man en vrouw wordt gewaarborgd en het gezin wordt als kern van de maatschappij, i.p.v. de clan, beschermd.
Ondanks de democratiserende effecten bestaat er nogal wat kritiek op de inhoud van de grondwet en op de manier waarop ze tot stand kwam. MacArthur stelde het voor alsof de Keizer en de regering ze aan het Japanse volk schonken. Het werd reeds nu duidelijk dat de Keizer niet zou vervolgd worden wegens oorlogsmisdaden, meer nog, hij zou niet tot aftreden gedwongen worden. Misleidend was dat aan de Japanse overheid een actieve rol werd toegekend bij het tot stand komen van deze grondwet, wat helemaal niet het geval was. Vrijwel de volledige tekst werd in "vreemdelingen- Japans" geschreven en als dusdanig opgedrongen aan de regeringsleiders onder het dreigement dat de Amerikanen ze anders rechtstreeks aan het volk zouden voorleggen. Dan zou blijken hoe weinig gehaast de Japanse leiders de democratie hadden ingevoerd. Verder werd opgemerkt dat de Amerikanen in feite het Japanse nationalisme ondersteunden door de grondwet te laten afkondigen als een geschenk van Keizer en regeringsleiders aan het volk. Hiermee was Amerika voortaan gebonden aan de persoon van de "mensgeworden" Keizer.Ook het pacifistisch artikel 9 wordt als zinloos verweten. Zodra de onafhankelijkheid van Japan werd erkend, werd het reeds ter discussie gesteld en de hedendaagse realiteit toont aan dat het land toch aan herbewapening toe is, zelfs al mag het nooit nog een oorlog beginnen. Overigens, wat is "beginnen"?
Het nieuw burgerlijk wetboek
Het traditionele clan-familiesysteem was patriarchaal. Het clanhoofd of 戸主- koshu had haast absolute zeggenschap in het bestuur van de clan en alles werd geregeld vanuit het oogpunt van de gehele clan. Na het wegvallen van de pater familias nam de oudste zoon van het \hoofdhuis" de rol van clanhoofd over. De positie van de oudere zonen, en van jongens in het algemeen was zeer gerespecteerd en vrouwen werd aangeleerd zich te schikken in hun ondergeschikte positie. Na de oorlog werd het hele stelsel formeel en juridisch grondig herzien. Het nieuwe juridische concept werd de gelijkheid van man en vrouw 男女同権- Danjo dōken, ook als gehuwd paar binnen het gezin. Dit had zijn invloed op het erfenisrecht, dat voortaan naar Westers model werd opgesteld (b.v. eerst de echtgenote 5O procent vervolgens de kinderen, enz.) Huwelijken konden voortaan alleen plaatsvinden met wederzijdse goedkeuring. Traditioneel en sociaal gesproken staat de familie nog steeds in hoger aanzien dan bij ons, al speelt de minder goede organisatie van de welzijnssector hier ook een rol.
Hervormingen van het regionaal bestuur
Om de wil van het volk in het gewestelijk politiek beleid tot uiting te doen komen, werd de 地方自治法- Chihō Jichi hō uitgevaardigd die de bestuursfuncties van regionale zelfstandige raden verkiesbaar maakte en "ontzettingsprocedures" リコール制- rikōru sei in het leven riep. De politie werd gedecentraliseerd. Elke regio kreeg eigen verantwoordelijkheid voor een politiecorps, dat eventueel voor de coordinatie kon bijgestaan worden door de nationale politie. Het ging werkelijk om een verregaande decentralisatie, die evenwel na de onafhankelijkheid van Japan door de conservatieven werd ongedaan gemaakt. Hoewel de vrees voor een opnieuw opdoemen van een vooroorlogs centraal politie-apparaat ongegrond is gebleken, is de organisatie van het huidige politiecorps sterk centraal gecoordineerd.
De economische wederopbouw onder de Amerikaanse bezetting
Voedseltekorten en stagneren van de voedselproductie
Vlak na de oorlog werd Japan getroffen door grote voedseltekorten, omwille van de oorlogsschade, de gebrekkige productie en vooral het stopzetten van de import. De gekoloniseerde gebieden weigerden nog iets te leveren aan Japan. In de stedelijke gebieden waren de problemen het grootst. De Japanse overheid dwong de landbouwers hun opgepotte voorraden te verkopen en riep daarnaast de hulp in van het G.H.Q. De ontevredenheid van het volk steeg en in mei 1946 braken er ernstige rellen uit 米よこせ- Kome yokose (Geef ons rijst) die de bedeling en de distributie in vraag stelden. Betogingen en petities aan de Keizer werden door de Amerikanen met gemengde gevoelens bekeken, maar toen bleek dat relletjes en stakingen werden georganiseerd door linkse activisten, stond Amerika helemaal voor het dilemma: enerzijds stimuleerden ze vrije vakbonden, anderzijds vreesden ze het communisme. Van toen af organiseerde het G.H.Q. wel betere rantsoenbedelingen.
Ook qua grondstoffen zat Japan in een lastige situatie. Er heerste een grote crisis in de productie van steenkool, ijzer, electriciteit, ... Alle sleutelindustrie en zaten ingekapseld in de zaibatsu-monopolies, die zelf geen initiatief namen om de crisis op te lossen, officieel omdat de aandeelhouders niet wisten hoever de Amerikaanse aanvaarding van trusts zou gaan, maar officieus omdat ze wilden laten voelen hoe onmisbaar ze waren in het Japanse bestel. De overheid speelde een erg dubieus spel, aangezien ze de zaibatsu miljarden Yen uitbetaalde om de geleden oorlogsschade te boven te komen, hun fabrieken te herbouwen en de productie weer op gang te brengen. De bedrijven gebruikten het geld vooral om structurele verschuivingen voor te bereiden, zuiveringen tegen te houden en zich onmisbaar te maken in de economische wederopbouw van Japan. Door de grote bedragen die het 復興金融金庫- Fukkō Kinyū kinko kredietenfonds keerde deze bedragen uit. De Staat kwam zo in grote geldnood wat prijsstijgingen en in atie veroorzaakte. Deze werden niet doeltreffend bestreden omdat Japan wel inzag dat de economische wederopbouw de Amerikanen nauwer aan het hart lag dan de hervormingen op sociaal vlak. De arbeiders en burgers waren eens te meer de dupe.
Toenemende inflatoire spiraal
Voor het einde van de oorlog was de inflatie reeds flink bezig, maar het deficit-spending van de overheid na de capitulatie om de economie te doen heropleven, zorgde voor het doldraaien van de monetaire situatie. Het eerste jaar na de oorlog verzevenvoudigde de prijzen. Om dat enigszins in te dijken, werden in februari 1946 financiële noodmaatregelen 金融緊急措置令- Kinkyū Kinkyū Sochi rei getroffen. De burgers werden verplicht te leven van 500 Yen per maand, lonen en spaardeposito's werden geblokkeerd, het in omloop zijnde volume aan Yen werd met drie kwart gereduceerd, maar het bleef allemaal zonder veel resultaat. Na één jaar was de situatie even erg als in 1946. In de eerste fase lag de uitvoering van het anti-inflatie-beleid in handen van Yoshida Shigeru 吉田茂(1878-1967) die als een van de belangrijkste maatregelen de hogervernoemde kredieten voor de wederopbouw introduceerde, om een gerichte economische productie op gang te brengen. Deze maatregelen joegen de in atie eerder omhoog.
Een groot obstakel vormden de financiële kringen. De overheidsmaatregelen waren op zich zinvol: een strikt industrieel beleid gericht op het produceren van de levensnoodzakelijke producten, het verminderen van de overheidsuitgaven om de in atie te beteugelen, het rantsoeneren van voedsel en andere producten om de import tot het voornaamste te beperken en de stadsbevolking te kunnen voeden. Alles was erop gericht de afhankelijkheid van de Amerikanen niet te groot te maken, wat vooral in conservatieve kringen als zeer belangrijk werd beschouwd. Zolang de zakenwereld niet zeker was in hoeverre hij zou kunnen ontsnappen aan de oorlogsrepressailles, was dit programma moelijk uitvoerbaar. In de ogen van de bedrijfsleiders hadden investeringen die het risico liepen later onteigend te worden geen zin. Bovendien bleven de concerns de meeste productiemiddelen en voorraden beheren, zolang er geen zuiveringen werden doorgevoerd. Inflatie was voor hen interessant omdat de waarde van hun stocks en kapitalen erdoor vermeerderde. Bovendien deinsden ze er niet voor terug prijsverhogingen door te voeren waar mogelijk.
Amerikaanse hulp en vermaningen
Het jaar 1947 is zeer belangrijk om de verdere uitwerking van het programma van de bezetting te evalueren. We moeten evenwel verder kijken dan naar Japan alleen. Op politiek vlak ontstond er een tegenstelling in Amerika. Groeperingen met belangen in de Japanse industrie begonnen de hervormingen af te remmen en stilaan kwam het G.H.Q. onder de invloed van "realisten" uit de zakenwereld die zich distancieerden van het "democratisch experiment" van de militairen en de ambtenaren. Het argument dat de Amerikanen als overwinnaar zich niet moesten bekommeren om de wederopbouw van Japan vond veel weerklank, maar de basisreden van de koerswijziging was politiek. Amerika begon Japan te zien als een voorpost tegen de toenemende invloed van de S.U. in het Verre Oosten. Op 12 maart 1947 werd een sterk, welvarend en kapitalistsich Japan in de Truman-doctrine opgenomen. Op 5 juni van hetzelfde jaar herhaalde het Marshall-plan deze visie.
Expliciet werd in deze plannen gesteld dat elk land dat zich bedreigd voelde doorhet communisme voortaan een beroep kon doen op de financiële en de economische steun van de V.S. Er werd zowat 400.000.000 $ ter beschikking gesteld. Deze ommezwaai in het beleid had wereldhistorisch belang. Sinds 1823 had de isolationistische Monroe-doctrine, ondanks twee wereldoorlogen, de grondslag gevormd van de Amerikaanse buitenlandse politiek. Nu werd deze politiek opgegeven en concentreerde Amerika zich op het economisch herstel van Europa, Japan en andere landen om de S.U. tegen te houden. We kunnen dit samenvatten met de term "containment". Voor Japan betekende de koerswijziging de oprichting van twee steunfondsen: 占領地域救済資金- Senryōchiiki kyūzai shikin Government Appropriation for Relief of Occupied Areas Fund, hoofdzakelijk bedoeld als steun voor de productie van consumptiegoederen, en 占領地域経済復興資金- Senryōchiiki keizai fukkō shikin Economic Rehabilitation in Occupied Areas Fund, hoofdzakelijk steun voor de industriele wederopbouw. Omwille van het feit dat de Amerikanen rechtstreekse financiële steun gaven, kregen ze ook dadelijk inspraak in de concrete maatregelen die de Japanners moesten nemen om de inflatie te drukken en een gezonde kapitalistische industrie op te bouwen. In december 1948 presenteerde het G.H.Q. het 経済安定九 原則- Keizai antei kyūgensoku Nine Point Economic Stabilization Program aan Yoshida, wiens conservatieve achterban zich gelastte met de rigoureuze uitvoering ervan. Indien Japan verder hulp wenste te ontvangen, dan moest het:
- Overheidsuitgaven saneren en het budget in evenwicht brengen.
- Belastingen verhogen.
- Lonen stabiliseren en/of bevriezen.
- De prijzenspiraal doorbreken, het volk tot matigheid dwingen, enz.
Om het programma te realiseren zond Amerika "hakbijl"-specialisten, waaronder de Detroitse bankier Joseph Dodge. Naar hem werd dit beleid Dodge Line ドッジ・ラインgenoemd.
Enkele van zijn richtlijnen waren: het verhogen van transportprijzen van het openbaar vervoer, stricte looncontroles, herzien van de anti-monopoliewetten in het voordeel van de zaibatsu, algemeen stakingsverbod, de werklozensteun afschaffen opdat er ijverig naar werk zou gezocht worden, enz. Alle zwakke schakels uit de Japanse economie werden afgestoten. Een derde van de zowat 4.000.000 kleine ondernemingen ging bankroet en Japan geraakte in een diepe economische depressie. De grote zaibatsu kwamen er bovenop, maar investeerden nauwelijks in onsumptiegoederen. Kleine ondernemers en arbeiders moesten de lasten torsen. In juni 1950 konden de Dodge-resultaten worden ingeschat. Het budget voor 1949-1959 was in evenwicht, er was een vaste wisselkoers ingelegd voor dollar en Yen (360 Yen), de economische productie bedroeg slechts een derde van het peil van 1931, er werd maar de helft geïnvesteerd van 1949. In feite was het voor Japan een geluk dat de oorlog in Korea uitbrak in 1950. Het bracht een miraculeuze economische heropbloei en verbeterde aanzienlijk de relaties tussen Japan en de V.S.
Ontwikkeling van de arbeidersbeweging
De levensstandaard van de bevolking ging schrikwekkend omlaag omwille van de rantsoeneringen en voedseltekorten, de stagnerende productie, de toenemende werkloosheid, de relatieve loonvermindering in vergelijking met de inflatoire prijzenspiraal. Het G.H.Q. ondersteunde de meeste van deze maatregelen, wat aanleiding gaf tot een grote en radicale frontvorming bij de arbeiders. Omwille van hogergenoemde maatregelen konden de vakbonden zich vrij ontplooien en kregen ze een juridische status. Ze voerden op allerlei manieren actie. De origineelste was wellicht de productiecontrole. In augustus 1946 ontstonden twee nationale vakbonden, de 全日本産業別 労働組合- Zennihon Sangyōbetsu Rōdō Kumiai of 産別- San Betsu, en de 日本労働組合総同盟- Nihon Rōdō Kumiai Sōdōmei of 総同盟Sōdōmei 総同 盟- Sōdōmei. Het aantal aangesloten leden bedroeg 6.600.000 arbeiders. Ze gingen over tot actie tegen de rigoureuze economische maatregelen. Op 1 februari werd een algemene staking in overheids- en privé-sector gepland die het aftreden van Yoshida eiste. Dat deze uiteindelijk niet doorging, was te wijten aan de rechtstreekse tussenkomst van MacArthur die weliswaar de arbeidersvrijheden niet wou in het gedrang brengen, maar de heropbouw belangrijker vond. Deze ingreep ten voordele van de conservatieve regering en de industriële wereld was een duidelijk signaal voor de socialistisch en democratisch ingestelde leiders dat het democratiseringsbeleid van de V.S. afgesloten was. Het kwam later zelfs zo ver dat stakingspiketten met tanks verdreven werden.
Metamorfose van de politieke partijen
De politieke partijen
Te beginnen met de oprichting van de 日本社会党- Nihon Shakai-tō in november 1945, kwamen er verschillende socialistische partijen, gesticht door voororlogse leiders van arbeiderspartijen en -bewegingen. De belangrijkste was de Shakai taishtō (socialistische massapartij), met als eerste voorzitter Katayama Tetsu 片山哲. In 1947 weer ze de grootste partij van Japan en dit leverde Katayama het Eerste Ministerschap op. In 1951 kwam er een tijdelijke scheuring tussen rechtse en linkse elementen, maar de scheuring werd in 1955 werd bijgelegd, tot in 1960 de Minshu shakai-tō (Democratische Socialistische Partij) definitief een eigen koers ging varen. Aan conservatieve kant werd de 日本自由党- Nihon jiyū-tō Liberale Partij van Japan, erfgenaam van de 民政党- Minsei-tō gevormd door Hatayama Ichirō de grootste. Deze leider werd echter weggezuiverd wegens zijn rol in de Taisei Yokusan-kai. Verder was er de voortzetting van de vooroorlogse regeringspartij, de Seiyu-kai, nu de 日本進歩党- Nihon shinpo-tō (Progressieve Partij van Japan). De derde conservatieve partij was de 国民協同 党- Kokumin Kyōdōtō Uiterst links van het politieke spectrum bevond zich de 日本共産党- Nihon kyōzan-tō die dadelijk na de oorlog radicale sociale hervormingen eiste.
Evolutie in de regeringen
De verkiezingen van 1946 werden gewonnen door de 日本自由党- Nihon jiyū-tō en Eerste Minister werd Yoshida Shigeru (1878-1967). Onder zijn regering werd de nieuwe grondwet uitgevaardigd en in maart 1947 het Keizerlijk Parlement ontbonden, waarna er nieuwe algemene verkiezingen werden uitgeschreven. Omdat Yoshida Shigeru niet veel had ondernomen tegen de belabberde sociale toestand wonnen de socialisten en kon Katayama Tetsu 片山哲(1887-1978) met de 日本民主党- Nihon Minshu-tō en de 日本協同党- Nihon Kyōdōtō een coalitiebewind installeren waarvan hij premier werd (zie verder).
De verkiezingen van 1946 waren minder vernieuwend dan verhoopt. De voornaamste reden was dat in de rangen van de liberalen talloze politici gewoon verder werkten alsof er geen nederlaag was geweest. De zuiveringen gebeurden immers zeer slecht. Vooral op het platteland bleven de oude partijstructuren vrijwel ongewijzigd. Ze genoten niet alleen de financiële steun van de zaibatsu maar zelfs de morele steun van de S.C.A.P. De oppositie was heel wat slechter georganiseerd. Niet alleen was de partijstructuur tijdens de oorlogsjaren grondig vernield, maar het imago van de socialisten was ook besmeurd geraakt doordat enkele kopstukken hadden gecolaboreerd met Kojo. Alleen de communisten hadden een zuiver geweten omwille van hun consequent bestrijden van het militarisme. Zij hadden echter nog meer geleden onder de oorlogsrepressie dan de socialisten. Hun structuur en geoefende activisten waren vrijwel verdwenen. Bovendien was de linkse oppositie innerlijk verdeeld. Een gematigde vleugel steunde het behoud van het Keizerlijk stelsel, naar aloude feodale gewoonte. Toen het G.H.Q. zijn voorkeur in maart 1946 bekendmaakte, kregen de socialisten het publiek achter zich. Het overgrote deel van het Japanse volk aanvaardde erg dociel de wens van de Amerikaanse bezetter. Vermits de communistische partij zich tegen het keizerschap keerde, was er op dit punt geen compromis mogelijk.
De conservatieve en de progressieve liberalen haalden, met enkele kleinere partijen, bijna drie kwart van de stemmen. Voor het uitvoeren van zijn plannen moest de Amerikaanse bezetter voortaan niet meer vechten tegen een bijzonder stroeve bureaucratie, maar kon hij rekenen op de medewerking van conservatieve politieke partijen. Deze partijen hadden echter overduidelijke banden met het leger, en met mannen van de oude garde. Bovendien werd het bestrijden van de economische crisis bijzonder moeilijk, omdat de politieke vertegenwoordigers alle maatregelen van het S.C.A.P. bleven saboteren, zolang ze niet zeker waren van hun toekomst. De regering Yoshida verviel al vlug in immobilisme, vooral op sociaal gebied. De conservatieve partijen behielden evenwel talloze voordelen in vergelijking met de linkse partijen.
- De zuiveringen in hun rangen bleven erg beperkt.
- De maatregelen van het G.H.Q. om de locale ambtenarij te democratiseren, werden nauwelijks doorgevoerd.
- Allerlei mechanismen van politieke controle, waren niet afgeschaft zodat de conservatieven een sterke controle op het volk behielden.
- Het kiessysteem werd veranderd in het voordeel van de conservatieven: kiesdistricten werden verkleind volgens grenzen die samenvielen met de conservatieve bastions, en per district werd slechts één vertegenwoordiger gekozen.
- Door zijn anti-communistisch bedoelde uitlatingen via de media leek het wel alsof de S.C.A.P. partij koos voor de conservatieven, wat zijn gevolgen had voor de linkse partijen.
Samenvattend kunnen we de invloed van de Amerikanen op de Japanse politiek als volgt typeren.
- Het gemak en de snelheid waarmee de Japanners zich hadden overgegeven, leidde tot het onderschatten van de wensen en de mogelijkheden van de
heersende oligarchie om haar machtsbasis te beschermen. De bezetter trad niet voldoende snel en drastisch op om de gevestigde machtsinstanties uit te schakelen en een grondige uitzuivering van politici, zakenlui en bureaucraten mogelijk te maken. De democratische draagwijdte van de richtlijnen was aanvankelijk onmiskenbaar, maar de beslissing om de uitvoering over te laten aan de bestaande overheidsdiensten zorgde ervoor dat stevige voor standers van het oude regime de maatregelen kon afzwakken of op de lange baan schuiven. Zij zorgden er wel voor dat ze steeds konden blijven optreden als de wettige vertegenwoordigers van het Japanse volk. Met deze twee troeven kostte het hen weinig moeite om de politieke en economische structuren te blijven beheersen.
- De Amerikanen waren ofwel ontstellend naief, ofwel maakte ze een enorme fout in hun berekeningen door te menen dat zij als God de Vader de
democratie konden schenken en dat die democratie van de eerste dag perfect zou functioneren naar hun wensen. De inspanningen van het G.H.Q. tijdens de eerste maanden van de bezetting om de democratie te doen ingang vinden, riep een oppositie in het leven die al snel naar extreem links evolueerde en zo een doorn werd in het oog van de Amerikanen. Na de verkiezingen van 1946 legde de bezetter het accent al meer op controle in plaats van op het aanmoedigen van democratiserende tendenzen. Deze controle gebeurde via traditionele kanalen en consolideerde dus de conservatieven.
Om hogergenoemde redenen bleef de winst van de linkse partijen bij de verkiezingen van maart 1947 vrij beperkt en moesten ze een coalitie sluiten om aan de macht te komen. Deze coalitie liep niet van een leien dakje. Ongeveer een maand lang werden er onderhandelingen gevoerd tussen socialisten, 日本民主党- Nihon Minshu-tō 日本協同党- Nihon Kyōdōtō en de 民主自由党- Minshu jiyū-tō. De communisten werden hardnekkig uit het beraad geweerd. Om in de regering te worden opgenomen moesten de socialisten zich openlijk anti-communistisch verklaren en hun linkervleugel zuiveren. Ze weigerden dit laatste maar moesten wel aanvaarden dat de linker vleugel geen ministers mocht leveren, dat ze geen extreem linkse verklaringen zouden dulden, dat ze geen staatsgeheimen zouden laten uitlekken, geen nationaliseringen zouden doorvoeren en geen aanleiding tot sociale onrust zouden geven. Ondanks al die voorwaarden weigerden de liberalen toch nog om in de regering te stappen, zodat er een drie-partijenkabinet moest gevormd worden onder Katayama Tetsu. De socialisten kregen de portefeuilles van onderwijs, Land- en Bosbouw, Justitie, Handel, Nijverheid en het voorzitterschap van de Economische Stabiliseringsraad. Het kabinet werd van bij de aanvang geconfronteerd met de enorme crisis. Tegen de algemene verwachtingen van het volk in kon hij moeilijk anders dan strikte prijsafspraken maken voor voedsel (rijst) en grondstoffen maar tevens loonblokkeringen en een sobere houding aan de arbeiders voorschrijven. Verder werd het, in se on-socialistisch, economisch beleid van Yoshida voortgezet: steun aan de sleutelnijverheden en aanvaarden van monopolievorming.
Uiteraard leidde dit tot spanningen binnen de socialistische partij en Katayama moest vroegtijdig opstappen. Ashida Hitoshi 芦田均- Ashida Hitoshi (1887-1959) zette dezelfde driepartijen-coalitie verder, maar hij viel wegens het Shōwa Denko-schandaal (betrokkenheid van kabinetsleden in een corruptiezaak bij het Shōwa electriciteitsbedrijf).
In october 1948 kwam Yoshida voor de tweede maal aan de macht. Hij zou vijf jaar Eerste Minister blijven van een 自由党- Jiyū-tō-regering, door naamverandering opvolger van de 民主自由党- Minshu jiyū-tō. De socialisten gingen achteruit en ze brachten steeds meer kritiek uit op de bezetting, o.a. op het Dodge Plan en op de Rode Zuiveringen, al bleef in deze laatste kwestie hun protest zwakjes en tweeslachtig. In de grond kwam een uitschakeling van de communisten hen niet ongelegen. Met recht kunnen we zeggen dat deze bewogen regeringswissels uiteindelijk het roer in conservatieve handen hielden.
De naoorlogse cultuur
Wetenschap en techniek
Het vrije onderzoek werd opnieuw beschermd en aangemoedigd, zodat zowel de mens- als de positieve wetenschappen een hoge vlucht namen. Ideologische studies van het socialisme en het communisme konden opnieuw verschijnen. In 1949 kreeg Yukawa Hideki 湯川秀樹(1907-1981) als eerste Japanner een Nobelprijs, voor Fysica. Japan werd al snel opnieuw als een volwaardige collega aanvaard in de wetenschappelijke wereld. In 1949 werd ook de Academie voor Wetenschappen opgericht 日本学術会議- Nihon Gakujutsu kaigi die ijvert voor een democratische ontwikkeling en organisatie van de wetenschapsbeoefening.
Literatuur
Onmiddellijk na de oorlog bleven de grote namen van voor de oorlog weerklinken: Nagai Kafū, Tanizaki Junichirō, Kawabata Yasunari. De nieuwe lichting brak pas door in de jaren vijftig. Qua vernieuwing in de literatuur wijzen we vooral op de invloed van het Europese existentialisme. De Schone Kunsten en de muziek bloeiden weer op, internationaler dan ooit tevoren. Op filmgebied kwam Japan eindelijk in de internationale belangstelling toen Akira Kurosawa in 1951 de grote prijs van Venetië veroverde met "Rashōmon". De Amerikaanse bezetting had een enorme invloed op de massificatie van de cultuurconsumptie. In 1951 werd de nationale radioomroep 民間放送- Minkan hōsō opgericht en reeds in 1953 volgde de nationale televisie テレビ放送- Terebi hōsō.

