De naoorlogse wereld en de partijpolitiek

Uit GeschiedenisJapan

Inhoud

Leidraad

Het grootste internationale probleem na de beëindiging van de Eerste Wereldoorlog was de bestraffing van Duitsland. De 14 vredespunten van de Amerikaanse president Woodrow Wilson kregen een lovende pers, maar werden op de vredesonderhandelingen voor het overige genegeerd. Om een heropstanding van het Duitse Rijk voorgoed onmogelijk te maken, legde de overwinnaar zeer zware vredesvoorwaarden op. Om de herhaling van een wereldconflict te voorkomen werd de Volkenbond opgericht, die regelmatig ontwapenings- en vredesconferenties organiseerde vanuit de oprechte wens de wereldvrede te handhaven. Japan kreeg tijdens deze periode zijn eerste echt partijpolitieke kabinet, onder Hara Kei. Tegen het einde van de Taishō-periode was partijpolitiek een gewoon fenomeen geworden en had het Japanse Parlement het algemeen stemrecht voor mannen goedgekeurd. Op sociaal vlak bleven de problemen enorm en ging het belang van de arbeidersklasse een grotere rol spelen in de politieke besluitvorming.

Toenemende internationale integratie

De wapenstilstand en de vredesbesprekingen

Aanvankelijk verliep de Eerste Wereldoorlog in het voordeel van de Triple Alliantie. De Britten konden de Duitse aanwezigheid op de wereldzeeën weliswaar bijna volledig neutraliseren, maar Duitsland repliceerde met zijn roemruchte onderzeeërsoorlog. Ook schepen van neutrale mogendheden zoals de V.S. werden het doelwit van de Duitse torpedo's, zodat de V.S. beslisten de kant van de geallieerden (de Triple Entente) te kiezen. Hierdoor keerden de kansen en in november 1918 capituleerde Duitsland. In januari 1919 begonnen in Parijs vredesonderhandelingen, die in de loop van het jaar tot de ondertekening van het Verdrag van Versailles leidden.

De 14 punten van Woodrow Wilson hadden als uitgangspunt moeten dienen, maar die waren voor de Fransen en de Britten te idealistisch. Frankrijk wilde Duitsland zwaar straffen en stelde zijn eigen veiligheid boven alles. De Britten wilden het status-quo en de traditionele machtsverhoudingen bevestigd zien. Het aan Duitsland opgedrongen Verdrag zorgde voor groot ressentiment in dat land, en zaaide de kiemen van de Tweede Wereldoorlog. De linker Rijnoever werd gedurende vijftien jaren bezet, in het Rijnland mochten geen Duitse troepen gelegerd worden, Elzas-Lotharingen werd weer Frans, alle Duitse overzeese gebieden en protectoraten werden afgenomen, het Duitse leger werd aan drastische beperkingen onderworpen, en het land diende enorme sommen schadevergoeding te betalen.

Het onafhankelijkheidsstreven van de kleinere volkeren in Europa was een van de oorzaken van de oorlog geweest. Nu werd het zelfbeschikkingsrecht van deze volkeren erkend. In Noord- en Oost-Europa werden acht landen onafhankelijk.

Japan en het Verdrag van Versailles

Japan stuurde Saionji Kinmochi en Makino Nobuaki, een zoon van Ōkubo Toshimichi, als gevolmachtigden naar Versailles. Naast de V.S., Groot-Brittannië, Frankrijk en Italië werd Japan erkend als vijfde grootmacht. Als resultaat van de onderhandelingen verwierf Japan de voormalige Duitse rechten in Shandong en kreeg als mandaatgebieden onder toezicht van de Volkenbond alle eilandjes in de Stille Oceaan ten noorden van de evenaar die voorheen onder Duits gezag stonden, met uitzondering van het eiland Yap. Op moreel vlak moest Japan evenwel een vernedering slikken. Het had gevraagd dat de Volkenbond rassengelijkheid in zijn charter zou opnemen, maar vooral Groot-Brittannië en Amerika verzetten zich hiertegen. In Amerika bestond een vrij grote discriminatie van de Japanse immigranten en de Britten wensten hun eigen positie in hun multiraciale koloniale rijk niet te ondermijnen.

In het Verdrag was geen sprake van een herziening van de 21 Eisen, zoals China had gevraagd. Japan beloofde de soevereiniteit over de provincie Shandong aan China terug te geven, maar er werd geen datum afgesproken. Terwijl de Vredesconferentie nog bezig was, braken er op 4 mei 1919 in Beijing hevige rellen uit onder studenten en arbeiders. Weldra werd heel China het toneel van demonstraties en rellen gericht tegen het internationale imperialisme. Dit was het begin van een golf van nationale en politieke bewustwording en culturele vernieuwing, bekend als de Vier Mei Beweging.

Op 1 maart 1919 braken er ook onlusten uit in Korea, waar reeds sedert de aanhechting bij Japan sterk verzet bestond. De Koreanen eisten zelfbeschikkingsrecht. Meer dan 2 miljoen mensen namen deel aan diverse demonstraties, over een periode van een half jaar. Bij deze onlusten kwamen 7.907 mensen om het leven en werden er meer dan 50.000 tot gevangenisstraffen veroordeeld.

Japan accepteerde op de Conferentie van Versailles het ``Open-Deur-principe, waardoor alle landen gelijke kansen kregen in China.

De stichting van de Volkenbond

In 1920 kregen de voorstellen van president Wilson voor de stichting van een internationale vredesorganisatie concrete vorm: de Volkenbond, met de Zwitserse stad Genève als hoofdkwartier. De doelstellingen waren:

  • Streven naar ontwapening door de lidstaten.
  • Vastleggen en respecteren van elkaars territorium.
  • Aanvaarden van de status-quo en het oplossen van geschillen met vredelievende middelen.

De Volkenbond bestond uit een algemene vergadering van lidstaten, een raad en een secretariaat. Samen met Engeland en Frankrijk werd Japan een van de permanente leden van de raad. De V.S. die het Verdrag van Versailles niet geratificeerd hadden, werden geen lid, en evenmin de Sovjetunie. Daarom werd de Volkenbond aanvankelijk gezien als een clubje van overwinnaars. Het dagelijks bestuur was vooral een Franse en Britse aangelegenheid. In 1926 werd Duitsland echter ook lid. Gedurende enkele jaren deed de organisatie behoorlijk werk, maar vanaf de jaren dertig moest ze steeds vaker haar onmacht vaststellen. Toch is de Volkenbond van groot historisch belang geweest. Het was de eerste keer in de geschiedenis dat een permanente internationale organisatie werd opgericht met het doel de vrede te handhaven en bevorderen.

Ontwapening en veiligheidsgaranties

De idealen van wereldvrede, stabiliteit en ontwapening bepaalden de internationale politiek gedurende de jaren twintig. Diverse conferenties werden belegd om deze nobele doeleinden te realiseren. Ook Japan liet zich niet onbetuigd.

De Conferentie van Washington duurde van 1921 tot 1922. Met de Amerikaanse president Harding als voorzitter werd het een grote diplomatieke overwinning voor de V.S. Minister van Marine, Katō Tomosaburō leidde de Japanse delegatie. Hij diende heel wat water in zijn wijn te doen, maar dat was de prijs die zijn land moest betalen om internationaal niet in het isolement gedrukt te worden. Voor hem en de Japanse regering was het herstel van de vriendschappelijke betrekkingen met de V.S. de hoogste prioriteit. Japan diende nu af te zien van verdere militaire avonturen op het Aziatische continent, de vrede in het Stille Zuidzee-gebied te respecteren en de soevereiniteit van China te erkennen. Er was geen sprake meer van exclusieve en natuurlijke rechten van Japan op het vasteland.

Verder werd op deze conferentie een akkoord gesloten over de toegestane tonnenmaat voor oorlogsbodems en slagschepen. De verhouding was: 5 voor Engeland, 5 voor de V.S., 3 voor Japan, en 1,67 voor Italie en Frankrijk elk. Men ging uit van het standpunt dat Japan slechts één oceaan te beveiligen had.

Uit de conferentie vloeide ook een Vier-Staten Verdrag voort tussen Japan, Groot-Brittanië, de V.S. en Frankrijk. Zij kwamen overeen elkaars rechten in de Stille Oceaan te eerbiedigen en een eventueel conflict vreedzaam op te lossen op een conferentie, waar de vier ondertekenaars zouden aanwezig zijn. Dit verdrag betekende het einde van de speciale Brits-Japanse Alliantie.

Een derde verdrag dat uit deze conferentie voortsproot, was het Pact der Negen Landen, met als ondertekenaars Japan, Groot-Brittanië, de V.S., Frankrijk, Italië, België, Nederland, Portugal en China. Het pact formuleerde de principes van het China-beleid. In zijn algemene strekking bevestigde het de Open-deur politiek. Ieder land moest gelijke kansen krijgen om in China aanwezig te zijn, in oorlogstijd zou China als neutraal land erkend worden, het Chinese grondgebied moest gerespecteerd worden. China aanvaardde zich naar deze bepalingen te schikken. De Ishii-Lansing Overeenkomst, die Japans exclusieve rechten duidelijk erkend had, kwam hierdoor te vervallen. Japan schonk de soevereiniteit over Shandong terug aan Beijing.

In 1927 nam de Amerikaanse president Calvin Coolidge het initiatief de Conferentie van Genève samen te roepen. Amerika, Engeland en Japan onderhandelden er over de mogelijkheid om beperkingen af te spreken voor de bouw van kleinere oorlogsbodems. Wegens onverenigbare opvattingen draaide deze conferentie op een mislukking uit.

De Amerikaanse staatssecretaris Kellogg en de Franse Minister van Buitenlandse Zaken Briand organiseerden in 1928 een conferentie in Parijs. 15 landen, waaronder Japan, sloten een pact waarin zij afzagen van oorlog als middel om internationale problemen te beslechten, behalve in geval van zelfverdediging.

Wegens het mislukken van de Conferentie van Genève organiseerde de Britse Minister van Buitenlandse Zaken MacDonald een nieuwe Conferentie in London. Groot-Brittannië, de V.S., Frankrijk, Italië en Japan praatten er opnieuw over het beperken van het aantal oorlogsbodems. De Japanse delegatie werd geleid door oud-premier Wakatsuki Reijirō. Groot-Brittannië, de V.S. en Japan kwamen overeen om negen slagschepen te ontmantelen: Groot-Brittannië vijf, de V.S. drie, Japan één. De conferentie bepaalde ook maxima voor kruisers, duikboten en destroyers. In 1935-1936 wou men nog verdergaan tijdens een vervolg op deze conferentie, maar dit mislukte. Voornamelijk Japan voelde zich tekort gedaan en trok zich terug op 15 januari 1936.

Ontstaan van partijpolitiek

Democratie

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam het kabinet Ōkuma, dat een imperialistische buitenlandse politiek had gevoerd, ten val. Gesteund door de regionale kliek uit Chōshū, kwam de leider van de militaire factie, Terauchi Masatake (1852-1919), aan de macht. Hij vormde een transcendentaal kabinet van hoge ambtenaren. In deze periode publiceerde de politieke wetenschapper Yoshino Sakuzō 吉野作造 (1878-1933), die doceerde aan de Universiteit van Kyōto, zijn theorie over een verregaande democratie in Japan zonder te raken aan het statuut van de Keizer. Dit bracht lijn in het verzet tegen de regionale en bestuurlijke facties en de verzuchting naar democratie kon concretere vorm aannemen in de beweging voor algemeen stemrecht en bredere constitutionele bescherming en rechten. Dit streven naar meer democratie en participatie van het hele volk dienen we ook te situeren in een internationale context. De korte periode van toenemende bewustwording wordt de Taishō-democratie genoemd.

Een burger wordt premier

Het Terauchi-kabinet dient vooral onthouden te worden omwille van de Nishihara-lening en de invasie in Siberië. Het kwam ten val over de rijstrellen. Om uit de impasse te geraken en de volkswoede te doen luwen, suggereerde de genrō Saionji Kinmochi een gewone burger als premier: Hara Kei 原敬 (1856-1921), voorzitter van de Rikken Seiyū-kai 立憲政友会. Hij vormde het eerste echte partijkabinet. Op de functies van Minister van Zeemacht, Landmacht en Buitenlandse Zaken na, waren alle ministers lid van de Seiyū-kai. In tegenstelling tot zijn voorgangers was Hara niet van adel, daarom werd hij verwelkomd door het volk als de "burger-premier"(heimin saishō 平民宰相). Voorheen was de premier altijd iemand van de adel (kazoku) geweest. Hara was niet de grote hervormer of de radicale democraat waarop men wellicht hoopte, maar zijn beleid zorgde toch voor een grotere democratisering. Hij realiseerde verdere groei in nijverheid, verkeerswezen, onderwijs en landsverdediging, terwijl hij met de steun van de publieke opinie de kracht van het Hogerhuis en de militairen probeerde te temperen, door een kleine wijziging van het stemrecht. Hij was geen groot voorstander van algemeen stemrecht en beperkte zich ertoe de kiesdrempel te verlagen. I.p.v. 10 yen volstond voortaan 3 yen belastingen om te mogen kiezen. Toen Katō Tomosaburō deelnam aan de Conferentie van Washington, werd Hara de eerste burger-ambtenaar die de functies van Minister voor de Zeemacht en Eerste Minister cumuleerde. Hij vertrouwde ook het bestuur van Korea, Taiwan en Guandong toe aan burger-ministers. Het buitenlandse beleid van Hara was gericht op verstandhouding met de V.S. Vanuit militaire hoek kreeg hij heel wat kritiek te slikken. Toen bleek dat enkele kabinetsleden in kleine corruptiezaken betrokken waren, werd de kritiek heviger. In 1921 werd Hara vermoord door een rechts fanaticus en zijn kabinet kwam ten val.

De tweede constitutionele beweging

Na de moord op Hara werd Takahashi Korekiyo 高橋是清 (1854-1936) tot voorzitter van de Rikken Seiyū-kai verkozen. Hij vormde een nieuw kabinet dat evenwel geen lang leven beschoren was. Wegens interne strubbelingen binnen de regeringspartij kwam hij ten val. Nu volgden kort op elkaar enkele kabinetten, waarvan de samenstelling geen rekening hield met de politieke partijen. Deze trend zette de drie grote partijen uit het Lagerhuis ertoe aan hun futiele geschillen uit te praten en samen te werken. Deze drie partijen waren: de Rikken Seiyū-kai 立憲政友会, met als voorzitter Takahashi Korekiyo 高橋是清, de Kenseikai 憲政会, met als voorzitter Katō Takaaki 加藤高明 en de Kakushin Kurabu 革新倶楽部 met als voorzitter Inukai Tsuyoshi. Ze eisten dat er een einde zou komen aan de "elitaire" kabinetten en de onmiddellijke invoering van het algemeen stemrecht. Dit was het startsein voor de tweede beweging voor vrijheid en constitutionele rechten.

Het parlement werd ontbonden en er werden nationale verkiezingen gehouden. De drie coalitiepartijen kwamen als overwinnaars uit de bus, en in juni 1924werd Katō Takaaki (1860-1926) Eerste Minister. Takahashi Korekiyo werd Minister van Landbouw en Handel, en Inukai Tsuyoshi Minister voor Communicatie en Transport. Dit was de eerste kennismaking met een coalitieregering in Japan. Van dit ogenblik af tot mei 1932 (de val van de regering Inukai) werden coalitieregeringen de norm. De Rikken seiyū-kai en de Kensei-kai vormden samen de regering. Samen hadden ze immers de meeste zetels in het Lagerhuis.

Wetten in verband met algemeen stemrecht en openbare orde

Na de rijstrellen bleven diverse groeperingen ijveren voor meer democratie. Vanaf het kabinet Hara begonnen ook de vakbewegingen voor algemeen stemrecht te ijveren. De gevestigde politieke partijen bleven echter koud en warm tegelijk blazen, mede omdat ze er niet van overtuigd waren dat hun steun aan deze trend hen stemmenwinst zou opleveren, maar de trend viel niet te stuiten. In 1925 stemden de conservatieve partijen ermee in hun verkiezingsbelofte gestand te blijven en de Wet op het algemeen stemrecht (futsū senkyo-hō 普通選挙法) door te drukken. Dit is de grootste verwezenlijking van de Taishō-democratie. Algemeen betekende dat de belastingsnorm werd afgeschaft en alle mannen ouder dan 25 mochten stemmen.

In 1925 vaardigde de regering de Wet op de Openbare Orde (Chian iji-hō 治安維持法) uit om de sociale en politieke emancipatie van de arbeidersklasse tegen te gaan en concreet de verspreiding van het communisme onmogelijk te maken. Menig volks politicus was immers onder de bekoring geraakt van de Russische Oktoberrevolutie. De wet stelde een absoluut verbod in om groeperingen te organiseren die de heersende politieke structuren en het recht op privé-bezit aanvielen, en/of lid te worden van zulke groeperingen. Op overtreding stond 10 jaar dwangarbeid, maar in 1928 werd er de doodstraf op gezet. Zo werd een efficiënte oppositie onmogelijk.

Overheid tegenover sociale beweging

Met de Wet inzake de Openbare Orde smeedde de overheid een sterk wapen tegen radicale oppositiebewegingen. Tegelijkertijd probeerde ze deze oppositie via institutionele wegen te verdelen en aan zich te binden. Zo werd de arbeidersbeweging een tijd lang aan het lijntje gehouden met een wet over de arbeidersverenigingen, die echter nooit goedgekeurd geraakte, terwijl voor de boeren een nieuwe wetgeving betreffende huur en pacht en het oprichten van individuele landbouwondernemingen werd aanvaard. Deze wetgeving was een verzoeningsgebaar, dat uiteindelijk eerder het kapitaal en de grondbezitters beschermde dan de boeren. De communistische partij werd resoluut verboden en vervolgd. Zware klappen werden uitgedeeld tijdens het incident van 15 maart 1928, bekend als het San Ichigo Jiken 三・一五事件 en het incident van 16 april 1929, bekend als het Yon Ichiroku Jiken 四・一六事件 zuiveringsacties waarbij communisten werden gearresteerd (cfr. supra) en vele sleutelfiguren werden geliquideerd op basis van de Wet inzake de Openbare Orde.

De economische crisis en de politieke partijen

De budgettaire crisis en de regering Wakatsuki

Na het overlijden van Katō Takaaki in 1926 werd een kabinet gevormd met Wakatsuki Reijirō 若槻礼次郎 (1866-1949) als premier. Van deze voormalige ambtenaar van financiën, verwachtte men een oplossing voor het budgettaire probleem. Zijn regeringsploeg werd echter geconfronteerd met een structurele economische crisis die steeds dieper het staatsbestel aantastte en de steeds radicaler wordende sociale bewegingen stimuleerde. Daarom concentreerde hij zijn beleid op maatschappelijke tegemoetkomingen en voerde hij inzake buitenlandse betrekkingen een koers die gericht op internationale samenwerking gericht was. In maart 1927 brak een reeks financiële schandalen uit. Om eigen beheersfouten te verdoezelen had een groot aantal banken de in 1923 door de overheid gegarandeerde ``aardbevingswissels gebruikt om eigen tekorten te financieren. Daarnaast werd een paar grote regionale banken en overheidskredietinstellingen, waaronder die van Formosa, door bankroet bedreigd na het roekeloos toestaan van leningen. Om deze faillissementen te voorkomen wou Wakatsuki nieuwe overheidsgaranties toestaan maar de Raad van State (Sitsuin) blokkeerde dit voorstel omwille van het naar zijn zin te verzoenende buitenlandse beleid van Minister Shidehara. Dit veto noopte de regering Wakatsuki tot aftreden.

De inschikkelijke diplomatie van Shidehara

Een van de uitlopers van de 4 Mei-beweging, gericht tegen het westerse imperialisme, was de oprichting van de Chinese Communistische Partij (Zhongguo gongchan dang 中国共産), gesteund door de pas gestichte Sovjet-Unie. In 1924 sloot zij een alliantie met de Guomindang 国民党, die Sun Yat-Sen in Guangdong had opgericht, en na diens overlijden door Chang Kai Chek geleid werd. Chang Kai Chek voerde een campagne tegen de noordelijke 'warlords' in een poging om China te herenigen. Een jaar later bezette hij Nanjing en Shanghai, waar hij een nationale regering uitriep. Hiertegen kwam de krijgsheer Zhang Zuolin 張作霖, die vanuit Mantsjoerije een groepering van warlords aanvoerde tegen de nationalistische legermacht, in het verweer.

Zowel in de regering van Katō als in die van Wakatsuki was Shidehara Kijūrō 幣原喜重郎 (1872-1951) Minister van Buitenlandse Zaken. Zijn diplomatie ging uit van drie premissen: de internationale macht en het status-quo van de westerse mogendheden, de binnenlandse crisis en de anti-imperialistische beweging in China. Dit zette hem aan tot samenwerking met Groot-Brittannië en de VS om zo rationeel mogelijk Japans belangen internationaal, maar vooral in de Aziatische regio, te behartigen. Daarom streefde hij ernaar directe inmenging in de noordelijke campagne van de Guomindang te vermijden. Deze voorzichtige politiek werd internationaal gewaardeerd maar ze maakte hem persona non grata bij de militairen en de Raad van State, terwijl ook de conservatieve oppositie van bijv. de Rikken Seiyūkai vooral om verkiezingsdoeleinden de Shidehara-diplomatie hekelde.

Het Tanaka-kabinet

Na de val van de regering Wakatsuki vormde in april 1927 Tanaka Giichi 田中義一 (1863-1929), een gewezen militair en voorzitter van de Rikken seiyūkai 立憲政友会, een nieuwe regering die plots wel de banken mocht helpen. Hij stond een nieuw, drie weken durend moratorium op depositorekeningen toe (Shiharai yūyo-rei 支払猶予令) en een grote lening door de Bank van Japan. Zo werd de crisis bezworen maar ze was wel funest geweest voor vele kleine en regionale banken, die het bankroet niet konden afwenden. De financiële markt werd nog steviger gemonopoliseerd door de vijf grote zaibatsu: Mitsui, Mitsubishi, Sumitomo, Daiichi en Yasuda. Toen na de eerste algemene verkiezingen bleek dat de proletarische partijen het erg goed deden, ontpopte Tanaka zich als de man van de ijzeren hand en werd het begrip 'ideologisch misdrijf' een realiteit in het Japanse politieke leven.

De Wet inzake de Openbare Orde werd nog strenger toegepast en harde zuiveringsacties liquideerden de kopstukken van de Communistische Partij, zoals hoger vermeld. Ook de Tokkō 特高, afkorting van Tokubetsu kōtō keisatsu (Speciale veiligheidspolitie) 特別高等警察, werd versterkt. Deze dienst dateerde uit 1911, toen hij de overheid op de hoogte moest houden van ideologische broeinesten, om incidenten als het Hoogverraad-incident te voorkomen. Hij had het vooral op socialistische en communistische bewegingen gemunt. Aanvankelijk werkte deze dienst alleen in de belangrijkste verstedelijkte gebieden, maar vanaf 1928 werd er in elke prefectuur een geheime cel geïnstalleerd. De cellen stonden onder rechtstreekse controle van de Minister van Binnenlandse Zaken en hadden veel invloed. De activiteiten van deze cellen slorpten een groot deel van het budget van de geheime diensten op. Ze leidden niet alleen spionnen op, maar vormden ook een ``doodseskader, dat terreuracties uitvoerde: o.a. het martelen en vermoorden van communistische sympathisanten. Meer in het algemeen onderdrukten de cellen alle vormen van vrije meningsuiting, sociale activiteiten en de Koreaanse onafhankelijkheidsbeweging. In 1945 verdwenen ze.

In 1927, onder de Tanaka-regering, fusioneerde de Kensei-kai met de SeiyūHontō. Samen vormden ze de Rikken minseitō 憲民政党. Later zou deze, afwisselend met de Rikken Seiyūkai, de kabinetten vormen.

Tanaka's assertief buitenlands beleid

In samenwerking met de militairen boog het Rikken Seiyūkai kabinet van Tanaka het buitenlands beleid om in assertieve zin, om zo de aandacht van het volk en de drukkingsgroepen van de binnenlandse problemen af te leiden. Aangezien hij de functies van Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken cumuleerde, was dit mogelijk zonder al te veel discussie. De concrete strategie werd door de Mitsui Bussan en Grote minister voor Buitenlande zaken Mori Kaku uitgewerkt. De resultaten van deze kordate houding werden reeds zichtbaar op de Conferenties van Genève en Parijs.De drie Shandong-expedities waren ingegeven door de misnoegdheid van conservatieven, opgezweept door de militairen, over de aan de onderhandelingstafel overeengekomen teruggave van Shandong aan China. Hieruit wou Tanaka voordeel halen. Toen Chiang Kai-Shek en de nationalisten steeds meer succes boekten, stuurde Japan in 1927 troepen naar Shandong om hun opmars te stuiten, al was de officiële reden het beschermen van Japanse residenten.

Zo werd de Chinese eenmaking tijdelijk belemmerd. In 1928 zette Chiang Kai-Shek een nieuwe noordelijke campagne op het getouw. Opnieuw greep Japan in om zijn burgers te beschermen. Tijdens deze tweede campagne deed zich het Jinan- of Sainan-incident voor 済南事件. Hierbij vielen Japanse burgerslachtoffers, al waren die eerder te wijten aan pogingen van het Japanse leger om Chinezen de doorgang te beletten door de stad Jinan.

De moord op Zhang Zuolin leidde tot een verdere escalatie. Na de eerste Shandong-expeditie hadden de Japanners in Tokio de Conferentie over het Oosten (Tōhō kaigi 東方会議) gehouden, waar ingewijden van Buitenlandse Zaken en de generale staf van het leger waren overeengekomen Mantsjoerije van China los te weken en er een Japanse vazalstaat van te maken. Op basis van deze strategie werd een overeenkomst gesloten met de warlord in Mantsjoerije Zhang Zuolin. In ruil voor Japanse militaire steun zou deze de Japanse privileges in Mantsjoerije erkennen. Ondanks de oorspronkelijke bereidheid tot samenwerking verstrakte Zhang Zuolin zijn houding, wellicht omdat hij meer heil zag in een eigen onafhankelijke koers of toch geloofde een betere kans te maken in een verenigd China. Daarom werd van Japanse zijde besloten hem uit de weg te ruimen. Toen Zhang Zuolin met zijn troepen tot Beijing afzakte, lieten de Japanners hem weten dat ze dit niet konden dulden om ``strategische redenen, en ze gaven hem het bevel zich tot in Shenyang terug te trekken. In juni van dat jaar werd hij in de buurt van Shenyang in een hinderlaag gelokt. De trein waarin hij reed, werd op 4 juni 1928 op de rails tot ontploffing gebracht. De warlord was zwaar gewond en stierf enkele dagen later aan zijn verwondingen. De ware toedracht werd uiteraard niet publiek bekendgemaakt, maar lekte toch uit. Het publiek refereerde naar het voorval als ``een zeker zwaar incident in Mantsjoerije (Manshū bō jūdai jiken 満州某重大事件). Tanaka, die persoonlijk de moord afkeurde, kwam in nauwe schoentjes te staan. Hij wenste op zijn minst disciplinaire straffen tegen de schuldigen, maar werd daarin niet gevolgd door de militairen, vooral de staf van het landleger, noch door zijn eigen regeringspartij. De Keizer (Hirohito) moest hem wegens gebrek aan gezag in gebreke stellen, wat hem tot aftreden dwong.

Premier Hamaguchi

In juli 1929 werd de voorzitter van de Rikken Minsei-tō Hamaguchi Osachi 浜口雄幸 (1870-1931) Eerste Minister. We zouden hem een ``verzoener kunnen noemen. Hij voerde strenge soberheidsmaatregelen door om de internationale economische crisis het hoofd te kunnen bieden. Op het vlak van het buitenlandse beleid verdedigde hij weer de internationale samenwerking. De spilzucht van Tanaka had zware gevolgen voor de schatkist gehad, omwille van de internationale crash zou de crisis zeer moeilijk op te lossen zijn. Hamaguchi wou een positief budgettair beleid voeren. Hij trachtte de export aan te zwengelen, o.a. door de goudexport opnieuw toe te staan, al was goudimport gewenst, ging geen leningen meer aan en probeerde de staatsschuld te herschikken. Om een aanvaardbare regeling uit te dokteren, werd de in zakenkringen populaire gouverneur van de Bank van Japan, Inoue Junnosuke 井上準之助 (1869-1932) aangetrokken als Minister van Financiën. Hij spoorde de bevolking aan tot zuinigheid en de industrie tot verdere rationalisering. Spijtig genoeg namen de westerse mogendheden allerlei maatregelen die een toename van de Japanse export belemmerden en de afzet van de gerationaliseerde bedrijven verhinderden. De sociale problemen verergerden en de militairen namen radicalere standpunten in, nu ook hun budgetten niet van de hakbijl gespaard bleven.

De herleving van een op internationale samenwerking gerichte diplomatie was te danken aan een accentverschuiving in de regering. Het volledige afzweren van een assertief buitenlands beleid was onmogelijk onder een constitutioneel stelsel waarin het Hogerhuis en het leger de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid hadden, maar de gebruikte methodes konden verschillen. Over de dieper liggende persoonlijke motieven van de protagonisten binnen de verschillende facties spreken we ons hier niet uit. Onder Hamaguchi werd Shidehara weer Minister van Buitenlandse Zaken. In de geest van zijn politiek streefde Japan naar positieve samenwerking met de andere mogendheden. Het stuurde daarom een delegatie geleid door Wakatsuki naar de Conferentie van Londen (1930) om over wapenbeperking te onderhandelen. Shidehara trachtte ook de scherpe kantjes van de internationale controverse rond de Japanse inmenging in Shandong af te vijlen. De ontwapeningsconferentie van Londen zorgde voor grote spanningen binnen het kabinet, die voor het eerst duidelijk de ambities van de militairen aan het licht brachten. Hamaguchi slaagde erin de goedkeuring van de Keizer te verwerven voor het Verdrag van Londen, hoewel het een voor de Amerikanen gunstige verhouding van oorlogsbodems stipuleerde. Tegen de zin van de generale staf van de Zeemacht in, die om het overwicht in de Stille Oceaan te bewaren een 10:7 verhouding als de limiet had beschouwd, aanvaardde hij een iets lagere verhouding. Hamaguchi's welslagen berustte echter op een louter politieke constructie van politici die ernaar streefde het prerogatief van de militairen (Tōsui-ken 統帥権) terug te schroeven. Toen het Verdrag werd voorgelegd aan de kroonraad beweerde Hamaguchi dat de Zeemacht akkoord ging, omdat de Minister van Maritieme Zaken zulks had beweerd, ook al had de generale staf van de Zeemacht wellicht een andere opinie. Formeel had hij gelijk, maar de facto haalde de Zeemacht haar slag thuis door de Minister van Maritieme Zaken tot ontslag te dwingen. Voortaan zouden de regeringen meer rekening moeten houden met de wensen van de Zeemacht om nog een minister te kunnen benoemen.

De weerslag van de internationale crisis

Versterking van de monopolies

In oktober 1929 kende de kapitalistische wereld de zwaarste financiële crisis uit haar geschiedenis, de beurscrash van New York. Het was het startschot voor een wereldwijde economische recessie. Japan zou vooral na 1930 de gevolgen beginnen te ondervinden. Twee maanden na de crash bleek dat alle landen hun goudvoorraden gingen beschermen en dat Japan er niet in slaagde zijn export te vermeerderen. Het goudembargo werd opnieuw ingevoerd. Tijdens de liberalisering die slechts één jaar had geduurd, was er veel goud weggevloeid. Het deflatoire beleid, de geringe vraag uit het buitenland en de voorspoedige rijstoogsten leidden tot enorme prijsdalingen. De overheid trachtte te reageren met de Wet inzake de Controle op de Zware Industrie (Jūyō sangyō tōsei-hō 重要産業統制法), wat in feite neerkwam op het aanmoedigen van kartelvorming. Men sprak van rationalisering van de productie en steunde de samenwerking tussen gelijkaardige bedrijfstakken. Zo kon men vooral op het sociale vlak besparen. Het goudembargo werd verlengd in 1931. Japan ging dus de internationale concurrentie te lijf door in de productie voornamelijk de arbeidskosten te beperken. De productie nam nog enorm toe, al was de kwaliteit soms van bedenkelijk allooi. Deze politiek leverde Japan het verwijt van "social dumping" op. De reeds sterke tendens tot monopolievorming nam nog toe en de band tussen politiek en kapitaal werd openlijker. Zo geraakte de Seiyūkai bekend als waterdrager van Mitsui, terwijl de Minseitō de belangen van de Mitsubishi-groep verdedigde.

Werkomstandigheden van de boeren

Alweer kreeg het platteland het zwaarst te lijden. De redenen hiervoor waren

  • De terugkeer van vele jongeren naar het platteland nu er in de industrie geen werk meer te vinden was.
  • Amerika nam plots veel minder zijde af, zodat vele zijdefarms en landbouwers die met zijde wat trachtten bij te verdienen, hun inkomsten of een belangrijke aanvulling ervan zagen teloorgaan.
  • Was de rijstoogst in 1930 zeer goed, zodat de prijzen te sterk daalden, dan was 1931 een waar rampjaar, vooral in de Tōhoku-regio, waar hongersnood uitbrak.
  • Pacht, grondbelastingen en de prijs van de meststoffen veranderden vrijwel niet, terwijl de ineenstorting van de prijzen het inkomen vrijwel halveerde.

Vele boeren werden bedreigd met bankroet en uitdrijving, waardoor een vlaag van nieuwe pachtgeschillen (kosaku sōgi 小作争議). Nevenverschijnselen waren de verkoop van boerendochters aan bordelen en de chronische ondervoeding van de niet-productieven, kinderen en ouderen.

Uitbreiding en radicalisering van de arbeidersbeweging

Door de aanslepende crisis en de industriële rationaliseringen van Hamaguchi werd ook het bestaan van de arbeiders bedreigd. Japan telde drie miljoen werklozen, waarvan de meesten langdurig en structureel werkloos werden zodat ze een "permanent" reserve-arbeidsleger vormden dat de reële lonen laag hield of zelfs nog deed verlagen. Ettelijke sociale conflicten (rōdō sōgi 労働争議) braken uit, waarin arbeiderspartijen en/of vakbonden doorgaans aan het kortste eind trokken. De overheid trad meedogenloos op en verbood communistische tendensen. Meestal waren de arbeiders ook te verdeeld over de te volgen strategie en ideologie. Radicale kleine groepen veroorzaakten strenge en hardnekkige repressie van de overheid.