De internationale situatie en Japan na 1945
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Leidraad
De grote factor die het tot stand komen van de nieuwe wereldorde bepaalde was de koude oorlog die de wereld in twee kampen verdeelde: het Vrije Westen en het Oostblok. Her en der ontstonden conflicten en zelfs beperkte oorlogen, waarbij de supermachten de strijd voornamelijk door derden lieten voeren. Sommige landen werden evenwel letterlijk in twee gekliefd, zoals Duitsland, Korea en Vietnam. Een sterke drang naar wereldvrede en de toenemende dekolonisering zorgden voor een politieke mondigheid van verschillende machtsblokken zodat er een coexistentie groeide gebaseerd op een zekere tolerantie en behouden van het status quo.
In Japan bleef een conservatief liberaal bewind gedurende heel deze periode aan de macht, waarvan het beleid volledig op Amerika gericht bleef, wat wel zorgde voor binnenlandse spanningen en een identiteitscrisis, maar daarnaast toch een miraculeuze economische bloei bezorgde aan Japan. Op dit ogenblik is die economische groei duidelijk aan herkanalisering
De koude oorlog
Stichting van de Verenigde Naties
Rekening houdend met de handicaps die de Volkenbond hadden verlamd, werd na de Tweede Wereldoorlog de U.N.O. opgericht als een internationale instelling voor de wereldvrede.Op basis van onderhandelingen tussen de 54 belangrijkste naties ter wereld die nog tijdens de oorlog, in april 1945, waren gehouden in San Francisco en die tot het Charter van de Verenigde Naties 国際連合憲章- Kokusai Rengō Kenshō hadden geleid, werden de Verenigde Naties formeel opgericht in october 1945. Er werd een eigen troepenmacht opgericht om militaire conflicten te vermijden of in te dijken, verder werd de internationale samenwerking op sociaal, economisch en cultureel gebied, via allerlei deelorganisaties als hoofddoelstelling vastgelegd. Het hoofdkwartier bevindt zich in New York en tot op heden speelt de U.N.O. een belangrijke rol in de wereldgebeuren. De veligheidsraad, het internationaal gerechtshof te Den Haag, het Internationaal Muntfonds, de Unesco, het F.A.O. voor voedselorganisatie, het I.L.O. enz. zijn niet meer weg te denken.
Twee machtsblokken
De ideologisch wezenlijk van elkaar verschillende kapitalistische wereld en de socialistische wereld hadden tijdens de oorlog een verbond gesloten om het fascisme te kunnen verslaan, maar reeds tijdens de oorlog werd het wederzijdse wantrouwen steeds groter. Via allerlei crisissituaties breidde de S.U. haar invloed uit over Oost-Europa, tegenover Amerika in West-Europa. De spanningen tussen beide blokken stegen en de mogelijkheden tot politieke, economische en zelfs militaire conflicten namen toe, overal op de wereldbol. Het geheel van deze conflictmogelijkheden wordt onder één term gevat : de koude oorlog.
Maart 1946. Churchill beschuldigt de Russen ervan een ijzeren gordijn te hebben opgehangen tussen Oost- en West-Europa, waarop Stalin repliceert dat Churchill ruzie trachtte te stoken tussen twee geallieerde landen.
Maart 1947. De Amerikaanse president Truman kondigt de anti-communistische Truman-doctrine af en spreekt de noodzaak uit om de S.U. op alle terreinen te isoleren. Het Marshall-plan (zie hoger) kadert in deze politiek. De Sovjets creeren als reactie daarop in october 1947 de Cominform.
Juni 1948. De Sovjet-Unie snijdt de bevoorrading van West-Berlijn af. De spanning stijgt ten top en Amerika voert met 123 Westerse landen besprekingen om de Noord-atlantishe Verdragsorganisatie (NAVO of in het Engels NATO) op te richten. In april 1949 wordt dit anti-communistisch militair pact gerealiseerd.
Azië en de koude oorlog
Voor landen als Engeland, Frankrijk en Nederland loopt het kolonialisme op de laatste benen. Vrijheidsbewegingen beginnen steeds meer succes te boeken en het ene land na het andere verwerft zijn onafhankelijkheid. Het dekoloniserings-proces raakte echter verstrikt in het kluwen van de Koude Oorlog.
In het noorden van Indo-China vormden vrijheidsbewegingen een socialistisch geinspireerde Democratische Republiek Vietnam, die heel Vietnam wou bevrijden en verenigen. Frankrijk bleef het zuiden steunen en verzeilde in een uitzichtloze oorlog.
In China brak er een burgeroorlog uit tussen de zeer sterk geworden communisten van Mao Ze-dong en de Volksregering van Chiang Kai-shek. Tegen de zomer van 1948 domineerden de communisten het vasteland en riepen de Volksrepubliek China uit. De nationalistische regering vluchtte naar Taiwan, dat tot op heden, onder de hoede van de V.S., haar wettelijk recht om geheel China te besturen blijft staande houden.
Ter hoogte van de 38ste breedtegraad werd Korea in twee gesplitst. In het noorden werd de volksrepubliek Korea opgericht onder de vleugels van de S.U., en in het zuiden de democratische Koreaanse republiek met de V.S. als bondgenoot. Er brak een echte oorlog uit in de jaren vijftig en tot op heden staan beide met getrokken messen tegenover elkaar.
Einde van de bezetting van Japan
Japan en de Koreaanse oorlog
De koude oorlog bracht reeds wijzigingen in de Amerikaanse plannen, maar de Koreaanse oorlog betekende een totale ommezwaai in de relatie tussen de V.S. en Japan. Het land werd opgeeist als een volwaardige bondgenoot van het Vrije Westen. Hoger behandelden we de materie. Het verbieden van de nationale staking in februari 1947 beschouwen we als keerpunt. Toen werd duidelijk hoever Amerika wou gaan met de democratische experimenten. Het algemene bezettingsbeleid kwam in conflict met de nadruk op herstel van Japan om het als bondgenoot te kunnen gebruiken in de koude oorlog. Japan was immers een belangrijk geopolitiek steunpunt in Azie. We moeten hier wel vermelden dat Amerika de ommezwaai dicteerde tegen de andere geallieerden in. In Japan waren de conservatieven dadelijk bereid de trein terug te nemen.
Een ander signaal was de herziening van de wet inzake publieke ambtenaren, waardoor het stakingsrecht en het recht op collectieve onderhandeling aan deze klasse van werknemers werd ontzegd. De S.C.A.P. adviseerde deze herziening mede om de invloeden van linkse activisten uit te schakelen en de ambtenarij de kans te geven de Dodge-line uit te voeren. De oppositie trok de conclusies en hield zich verder gedeisd om niet kwijt te spelen wat reeds was bereikt. Alleen de communisten bleven hier en daar ageren. In vakbondmiddens en in de partijen ontstonden hevige twisten om de uiteindelijke controle. Toen in 49-50 de "Rode Zuiveringen" in de vakbonden begonnen, steunden de Amerikanen de communistenverdelging omdat ze "opbouwvijandige elementen" niet konden tolereren. De Dodge-sanering zorgde voor verdere sociale restricties en de ultieme stap werd bijna gezet in 1950 toen het G.H.Q. voorstelde de communistische partij buiten de wet te stellen. Het plan ging niet door maar de leiding van de partij werd opnieuw uitgezuiverd.
Op 25 juni 1950 brak oorlog uit tussen Noord- en Zuid-Korea. De UNO hielp het zuiden met troepen, vooral bestaande uit Amerikanen, terwijl China Noord-Korea steunde. De Derde Wereldoorlog leek in de maak, maar in juli 1951 kwam er een tijdelijke wapenstilstand. Amerika gebruikte Japan als basis en zette de Japanse bewapeningsindustrie terug op gang. Hierdoor kende de zware nijverheid weldra een bloei die het vooroorlogse niveau zelfs overtrof.
In Japan propageerden de Amerikanen zelfs een herbewapening. Ze stelden voor dat Japan een leger van 350.000 man op de been zou brengen om de eigen bodem te beschermen, en de Amerikaanse opdracht te verlichten. Om strategische redenen blokkeerde Japan, in de persoon van Yoshida, een totaal herbewapeningsprogramma. Yoshida deed wel concessies. Hij aanvaardde Amerikaanse bases op Japanse bodem en ging over tot de oprichting van de 警察予備隊- Keisatsu yobi tai, een kleine politionele defensiemacht, voorloper van de Self Defence Forces, juist genoeg om van Dulles de belofte van onafhankelijkheid voor Japan en de militaire bescherming van de V.S. los te krijgen. Conservatieve elementen die door de zuiveringen getroffen waren, kregen gratie en leden van de communistische partij werden geweerd uit overheidsinstellingen en belangrijke industrieel-economische concerns.
Het vredesverdrag 対日講和条約 Tainichi Kōwa Jōyaku
De uitbraak van de Koreaanse oorlog bespoedigde de plannen om de vrede met Japan te herstellen. Uit de woorden van F. Dulles bleek duidelijk de bedoeling: Japan moest een anti-communistisch bolwerk worden onder de beschermende militaire paraplu van de V.S. De S.U. en de meeste andere socialistische landen waren gekant tegen een vredesverdrag en eisten een globale benadering van de problematiek. Ze werden hierin gevolgd door de Japanse socialistische partij en de overkoepelende organisatie van de vakbonden 総評- Sōhyō die neutraliteit vroegen voor Japan en geen vreemde of eigen militarisering noch basisfaciliteiten wilden aanvaarden. Hiermee werd geen rekening gehouden en de overheid voerde, via Yoshida, onderhandelingen uitsluitend met de V.S. In september 1951 werd te San Francisco een vredesverdrag ondertekend door 48 landen, samen met de overeenkomst dat Japan voor zijn defensie mocht rekenen op de V.S.: 日米安全保障条約- Nichibei Anzen Hoshō Jōyaku. In april 1952 werd Japan door 48 landen opnieuw als soevereine staat erkend, maar o.a. Indië, de Sovjet-Unie, China, ... sloten zich hier niet bij aan.
Dooi in de koude oorlog
Wapenstilstand in Korea en in Indochina
De spanning tussen Oost en West nam enigszins af na de wapenstilstand in Korea, maar een fundamentele oplossing of vertrouwenstoename bleef uit. In juli 1951 waren de vredesonderhandelingen gestart, maar pas in juni 1953 konden ze tot een goed einde gebracht worden. In 1954 werd in Geneve een vredesverdrag gesloten inzake Indo-China. Bij de besprekingen speelde China een erg partijdige rol.
De conferentie van Bandoeng
In april 1955 namen 29 Afrikaanse en Aziatische landen een ongebonden positie in tegenover de supermachten. Indië, Pakistan, Indonesië, Birma en Ceylon nodigden de andere landen uit om economische en culturele samenwerking af te spreken en de strijd tegen het kolonialisme te coördineren.
De Topconferentie van Genève
In september 1954 werd de ZOAVO (Zuidoostaziatische Verdragsorganisatie, South East Asia Treaty Organisation) opgericht, een losse, defensieve alliantie, om verdere communistische expansie te voorkomen en Amerikaanse invloed in Azië veilig te stellen. Door het verlies van de Fransen in Dien Bien Phu was de angst voor verdere communistische expansie acuut geworden. Hoewel de VS de neutraliteitsclausule in Geneefse akkoorden naar de letter eerbiedigden, poogden zij toch Zuid-Vietnam bij dit bondgenootschap te betrekken. In april 1955 erkenden de Westerse mogendheden de onafhankelijkheid en het recht op herbewapening van West-Duitsland. Dit was voor de S.U. en de Oostblokstaten de aanleiding om het Pact van Warschau (14 mei 1955) te sluiten. Op de topconferentie van Genève in juli 1955 spraken de Verenigde Staten, de Sovjetunie, Groot-Brittannië en Frankrijk over beperking van de atoombewapening en wederzijdse troepenvermindering. Hoewel de conferentie weinig concrete resultaten opleverde, was er toch duidelijk sprake van ontspanning, hoewel dit weinig in de internationale politieke verhoudingen veranderde. De deelnemers bevestigden het status-quo.
Het vredesoffensief van de Sovjet-Unie
Na de dood van Stalin in 1958 werd Chroestjov de leider van de Sovjet- Unie. Hij streefde naar een vreedzame coëxistentie tussen beide blokken. Een vredelievende ontwikkeling zou moeten uitwijzen welke ideologie het beste was.
Herstel van de Japanse soevereiniteit
De 'pacifistische' grondwet en de herbewapening
Met de onafhankelijkheid bekwam het Japanse volk opnieuw de totale vrijheid al bleef er een zekere afhankelijkheid van de V.S. De overheid begon een aantal verworvenheden van de Amerikaanse bezetting anders te interpreteren, b.v. wat de wetgeving inzake de openbare orde betrof. Na de ondertekening van het vredesverdrag kwam het tot bloedige botsingen tussen betogers en politie op een plein voor het Keizerlijk Paleis, waar een demonstratieverbod gold. Deze 1 mei-demonstratie noemt men de 血のメーデー- Chi no Mēdē. Ze toont hoeveel rekening de conservatieven hielden met de mening van de oppositie. De reacties tegen het vredesverdrag en tegen de militaire verdragen leidden tot de afkondiging van 破壊活動防止法- Hakai Katsudō Bōshi hō en de oprichting van het 公案調査庁- Kōan Chōsa chō (Bureau voor controle van de openbare orde). Verder werd in 1954 de politiewet herzien en werden de politiestructuren gecentraliseerd, nadat ze een tijdlang door Amerika gedecentraliseerd waren.
De stap naar de herbewapening werd schoorvoetend gezet, maar door een herinterpretatie van artikel 9 van de grondwet werd het principe aanvaard. In 1952 werd het Secretariaat voor de Openbare Orde opgericht, waarin de Nationale Politie-reserve werd ondergebracht, die nu de naam 保安隊- Hōantai kreeg. In 1954 sloten Japan en de Verenigde Staten het Mutual Defense Assistance Agreement: 日米相互防衡援助協定- Nichibei Sōgo Bōkō enjo kyōtei kyei dat Japan bepaalde plichten inzake verdediging oplegde. Daartoe werd in juni 1954 de 自衛隊- Jieitai opgericht onder de civiele controle van het 防衡庁- Bōkō chō (Defense Agency). De Jieitai werd een corps van 250.000 manschappen, met een kleine zeemacht, landmacht en luchtmacht. Om uiteenlopende redenen waren noch links noch rechts gelukkig met deze evolutie, wat verklaart waarom de Jieitai vrij veel civiele opdrachten dient uit te voeren.
De defensietroepen, het veiligheidspacten en de Amerikaanse bases in Japan waren een doorn in het oog van de linkse oppositie. Het druiste in tegen de geest van de grondwet en betekende een toegeving aan Amerikaanse dictaten. Tot op heden blijft de Jieitai een gevoelig en controversieel politiek punt.
Een belangrijke doelstelling van de conservatieven, een van de redenen voor hun fusie in 1955, was het hervormen van de grondwet. De gevolgen van de zuiveringen waren vrijwel volledig tenietgedaan, en nu moest de opgedrongen grondwet gewijzigd worden in een "eerbare" grondwet (o.a. art. 9 en het statuut van de Keizer). Linkse partijen, vakbonden, culturele groeperingen verzetten zich heftig in de 憲法擁護国民連合- Kenpō Yōgo Kokumin Rengō en verhinderden dat de regering tot de benodigde tweederde meerderheid kwam in het parlement. In de volgende jaren verminderde de conservatieve meerderheid zodat het probleem politiek nog steeds belangrijk is, maar toch niet meer op het voorplan treedt.
Wederoptreden op het internationaal toneel
In december 1954 werd Yoshida ervan verdacht hoge ambtenaren te beschermen door hen immuniteit te verlenen in een omkoopschandaal bij de scheepswerven. Dit bracht hem ten val, maar er was ook een dieperliggende reden. De liberale partij van Yoshida werd met scheuring bedreigd omdat Hatoyama en andere leiders die na de oorlog waren uitgezuiverd nu in eer werden hersteld en Yoshida niet met hen wou samenwerken. In maart 1953 scheurden Hatoyama en zijn volgelingen zich af. Yoshida won zeer nipt de verkiezingen zodat hij slechts tot december 1954 met een minderheidskabinet in het zadel kon blijven. In februari 1955 werd Hatoyama's democratische partij de grootste. Hatoyama Ichirō (1883-1959) bleef trouw aan de overeenkomsten met de V.S. in zijn buitenlands beleid, maar had een voorkeur voor geopolitieke overwegingen die niet altijd de goedkeuring van de Amerikanen wegdroegen.
Japan was verplicht geweest om een vredesverdrag met Taiwan (nationalistisch China) af te sluiten, maar Hatoyama streefde naar een verbetering van de relaties met communistisch China en de Sovjet-Unie. De Amerikanen konden dit niet aanvaarden en boden veel tegenkanting, maar toch begon Japan onderhandelingen met de S.U. die voerden tot het 日ソ同宣言- Nisso Kyō Sengen in october 1956, die een herstel van de diplomatieke relaties mogelijk maakte. Hatoyama hechtte veel belang aan deze relaties, omdat ze Japan niet al te sterk identificeerden met Amerika in de koude oorlog en omdat ze internationaal eerherstel voor Japan mogelijk maakten. De onderhandelingen verliepen erg moeizaam. Rusland hield nog veel Japanners krijgsgevangen en, ondanks het feit dat Japan zijn aanspraken op de Koerillen had opgegeven, bleef het beweren dat de kleine eilanden Shikotan en Habomais deel van Hokkaidō uitmaakten en dat de twee zuidelijkste Koerillen, Kunashiri en Etorofu, toch onmiskenbar Japans waren. Rusland gef niet toe, zodat een volwaardig vredesverdrag uitbleef, maar dank zij de normalisering van de betrekkingen kon Japan in 1955 lid worden van de GATT en in 1956 van de UNO. Zo herwon het voor bijna honderd procent zijn plaats als soevereine staat op de internationale scene.
Op binnenlands vlak is 1955 het begin van een politiek tijdperk dat een verdere polarisering zag in twee blokken. De socialistische partij vormde opnieuw een hecht blok, na haar verscheuring in 1950-51 over het vredesverdrag met de V.S. In de verkiezingen kon ze de twee liberale partijen in het nauw drijven, zodat de 日本自由党- Nihon jiyū tō en de 日本民主党- Nihon minshu tō verkozen te fusioneren tot de 自由民主党- Jiyū minshu tō. Vanaf dat ogenblik begon het 55 年体制- Gojgo nen taisei, waarover later meer. Hatoyama voerde weliswaar een minder dociele koers tegenover de V.S., maar zijn conservatieve, nationalistische opvattingen waren toch duidelijk. Hij streefde naar een herziening van de grondwet en het instellen van een meer gecentraliseerd bestuur.
In 1956 werd de 憲法調査会- Kenpō Chōsa kai opgericht en in 1957 werden de onderwijsraden, na de oorlog via openbare verkiezingen aangeduid, opnieuw door de centrale administratie benoemd.
Ontwikkeling van de Japanse economie
Na de oorlog in Korea geraakte de Japanse economie tijdelijk opnieuw in een crisis die werd overwonnen door een de atoir beleid van Yoshida, door invoerbeperkingen en exportgerichte investeringen. Na 1954 kreeg Japan vele buitenlandse leningen en kon het onder meer door licentie-overeenkomsten een modernisering van haar zware nijverheid doorvoeren. Van bij het begin was deze exportgericht. De nieuwe welvaart overtrof vanaf 1955-56 het vooroorlogse niveau. De Japanners noemden ze 神武景気- Jinmu keiki naar de mythische grondlegger van Japan, Keizer Jimmu, rond 660 voor Christus. De investeringen bleven toenemen en technische vernieuwingen werden op grote schaal doorgevoerd, vooral in de sleutelsectoren. In 1957 lag de productie van de Japanse industrie driemaal hoger dan voor de oorlog. In 1958 stagneerde de economische groei even door een toename van de import. Vanaf 1960 begon een gestage en ononderbroken opgang die 岩戸景気- Iwato keiki werd genoemd. Het herstel en de leidende economische rol die Japan en West-Duitsland gingen spelen, verrasten de wereld. Deze opgang is zeker mede te wijten aan de argeloosheid van het Westen. Men schoof Japan heel wat geld en technologie toe, zodat Japan aanvankelijk veel research uitspaarde. Bovendien voerde het een weloverwogen planeconomie binnen het kader van een orthodox conservatisme. Bij de zogenaamde Yoshida-premissen werd de sociale ontwikkeling naar de tweede plaats verwezen.
Toenemende politieke bewustwording
Het was vooral het buikriem aanhalen-beleid van de reactionaire conservatieve regering, naast de uitbouw van de Jieitai, de centralisering van politie en onderwijs, de geplande grondwetsherziening die heel wat georganiseerd verzet van de linkerzijde veroorzaakte. Reeds in 1952 vonden manifestaties plaats maar het verzet was niet gestructureerd, zodat er een scheuring kwam in de Socialistische Partij. De dubbelzinnige houding van de V.S. tegenover Japan resulteerde in een ambivalente houding van Japan tegenover de V.S., die vooral tijdens de regering Nixon door enkele conflicten nog toenam. De regering gebruikte in haar contacten met de Amerikanen de eisen van de oppositie om een minimum aan goodwill te betonen. De eerste veiligheidsovereenkomsten leidden tot massaal en erg fanatiek verzet. Rond deze tijd ontstond in de Japanse politiek een nieuwe stroming die men later het pluralisme is gaan noemen, een beweging die moeilijk te omschrijven valt als links of rechts, pro- of anti-Amerikaans. Amerikanen en Russen waren immers vanaf 1955 begonnen aan een wedloop inzake kernbewapening en ze hielden vele nucleaire proeven die in Japan met afgrijzen werden bekeken. In augustus 1955 werd voor de eerste maal in Hiroshima de 原水爆禁止世界大会- Gensuibaku kinshi sekai taikai georganiseerd, waarvan de invloed tot op heden een constante in de Japanse politiek is gebleven. De omvang van deze beweging dwong de conservatieven toezeggingen te doen in verband met de ontwikkeling van kernenergie in Japan, zo o.a. het verbod om kernwapens te installeren op Japanse bodem.
In december 1956 trad de bejaarde Hatoyama, die heel wat diplomatiek succes behaalde, af en werd opgevolgd door Ishibashi Tanzan, die reeds na twee maanden, omwille van ziekte, het roer uit handen moest geven aan Kishi Nobusuke Kishi Nobusuke 岸信介, een van de merkwaardigste figuren uit de geschiedenis van het moderne Japan. Hij was een notoir anticommunist en een oorlogsmisdadiger. In de jaren dertig was hij een van de topfiguren in het burgerlijk bestuur van Manchuguo. Onder Tōjō was hij Minister van Buitenlandse Zaken, en bijgevolg mede-ondertekenaar van de oorlogsverklaring aan de V.S. Hij zat drie jaar in de gevangenis en werd gerehabiliteerd in 1952. Hij sloot zich noch bij de factie van Hatoyama, noch bij die van Ikeda aan, maar was in feite in beide kampen actief. Zo slaagde hij erin na amper 5 jaar Eerste Minister te worden tijdens een van de meest periodes uit de naoorlogse Japanse geschiedenis. In februari 1957 werd Kishi premier en voorzitter van de LDP. Hij was de architect van een nieuw vredesverdrag met de V.S. in januari 1960 日米安全保障条約の改定- Nichibei Anzen HoshJōyaku no Kaitei en voerde een vijandig beleid tegenover China, helemaal zoals de V.S. het wenste, en tegen het open bilateraal beleid van Hatoyama in. Op binnenlands vlak stimuleerde hij de economie, en trachtte hij de democratische verworvenheden terug te schroeven, wat hem slechts ten dele lukte. Hij slaagde erin op brutale en slinkse wijze het Defensieverdrag te laten goedkeuren in de Diet. Het Verdrag stuitte op veel vocaal en parlementair verzet en zelfs binnen de rangen van de LDP waren de meningen zeer verdeeld. Daar kwam nog bij dat Kishi het Verdrag wou goedgekeurd zien voor de komst van president Eisenhower. De stemming werd volledig vervalst door het feit dat Kishi enkele honderden zware jongens in het parlementsgebouw posteerde om de oppositie het spreken te beletten. Het plan werd meerderheid tegen oppositie goedgekeurd. Door dit maneuver verloor hij wel zijn geloofwaardigheid, zelfs bij de financiële kringen. De voortdurende demonstraties van oppositie, studenten, vakbonden, kostten hem wel het premierschap in wat men de 安保闘争- Anpo tōsō noemt. Bovendien zegde Eisenhower zijn bezoek af wegens de hevige rellen. Het lijdt geen twijfele dat het Verdrag er toch zou gekomen zijn, maar de wijze waarop Kishi de parlementaire procedures met voeten trad, maakten hem persona non grata bij brede lagen van de bevolking.
Japan en de hedendaagse wereld
Het Ikeda Hayato-kabinet
Na de regering Kishi werd Ikeda Hayato 池田勇人(1899-1965) in juli 1960 Eerste Minister. Zoals Kishi streefde hij een vlotte samenwerking met de V.S. na en confereerde zelfs met president Kennedy om een zo vruchtbaar mogelijke economische en culturele samenwerking te realiseren. Hij bracht een verbetering van de relaties emt Korea tot stand en liet de handel met communistisch China opbloeien door een strikte scheiding van politiek en economie. Op binnenlands vlak maakte hij zich zeer populair met het 所得倍 増計画- Shotoku baizō keikaku. In het kielzog van de vooruitrazende Japanse economie werden heel wat kiezers naar de LDP getrokken. Zijn beleid volgde de Yoshida-doctrine. Het Bruto Nationaal Product steeg, weliswaar gebaseerd op het bevoordeligen van het monopoliekapitaal, de nieuwe metamorfose van de oude zaibatsu 財界- zaikai. Deze tendens leidde naar het kristalliseren van de 日本経済の二重構造- Nihon keizai no nijūkōzō, de inversteringsboom veroorzaakte prijsstijgingen, aangezien het spel van de vrije concurrentie niet volledig werd gespeeld. Voor het eerst dook na de tweede wereldoorlog het probleem op van de openheid voor buitenlandse producten. Dit trad in alle duidelijkheid naar voor toen Japan lid werd van de O.E.C.D.
De regering Satō Eisaku
Ikeda moest aftreden om gezondheidsredenen in october 1964 en opnieuw werd een Yoshida-discipel regeringsleider: Satō Eisaku 佐藤栄作(1901-1975). Hij vervolgde de politiek van Ikeda, maar was minder diplomatisch. Hij schuwde de ideologische confrontatie met de linkerzijde niet en durfde controversiële besluiten door het parlement jagen zonder veel consideratie voor de procedures, b.v. de verlenging van het veiligheidsverdrag met de V.S. in 1970. In 1965 werd een definitief vredesverdrag met Korea gesloten, het 日韓基本条約- Nikkan Kihon Jōyaku samen met enkele verdragen over economische samenwerking. Ook hier bestond veel verzet, maar spoeddebatten en het manipuleren van de procedures zorgden ervoor dat voor december 1965 het Korea-probleem van de baan was. Onder zijn legislatuur begon in het Japanse dagelijkse leven het nationalisme weer op te duiken, getuige het bepalen van een "Herdenking van het Ontstaan van de Natie" 建国記念日制 定- Kenkoku kinenbi seitei in 1966 en het vieren van de Meiji-revolutie 明 治百年祭- Meiji hyakunen sai in 1968.
Satō kon in 1969 een overeenkomst afsluiten met de Amerikaanse president Nixon, waardoor in 1972 Okinawa zou teruggegeven worden aan Japan, al mochten de Amerikaanse bases er ongehinderd actief blijven, o.a. in de Vietnam-oorlog. Reeds vanaf 1955 organiseerde de bevolking van Okinawa protestmanifestaties tegen deze bases. Vanaf 1960 verbreedde de beweging haar doelstellingen en ging ze ijveren voor een aansluiting bij het moederland. Ook deze overeenkomst werd met gemengde gevoelens ontvangen in Japan omdat Satō in ruil beloften had gedaan en verklaringen afgelegd die niet in de Diet besproken waren. Amerikaanse bases zouden niet worden ontmanteld, de Amerikanen moesten niet beloven er geen kernwapens op te slaan en het zag er zelfs naar uit dat de Amerikanen de toezegging hadden gekregen om kernwapens te mogen transporteren over het gehele Japanse grondgebied. Dit was een uitvloeisel van de tweede stelling van Satō dat Japans veiligheid zich voortaan uitstrekte tot wat er gebeurde in Taiwan en Korea. Communistische aanvallen in deze gebieden zouden als een rechtstreekse bedreiging van de Japanse veiligheid beschouwd worden met alle gevolgen vandien. Deze verkalringen kwamen hard aan, vooral bij de oppositie die de rol van de V.S. in Vietnam diep verafschuwde en vreesde dat heel Japan zou opengesteld worden voor de Amerikaanse oorlogsmachine. Omwille van de protesten werd hij tot aftreden gedwongen in 1972. De zaikai moesten een populairder figuur benoemen.
Japan onder Ikeda en Satō
Er kwam een toename van het aantal politieke partijen. In 1964 scheurde de 民主社会党- Minshu shakai-tō later 民社党- Minsha-tō zich af van de Socialistische Partij. Deze rechtervleugel van de socialisten was voorstander van het veiligheidsverdrag met de V.S. Deze scheuring was een groot verlies voor het Socialistisch Front dat hoopte de meerderheid van de LDP te doorbreken, maar nu zijn stemmen zag versplinteren. (Tot vandaag is deze 民社党- Minsha-tō meer tot compromissen met de meerderheid bereid dan de beginselvaste Socialistische partij.) In 1964 kalfde er nog meer van de socialistische achterban af toen de 公明党- Kōmei-tō werd gevormd, een emanatie van een moderne religieuze beweging, de Sōka Gakkai. Dit is een erg succesvolle heropleving van de Boeddhistische leer van Nichiren (1222-1282). Zijn miljoenen volgelingen dankt de beweging vooral aan de sociale steun die de leden elkaar bieden in een tijd van groeiende anonimiteit bij de lagere klasse in de steden. Dit was precies de groep waarin ook de socialisten het meest aanhang hadden. De Keitis de enige echt nieuwe naoorlogse politieke partij.
Een andere factor die de politieke waaier uitbreidde, was het herwinnen van aanzien en belang van de 日本共産党- Nihon kyōsan-tō. Na jaren twijfelen tussen het volgen van de Russische of de Chinese lijn, besliste ze een eigen koers te volgen. Zij recruteert uit de hogere intellectuelen en vrije beroepen, vooral in de steden. In 1972 kreeg ze 10,5 procent, en in 1986 8,79 procent van het kiespubliek aan haar zijde. De Japanse communisten hebben het respect in eigen land herwonnen niet zozeer omwille van hun ideologie als omwille van hun intellectuele bijdrage tot het sociale leven, hun actieve rol in conflicten, zoals de milieuproblematiek, enz. De linkse studentenbeweging speelde ook een niet onaanzienlijke rol in het politieke leven door hun taai verzet tegen de veiligheidsverdragen in 1960 en 1970, hun manifestaties tegen de Vietnam-oorlog, enz. Toen werden ze door vele burgers gesteund, maar naarmate ze radicaler en gewelddadiger werden en hun doelstellingen door de versplintering steeds obscuurder werden, verloren ze de sympatie van velen.
In het begin van de jaren zestig draaide de Japanse economie op volle toeren, werden enkele uiterst protectionistische maatregelen versoepeld en begon Japan aan een veroveringstocht van de internationale markten. In 1964 sloot Japan aan bij het IMF en de OESO. Tevens werden de beurs en het �nancieel wezen geliberaliseerd. De nadruk lag op de groei van sterke, monopolistische sectoren, wat vele kleinere bedrijven in moeilijkheden bracht en een plattelandsvlucht veroorzaakte. Tot het einde van de Satō-legislatuur zien we vier fasen :
- 50-55 (na de bezetting). De oorlog in Korea betekent een keerpunt. De enorme Amerikaanse aankopen stimuleren tot produceren en moderniseren. Het beleid werd vooral met twee problemen geconfronteerd: energie en voedselbevoorrading. De 国土総開発法- Kokudo Sō Kaihatsu hō fundamentele
bedoeling prioriteit voor het opwekken van energie en landbouw, bosbouw, visserij bevorderen.
- 55-60 (industriële ontwikkeling). Kapitaalkrachtige ondernemingen zochten geschikte investeringsplaatsen. De overheid had utisluitend oog voor
economische factoren. Vrijwel alle vestigingen kwamen aan de Oostkust, de kant van de Stille Oceaan.
- 60-64 (Globaal Nationaal Ontwikkelingsplan 全国総合開発計画- Zenkoku Sōgō Kaihatsu keikaku ). Een periode van zeer snelle economische groei,
vooral van de zware en de chemienijverheid. De bedoeling van het plan was om de industrie te spreiden zodat de regionale ontwikkeling op gang zou komen en de bevolkingskernen wat meer zouden gespreid worden. De nadruk lag ook hier vrijwel uitsluitend op het economische zodat sociale aspecten en milieuproblematiek buiten beschouwing bleven. Schrijnend is dat de meeste plannen gerealiseerd werden met het geld van de kleine spaarders die niet de minste inspraak hadden, en vaak zelf de kwalijke gevolgen moesten dragen.
- 65-72 Het Nieuw Globaal Ontwikkelingsplan van Satō verklaarde dat de tijd gekomen was om de economische winsten rechtvaardiger te verdelen.
Het bleef een holle slogan die alleen op het vlak van het milieubeleid enig resultaat had.
Algemeen mogen we stellen dat onder Ikeda en Satō Japan een economische basis uitbouwde waarmee het de rest van de wereld met succes overblufte. Het werd hierbij geholpen door het argeloze Amerika dat vooral een sterke bondgenoot in Azië zocht.
De relaties tussen de V.S., de S.U. en China
Rond 1960 heersten er grote internationale spanningen vooral tussen de V.S.en de S.U. Ten tijde van de Cuba-crisis in 1962 bereikte de spanning een hoogtepunt. Rusland rustte Cuba uit met kernwapens, wat de Amerikanen beschouwden als een rechtstreekse bedreiging. Kennedy riep een algehele blokkade van Cuba uit en Rusland zwichtte. De raketten werden ontmanteld. Na deze crisis kwam er een zekere dooi en werden nog andere compromissen bereikt.
Het absolute gezag van de V.S. verminderde in het Westen, zodat de NATO een moeilijker te besturen geheel werd. Onde De Gaulle trok Frankrijk zich terug uit de organisatie. Europa trachtte zich internationaal beter te profileren door het stichten van de EEG.
In het Communistisch blok ontstond eveneens verdeeldheid tussen Rusland en China. China verweet de S.U. haar verzoenende houding tegenover de V.S. Bovendien strooiden enkele grensgeschillen roet in het eten. Het kwam tot een breuk in 1962. Mao werd absoluut alleenheerser in China en tijdens de culturele revolutie werden dissidente groepen en ideologisch onzuivere personen uit de weg geruimd. In 1966 bereikte de beweging haar hoogtepunt, met hevige anti-V.S., maar ook virulente anti-S.U.-gevoelens. Nadien kwam er langzaamaan een meer pragmatische koers die vele Westerse landen aanzette tot de erkenning van Communistisch China. In 1971 werd de Volksrepubliek door de Verenigde Naties erkend als de enige echter vertegenwoordiger van het Chinese volk. Uiteraard verliet Taiwan de organisatie. In 1972 volgde een grote schok. Zelfs de V.S. die vroeger Japan hadden verboden toenadering te zoeken erkenden onder president Nixon de Volksrepubliek. Het zorgde voor grote beroering in Japan, maar onder Tanaka Kakuei werden in september 1972 ook de Sino-Japanse betrekkingen genormaliseerd.
De oorlog in Vietnam
Na de wapenstilstand van 1954 trok het Franse leger zich terug uit Indo-China. communisten in het noorden, de Vietcong, streefden naar een hereniging onder hun bewind. De V.S. kozen de zijde van Zuid-Vietnam. Ondanks de 500.000 mariniers kon Amerika geen militair overwicht bereiken. De wijze van oorlogvoeren werd aangeklaagd in en buiten de V.S. Bovendien werd de economische prijs zo hoog dat in 1968 president Nixon onderhandelingen begon in Parijs. Ze leidden tot een bestand dat door beide partijen werd geschonden. Pas in 1973 kwam er een verdrag waardoor Vietnam onder socialistisch bewind herenigd werd.
De regeringen na Tanaka Kakuei (田中角栄)
Satō verkocht zijn buitenlands beleid op onhandige wijze in Japan zelf, wat Tanaka aan de macht bracht.Hij was zeer populair en had een grote flair voor politieke afspraakjes. Hij bouwde verder op Satō's voorbereidingen en normaliseerde de realites met China 日中共同声明- Nitchū kyōdō seimei. Op binnenlands vlak vroeg hij steun voor een economisch beleid op lange termijn (streefdatum 1985). Het plan voorzag verscheidene regionale centra die door een spin-off-effect een algemene verbetering van de welvaart en een spreiding van de milieubelasting zouden veroorzaken, het 日本列島改造計画- Nihon rettōkaizōkeikaku. De uitvoering verzandde in corruptie, politiek gekuip en speculatie. De oliecrisis verergde de situatie. De prijs van de voornaamste energiebron verviervoudigde en de inflatie flakkerde op. Onmiddellijk stemde Japan zijn buitenlands beleid af op het verbeteren van de olie-import.Tanaka werd tot aftreden verplicht in het Lockheed-schandaal.
Miki Takeo 三木武夫werd in december 1974 premier. Vele LDP fracties boden slechts matige steun. Het diende opgelost zonder de LDP zelf schade te berokkenen, en verder moest Miki de brokstukken lijmen na de oliecrisis en het mislukken van Tanaka's economische hervormingen. Hij werd tot aftreden gedwongen wegens de kritiek op zijn beleid. Hij versoepelde de anti-monopoliewetgeving, kreeg moeilijkheden met Zuid-Korea omdat de politieke leider Kim Dae Yung in Tokio ontvoerd werd, en onderhandelde over een vredesverdrag met China.
Fukuda Takeo 福田武夫had vooral aandacht voor de economische situatie in Japan. Ondanks de waardevermeerdering van de Yen voerde hij een agressief exportbeleid voeren. In augustus 1945 realiseerde hij het 日中平和 友好条約- Nitchū heiwa yūkō jōyaku. Sinds 1978 wordt Japan internationaal steeds meer beschuldigd van onfaire handelspraktijken 貿易摩擦- Bōeki Masatsu. Tot op heden is deze problematiek actueel.
In 1978 moest Fukuda het afleggen tegen zijn rivaal Ōhira Masayoshi 大平正芳 een christen en trouw aanhanger van de buitenlandse politiek van Jimmy Carter, b.v. bij het veroordelen van de S.U.-tussenkomst in Afghanistan. De afgekoelde relatie met de S.U. gaf tegenstanders binnen de LDP als Fukuda en Miki de kans Ōhira te dwarsbomen. Ōhira schreef verkiezingen uit om zijn positie te verstevigen. Al verloor de LDP een zetel, toch kon Ōhira met de steun van Tanaka premier blijven. In 1980 onthielden de fracties van Fukuda en Miki hun steun aan het kabinet na een motie van wantrouwen van de opositie. ^ Ohira kwam ten val en overleed tijdens de verkiezingscampagne. Zijn dood ging gepaard met een enorm rouwbetoon van het volk en een grote verkiezingsoverwinning van de LDP. De nieuwe compromis-figuur, waarmee Miki en Fukuda vrede konden nemen onder toezicht van Tanaka, was Suzuki Zenkō 鈴木善幸. Hij begon administratieve hervormingen maar moest aftreden omdat hij belastingshervormingen voorstelde en tegenover de V.S. een tamme houding aannam. Zij eisten namelijk een grotere defensie-inspanning en een vermindering van de export naar het Westen.
De grote internationale kwesties
Locale oorlogen
In de jaren zeventig en tachtig geven regionale con icten nog steeds aan dat de tegenstellingen tussen Oost en West blijven bestaan. Het flagrantste voorbeeld is het conflict in Afghanistan, waar Russische troepen zich mengden in de binnenlandse tegenstellngen. Ondanks het heel eigen karakter van de oorlog Iran-Irak, uitgebroken in 1981, komen ook hier tegengestelde belangen van Oost en West aan het licht. Op vele plaatsen wordt de dominantie van S.U. en V.S. steeds meer in vraag gesteld (Chili, Polen, Nicaragua, enz.)
De Volksrepubliek China
Het streven naar hereniging van het gehele grondgebied blijft. Hong- Kong is sedert 1 januari 1998 weer deel van het territorium van de Volksrepubliek, maar Taiwan begint zich, zeer tot ongenoegen van Beijing, steeds meer als een aparte identiteit los van het vasteland te beschouwen. Na het overlijden van Mao ontstond er een machtsstrijd tussen de nieuwe pragmatici als Hua Guo-feng, Deng Xiao-ping tegen de zogeheten bende van 4. Deze laatste verloor de strijd en stond terecht. De beschuldiging luidde dat zij de echte aanstokers van de culturele revolutie waren geweest en dat ze Mao de macht hadden afhandig gemaakt.
Noord-Zuid-probleem
Na de wereldoorlog schiep de dekolonisatie vele nieuwe landen vooral in Azië en Afrika. Vele daarvan zijn aangewezen op ontwikkelingshulp van rijke landen waartoe ook Japan behoort. Er is weinig politieke motivatie om deze landen te helpen, omdat ze ideologische onafhankelijk willen blijven en weinig politieke stabiliteit kennen. Omdat de noden steeds grotere proporties aannemen en deze landen politiek een belangrijker rol gaan opeisen, vormt de Noord-Zuid-dialoog stilaan een reëlere problematiek dan de Oost-West-tegenstelling.
Anti-nucleaire beweging, vredesbeweging
De oorlog om de Falklands en de druk van de internationale opinie versterkten de roep om ontwapening. Onderhandelingen tussen de V.S. en de S.U. verlopen hoopvol, maar een vraagteken blijven de "onafhankelijke" kernmachten: China, Indië, Pakistan, Irak, Zuid-Afrika, Israël, enz. Ook het vreedzaam gebruik van kernenergie wordt in vraag gesteld sinds Three Mile Island en Tchernobyl.
Actuele problemen van Japan
De internationale politieke constellatie
Japan bleef lang genieten van Amerikaanse militaire hulp, economische steun en samenwerking. De vraag naar een eigen inbreng wordt sinds 1980 steeds groter. Amerika ziet in Japan een belangrijke, liefst sterke bondgenoot tegen de S.U. Japans economisch protectionisme staat ook onder sterke druk. De liberalisering en de afschaffing van de invoerbeperkingen gaan volgens de rest van de wereld niet snel genoeg. Blijft de vraag of een open Japan de economische relance van de wereld zou kunnen dragen. Van Japan wordt meer humanitaire betrokkenheid en een een ernstige bijdrage verwacht in de ontwikkelingshulp. Verdere problemen zijn de V.S.-bases op Okinawa, en de niet nagekomen belofte van Rusland uit 1965 om Kunashiri en Etorofu terug te geven.
Binnenlandse politieke evolutie
Na de oorlog werd Japan vrijwel doorlopend geregeerd door een conservatief bestuur. Vragen naar de rechtvaardigheid van het kiesstelsel en het gebruik van politieke fondsen rezen hierbij. Een goed regionaal beleid werd belemmerd door het droppen van veteranen uit het Ministerie voor Zelfbestuur en door corruptie. De administratieve hervorming onder het motto "afslanken van de overheid" botst op onwil en tegenwerking van de gevestigde belangen en verworven rechten.
Economie en maatschappelijk leven
De economische ontwikkeling van Japan is oogverblindend, met zijn computers, industriële robotica, enz. Deze spitstechnologie wordt gesteund door een ronduit schitterende infrastructuur (luchthavens, spoorwegen, snelwegen). Deze ontwikkeling is bijzonder eenzijdig en op sociaal vlak kampt Japan met enorme problemen: een oplopende werkloosheid, tewerkstelling onder niveau, burakumin, de milieuvervuiling, plattelandsvlucht, vergrijzing, ontoereikende sociale voorzieningen en verzorgingsfaciliteiten. Zelfs in de productie zijn ernstige problemen. De regionale economie, vooral in onderaannemerschap, komt in moeilijkheden, de rijstsector wordt door enorme subsidies overbeschermd, Japan blijft kampen met tekort aan eigen energie en voedselproductie. De aanleg zonder scrupules van moderne spoorwegen en autowegen in dichtbevolkte gebieden bedreigt de leefkwaliteit van tallozen. De Japanner biedt het prototype van de moderne mens in de massaconsumptie, die tevens het slachtoffer is van eroderende morele waarden en van algemene grootstedelijke anonimiteit. Vele hardnekkige problemen lijken onoplosbaar te worden zonder een beroep op "hogere levenswaarden". Dit verklaart de opgang van protestgroepen tegen de verloedering van de literatuur, maar ook het opduiken van gewelddadige gangs, geweld op scholen, zelfmoorden.
Japan: een balans
Na de oorlog groeide in Japan een democratische staat, even goed of even slecht functionerend als de meeste Westerse landen. De voornaamste verworvenheid is dat de realisaties van de moderne cultuur, wetenschap en techniek voor iedereen bereikbaar zijn. Wellicht is het aantal Nobelprijzen een goede graadmeter (Japanners gebruiken hem zelf graag): Yukawa Hideki (fysica, zie hoger), Tomonaga Shinichirō (fysica, 1965), Yasunari Kawabata (literatuur, 1968), Ezaki Reona (1973), Satō Eisaku vrede, (1974), Fukui Kenichi (1981), Tonegawa Susumu(1987). Als economische leider wordt Japan geconfronteerd met de vraag hoe het zich moet integreren in de nieuwe wereldorde, waarin het een vooraanstaande rol moet spelen, in tegenstelling tot 1868.

