De evolutie van het feodale klassenonderscheid in Japan
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Inleiding
Opkomst van het feodalisme
In 1185 greep Minamoto Yoritomo en zijn militairen de macht. Hij plaatste zijn administratie (het bakufu) in Kamakura en verkreeg van de keizer de titel van Shōgun, waardoor hij formeel erkend werd als hoofd van de militaire macht. Hij zette een systeem op waarbij hij de landeigenaren als zijn vazallen aan zich bond, en dus de feitelijke politieke macht had. Dit kan beschouwd worden als het begin van het feodale systeem in Japan. Dit systeem zou blijven bestaan tot de Meiji-omwenteling in 1868. De twee eeuwen voordien was de Tokugawa familie aan de macht. Hoewel het Tokugawa bakufu door verschillende hervormingen probeerde het tij te keren, was al lang duidelijk dat er een einde zou komen aan de feodale organisatie van Japan.
De feodale samenleving
De landeigenaren, of daimyō, onderhielden de samurai die trouw aan hen zweerden. Ze kregen een vast inkomen, dit geld was afkomstig van de belastingen die werden opgelegd aan de boeren. Het paste immers niet voor samurai om zelf geld te verdienen. De samurai waren verdeeld in verschillende klassen. Hogere samurai werden verondersteld niet met lagere samurai te trouwen, net zoals huwelijken tussen samurai en gewone burgers (heimin) verboden waren. Samurai waren makkelijk te herkennen aan hun haardracht, zij waren ook de enigen met het recht een zwaard te dragen. Centraal in de code van de samurai (bushidō) stond de absolute trouw aan hun meester, die dan verwacht werd van hen goed te behandelen.
Val van het Tokugawa bakufu
Toen in 1853 Matthew Perry met zijn zwarte schepen in de haven van Uraga verscheen, veroorzaakte hij een schokgolf in de Japanse samenleving, die uiteindelijk zou leiden tot het aftreden van de Shōgun. Voor zijn komst was deze samenleving echter ook al aan het veranderen, en waarschijnlijk heeft de komst van de buitenlanders de gebeurtenissen enkel versneld.
Geleidelijke verzwakking van het feodale stelsel
Er ontstonden verschillende nieuwe filosofische stromingen die zorgden voor een opkomst van nationalisme. Dit betekende concreet vooral een sterkere aanhang voor de keizer als politiek leider van zijn volk. Men vroeg zich af of loyaliteit ten opzichte van de keizer niet zwaarder moest doorwegen dan loyaliteit ten opzichte van een feodale meester. Dit speelde natuurlijk niet in het voordeel van de Shōgun.
Vooral door economische moeilijkheden werd de band tussen daimyō en samurai minder sterk. Om te beginnen kostte het Sankin Kotai systeem de daimyo veel geld. Dit systeem bestond eruit dat de familie van de daimyō als een soort gijzelaars in Edo verbleef, terwijl deze van de stad naar zijn domein ging. Om te besparen kon dan de betaling van het inkomen aan de samurai uitgesteld worden. Een andere factor die meespeelde in de geldproblemen van de samurai, was het feit dat hun inkomen in rijst werd uitbetaald, terwijl ze het grootste deel van de tijd in de stad leefden, waar met geld moest worden betaald. Dus moesten ze hun rijst omwisselen in geld, wat altijd in hun nadeel uitdraaide. Door hun armoede adopteerden sommige samurai kinderen van rijke heimin tegen betaling, waardoor deze opklommen in stand.
De boeren op het land ging het al niet veel beter af. Een andere manier waarop een daimyō zijn geldmoeilijkheden kon oplossen was immers hun belastingen verhogen. Verder was het voor hen natuurlijk ook nadelig dat er in geld in plaats van in rijst betaald moest worden, en zij waren ook altijd degenen die armer werden door de wisselende rijstprijzen. Vele waren gedwongen hun grond te verkopen aan rijke burgers. En dan waren er nog de slechte oogsten en epidemies. Om aan de vreselijke armoede te ontsnappen, emigreerden vele boeren naar de stad. Het onderscheid tussen de standen vervaagde. Boeren werden stadsburgers. Burgers kochten boerderijen. Rijke heimin werden samurai. En sommige samurai gaven hun geboorteprivileges zelfs op om handelaar te worden, wat meestal financieel in hun voordeel was.
Hervorming Sankin Kotai
In 1862 verkeerde het bakufu in een grote crisis. Het keizerlijk hof begon steeds moeilijker te doen en eiste de uitwijzing van de buitenlanders. Sommige belangrijke daimyō gedroegen zich vrij onafhankelijk en erkenden steeds minder de macht van het bakufu. En er was ook nog eens een conflict met de Engelsen over de dood van enkele van hun landgenoten. Men zag in dat er veranderingen nodig waren, deze noemen we de Bunkyū reformatie. Het hoofddoel van deze reformatie was een militaire hervorming, waardoor het bakufu sterker zou staan tegenover de vijandige krachten. Hier was natuurlijk veel geld voor nodig. Dit geld werd gezocht in drastische besparingen. Minder nuttige daimyō werden gedwongen 'ontslag' te nemen. Daimyō moesten besparen op hun personeel. Het Sankin Kotai systeem werd drastisch versoepeld. Dit zorgde wel voor besparingen, omdat veel mensen de stad verlieten, maar meer nog ondermijnde het de macht van het bakufu. Deze was deels gebaseerd op het systeem van de 'gijzelaars', en de daimyō zouden zich hierdoor nog minder aantrekken van de bevelen van het bakufu. Deze hervorming was bedoeld als een versterking van de macht, maar werd een belangrijke stap richting de val van het hele feodale systeem, niet in het minst door het mislukken van de militaire hervormingen.
Taisei Hokan
Na de nederlaag van de bakufu-troepen tegen de moderne, sterkere strijdkrachten van Chōshū Han in 1866 was het al pijnlijk duidelijk dat er een einde zou komen aan het bewind van de Tokugawa. De vraag was alleen hoe. Tosa kwam met een voorstel waarbij de shōgun zijn macht zou overdragen aan de keizer, waarna het land bestuurd zou worden door een raad van daimyō, waarbinnen de Tokugawa dan nog steeds het meeste macht zouden hebben. Hoewel hij met voorlopig succesvolle hervormingen (de Keio reformatie) de macht van het bakufu probeerde te herstellen, aanvaardde shōgun Yoshinobu in 1867 dit voorstel en droeg formeel zijn macht over aan de keizer (Taisei Hokan).
Er zijn verscheidene redenen waarom hij dit voorstel aanvaardde. De meest voor de hand liggende is het feit dat dit hem waarschijnlijk het minste kwaad toescheen. Met dit voorstel bleef de macht van de Tokugawa vrij groot, terwijl er misschien anders later een veel minder gunstige regeling voor hem zou worden getroffen. Het bakufu stond er op dat moment immers slecht voor. Het leger was in zeer slechte staat omdat het midden in een hervorming zat. Het oude systeem was afgeschaft, terwijl het nieuwe juist in werking was getreden. De Franse training van de troepen was nog maar net begonnen. De schatkist was leeg. Er waren boerenopstanden over het hele land. Verder was er ook de dreiging van Satsuma, dat een veel sterker leger had en plannen tot een staatsgreep leek te hebben. Kortom, het voorstel van Tosa leek een goede oplossing. Als het nergens naartoe zou leiden was het een handige manier om tijd te winnen terwijl de Keio reformatie werd doorgevoerd, in het andere geval stonden de Tokugawa er ook niet slecht voor.
Het zou echter anders uitdraaien. Voor de radicale han Satsuma ging het voorstel van Tosa niet ver genoeg. Hun troepen rukten op naar het keizerlijke paleis in Kyoto, waar ze de nieuwe keizer Meiji een verklaring lieten afleggen. Hij kondigde een restauratie van het keizerlijke gezag aan. Vanaf nu zou het land geregeerd worden door een raad van edelen en daimyō onder de keizer. Yoshinobu verloor al zijn macht en alle gronden van het bakufu werden geconfisqueerd. Deze was het daar natuurlijk niet mee eens, maar zijn troepen werden snel verslagen door de moderne legers van de revolutionairen (De Boshin Oorlog), en Yoshinobu kon niet anders dan zijn nederlaag aanvaarden en zich terugtrekken.
Zo kwam er tweemaal een einde aan het shōgunaat. Een eerste keer met het vrijwillig overdragen van de macht aan de keizer, een tweede keer door een staatsgreep. Met het verdwijnen van de shōgun, het hoofd van het gehele feodale stelsel, was het nog slechts een kwestie van tijd voor de gehele samenlevingsorde zou veranderen.
Afschaffing van het feodale klassenonderscheid
Nadat de bakufu-troepen overwonnen waren, begonnen de Meiji-hervormers met het creëren van een nieuw bestuur. De hele revolutie had vrij snel en met relatief weinig bloedvergieten plaatsgevonden, maar daarna moest het echte werk pas beginnen. Onder het bakufu was Japan versnipperd in verscheidene domeinen, met elk hun eigen administratie en bestuur. De hervormers beseften dat hun eerste werk de centralisatie van het bestuur was.
Hanseki Hokan
Om dat te verwezenlijken moesten ze Japan eerst weer één maken. In 1869 boden de daimyo van de vier grote zuidwestelijke domeinen (Satsuma, Chōshū, Tosa en Hizen) vrijwillig hun landgoed aan de keizer aan. De andere daimyō werden overgehaald om hetzelfde te doen. In ruil kregen ze een inkomen dat een tiende bedroeg van het jaarlijks inkomen van hun domein en nam de overheid hun schulden over. De daimyō moesten dan ook niet meer zelf instaan voor de kosten van de administratie. De daimyō die weigerden werden gedwongen minder gunstige voorwaarden te aanvaarden. Tegen 1870 waren alle daimyō ingegaan op het voorstel. De meeste daimyō werden ook 'gerecycleerd' als gouverneur voor een domein.
In 1871 vaardigde de keizer een decreet uit ter afschaffing van de domeinen en oprichting van de prefecturen. De han werden vervangen door ken. Deze werden bestuurd door overheidsambtenaren in plaats van daimyō. Ook kon vanaf dan belasting geheven worden op deze gronden door het centrale bestuur. Dit was een enorme verandering. Het oeroude feodale systeem werd zonder slag of stoot afgeschaft. Voortaan was de bevolking bevrijd van de onderdrukking door de daimyō. De gouverneurs van de ken werden geselecteerd op basis van hun verdienste, een groot verschil met het systeem van de daimyō die hun ambt overerfden. De grondslag van het feodale systeem, het grondbezit, was afgeschaft. De afschaffing van het klassenonderscheid was slechts een logische volgende stap.
Afschaffing klassen
De afschaffing van de samuraiklasse was vooral een economische noodzaak. De inkomens die de staat beloofd had aan de daimyō en de samurai waren een veel te zware financiële last. In 1870 slorpten enkel de pensioenen van de samurai de helft van de begroting op. Het bestuur wilde dat geld anders besteden, daarom werd er naar manieren gezocht om te besparen. Om te beginnen werd het grote onderscheid in rangen binnen de samuraiklasse afgeschaft. In 1869 werd besloten dat er nog maar twee rangen waren: hoge samurai of shizoku, en lage samurai of sotsuzoku. Dan werd in 1872 een groot deel van de lagere samurai heringedeeld bij de heimin, hoewel ze voorlopig nog wel hun inkomen behielden. In 1873 werd een belasting op de inkomens ingevoerd. In 1874 werd een inruilprogramma uitgewerkt, waarbij de samurai hun inkomen konden inwisselen voor staatsobligaties van ongeveer 5 jaar salaris, maar dit programma kende maar weinig succes. Daarom werd twee jaar later besloten alle inkomens vanaf nu in staatsobligaties te betalen, dit betekende uiteraard een groot inkomensverlies. Verder werd de samurai het recht op het dragen van een zwaard ontnomen, waardoor ze ook uiterlijk niet meer te onderscheiden waren van de gewone burgers.
Ook binnen de groep van de heimin werd de opdeling afgeschaft. Vanaf nu waren alle burgers gelijk. De restricties in verband met haardracht en kleding bestonden niet meer. De Meiji-hervormingen brachten een grote sociale vrijheid. Mensen konden worden wat ze wilden. Hoewel deze hervormingen een storm van protest bij de samurai teweeg brachten, ze verloren immers al hun financiële voordelen, kwamen velen goed terecht. De samurai waren immers van oudsher de best opgeleide mensen, en velen herschoolden zichzelf tot ambtenaar, handelaar, of namen dienst in het nieuwe leger. Toch zorgden deze hervormingen ook voor veel armoede, en volgden er verschillende opstanden van misnoegde samurai.
Legerhervorming
Een sterk leger was een absolute noodzaak voor het nieuwe bestuur wilde het zich blijven handhaven. Om te beginnen werden alle kleine, lokale legers ontbonden. Een sterk nationaal leger moest gevormd worden. Na een studiereis in het westen werd besloten dat de beste manier om dat te verkrijgen de dienstplicht was. In 1873 werd deze ingevoerd. Alle mannen vanaf twintig jaar moesten verplicht drie jaar in actieve dienst en vier jaar als reservist dienen. Wel werden er diverse uitzonderingen voorzien voor gezinshoofden, leraars, criminelen, ambtenaren en fysiek ongeschikten. Ook was de mogelijkheid voorzien om je vrij te kopen. Het bestuur ondervond moeilijkheden om genoeg mensen te vinden om een degelijk leger uit te bouwen. Ook was de dienstplicht bijzonder onpopulair bij de bevolking. Uiteindelijk slaagde het Japanse bestuur er toch in een redelijk leger uit te bouwen, en er bij de bevolking in te drillen dat legerdienst een nationale plicht was.
De invoering van de dienstplicht eindigde het laatste onderscheid tussen de samurai en de gewone bevolking. Eeuwen lang was oorlog voeren hun exclusieve privilege geweest. Door het leger open te stellen voor iedereen, was de volledige afschaffing van het klassenonderscheid een feit.
Bronnen
- Gordon, Andrew, A Modern History of Japan: From Tokugawa Times to the Present, New York: Oxford University Press, 2003.
- Lehmann, Jean-Pierre, The Roots of Modern Japan, London: Macmillan Publishing, 1982.
- Sansom, George B., Japan: A Short Cultural History London: Cresset Press, 1931.
- Totman, Conrad D., The Collapse of the Tokugawa Bakufu, 1862-1868, Honolulu: University of Hawaii Press, 1980.

