De evolutie van de huisvrouw
Uit GeschiedenisJapan
Lange tijd werd de geschiedenis van een Japanse vrouw als marginaal beschouwd. Het onderwerp bestond nauwelijks vóór 1945 en zelfs na die datum werd er veel heisa rond gemaakt om de geschiedenis van vrouwen als deel van de Japanse geschiedenis te beschouwen. Het sociaal en politiek klimaat van de jaren tachtig in het bijzonder, gaf de kans geschiedenis te schrijven over Japanse vrouwen en het te promoten, dit bracht een volledige academische erkenning. Innovatief onderzoek over de geschiedenis van Japanse vrouwen is in de afgelopen tien jaar uitgevoerd. De werkstukken zijn niet alleen door academische mensen geschreven, maar ook door freelance schrijvers, journalisten en amateur-historici, kortom mensen die minder zijn opgezadeld met traditionele historische methoden en verwachtingen. De studie van de geschiedenis van de Japanse vrouw heeft nu het punt bereikt waarop het onderwerp de rechtvaardiging niet meer nodig heeft.
Inhoud |
De evolutie van de vrouw
Huishoudelijke kennis in scholen
In 1868 hadden mannen een hogere status dan vrouwen verworven. Dit maakte dat de man moest zorgen voor de financiële welvaart van zijn gezin. Vrouwen moesten dan weer de huishoudelijke taken voor zich nemen. Voor vrouwen was familie niet alleen een gezellig samenzijn, maar ook een werkplek. Woorden zoals ‘huisvrouw en huiswerk’ in het modern japans, shufu en kaji genoemd, zijn natuurlijke idealen die in die tijd vanzelfsprekend waren.
Toch, aan het einde van de 19de eeuw kwam er verandering. Vrouwen werden niet alleen thuis gelaten terwijl hun mannen pendelden naar hun werkplek, ze werden gereïntegreerd in nieuwe rollen in de maatschappij. Ze moesten specifiekere taken kunnen uitvoeren waaronder; kinderpsychologie, kennis van medicijnen, hygiëne, voedingswetenschappen, economisch management en architectuur. Niettemin leefden vrouwen in die tijd op de achtergrond.
Scholen waren natuurlijk de eersten om de discipline van het huishouden voort te brengen en aan te leren. Op vroege leeftijd werden de meisjes aangeleerd hun moeders te helpen in het huishouden. Tijdens de meiji-restauratiewerd het onderwijssysteem geheel veranderd in een universele educatie die jongens en meisjes verloste van huishoudelijke klussen. Meisjes werden nog steeds voorbereid om in het huishouden te werken, maar met nieuwe waarden; men moest de staat dienen. Zowel in lagere als in middelbare scholen werden lessen over het huishouden aangeleerd. De middelbare scholen yogakuko werden echter de echte basis tot het worden van een goede huisvrouw. In deze scholen zaten enkel meisjes van wie de familie het zich kon veroorloven. Ze kregen huishoudelijke gebruiken aangeleerd die hen onderscheidden van hun moeders, grootmoeders alsook van minder geschoolde vrouwen van dezelfde generatie.
Vooroorlogse Japanse educatie werd veelal beschreven als conservatief, maar alle scholen en instituten waren diep antitraditioneel en zagen het huishouden als een moderne discipline. Samen met de huishoudelijke educatie werden ook nog chemie en economie gegeven als antwoord op de veranderende krachten en door de vraag van de staat.
De taken van de vrouwen uit de Meiji-periode verschilden weliswaar niet drastisch met de taken van voordien, maar op het eerste zicht leek er wel een verandering te zijn. De kaji, het maken en repareren van kledij, was de voornaamste taak. Deze taak was het meest tijdrovend voor een getrouwde vrouw. Vrouwen maakten kledij voor de familie en zorgde voor vernieuwende patronen in hun kledingstukken. Desalniettemin moesten vrouwen zoals mannen de staat dienen, elke vrouw moest voor de staat legeruniformen naaien. Naast het maken van de kledij was de keuken eveneens een dominante bezigheid.
In 1870, het eerste jaar onder het nieuwe systeem, produceerde het Ministerie van Educatie samen met private uitgevers nieuwe handboeken die het management van het huis benadrukten. Praktische vakken zoals shugei(handwerk) en keizai(economie) werden gegeven. Men haalde hygiëne en efficiëntie aan als hoofdzaken om de nieuwe huishoudelijke kennis te onderscheiden van de oude.
In 1881 werd de lagere school opnieuw ontwikkeld, waarbij vakken zoals kaji keizai(huishoudelijke economie) werden ingevoerd. Meisjes in de hogere scholen leerden in hun opleiding over kledij, was, meubels, eten, koken, haartooi, budgettering en andere economische zaken voor het huishouden.
De eerste handboeken, geproduceerd door het Ministerie van Educatie, werden vertaald vanuit Amerikaanse boeken. Dit miste zijn doel om de Japanse bevolking bij te schaven, men gebruikte nog steeds een oud boek dat dateerde van de 17e eeuw; 'Instructions in the way of the house', oftewel Kaibara Ekken’s 'kadōkun' (Precepts for Family Life).
In 1899 gaf het Ministerie van Onderwijs het bevel dat in elke prefectuur minstens één hogere school voor meisjes moest opgericht worden. Het aantal aanwezigen steeg drastisch, 75.128 in 1912, en dit was maar 2 à 3% van het totaal van het lager onderwijs. Tussen 1910 en 1926 steeg de aanwezigheid in zesvoud. Voor koppels die trouwden na 1910 was het vanzelfsprekend dat beide partijen ervaring hadden met een tweede educatie. Dit was een zeer kritisch element voor de burgerij.
In 1900 werden de handboeken in het hoger onderwijs voor meisjes aangepakt. In tegenstelling tot boeken van 1880 begonnen deze nieuwe boeken met verklaringen; dat het onvoorwaardelijke gevoelige karakter van de vrouw maakte dat zij geknipt was voor taken van het huishouden. Kajī kyōkasho(huishoudelijke economie) beschreef het huis als een plaats waar man, vrouw en kinderen – de meest intieme relaties – opstonden, samen sliepen, liefde deelden en elkaar hielpen. Deze boeken vermeldden de heerlijkheid over de taak van een huisvrouw. Ze was als het ware de eerste minister van het huishouden, of een soldaat wiens slagveld ‘het huis’ was.
Tijdens de vele veranderingen in de 19de eeuw werd het woord voor ‘huisvrouw’, ‘shufu’, de karakters zijn een combinatie van ‘master’ of ‘chief’ en ‘woman’. In Meiji-Japan, bracht de betekenis ‘vrouw des huizes’, maar het werd wel niet gebruikt in alledaagse teksten, waar ‘fujo’ (woman) verkozen werd. In de spreektaal werd dan weer ‘nyobu’ (wife) verkozen.
Verbetering van de keukens
In geen enkel deel van het huis werd meer geïnvesteerd dan in de keuken. De keuken was het laboratorium van de huisvrouw. Een gestudeerde huisvrouw was een uiting van het verschil van de klassen. Columns in kranten en magazines hielpen bij het naturaliseren van het idee dat de keuken voor de huisvrouw een speciaal domein was.
De nieuwere manier voor het bereiden van eten dat in het hogere onderwijs werd aangeleerd werd een heikel punt tussen huisvrouwen die hoger onderwijs hadden gevolgd en hun meiden die zelden meer dan het mandaat hadden gedaan, wat 4-6 jaar was.
Het huishouden onderging een enorme verandering. In de grote steden kregen de huisvrouwen meestal één of twee inwonende meiden. Tegen 1910 veranderde dit in drie meiden : een kok, huismeid en een meid voor de vrouw als persoonlijke assistente. In deze situaties genoot de huisbaas van grote autoriteit. Er waren nu twee vrouwen in de keuken, maar met één verschil, één vrouw werd betaald en één niet. Dit stond in tegenstelling tot de vrouwen op het platteland. Deze woonden meestal samen met meerdere gezinnen en konden zo het werk verdelen. De vrouwen moesten binnenhuis de taken vervullen en de mannen moesten op het veld werken.
Het probleem rond die tijd was dat men volgens de maatschappij elke dag een ander gerecht moest klaarmaken. Daar speelden kranten en tijdschriften op in door dagelijks een column te publiceren met verschillende gerechten, onder de naam nani ni shiyō ne(wat maken we klaar). Ook restaurants en visverkopers vonden dit interessant, ze leverden bereidde maaltijden voor speciale gelegenheden of voor alledaags gebruik. Simpelere bereidingen werden dan weer thuis aangeleerd, vooral van oudere generaties aan jongeren, zodat men deze kennis kon voortbrengen. Jiji shinpō(grootvaders receptenboek) was een receptenboek met alledaagse familiale gerechten en met Japanse ingrediënten. Dit was zodat men elke dag afwisselde. Dit was vooral zo in de steden, terwijl men op het platteland niet zozeer alledaags andere gerechten vervaardigde, maar men gebruikte producten die in een bepaald seizoen te verkrijgen waren. Op het platteland gebruikte men meer een jaarlijkse kringloop, in de steden dan weer een dagelijkse kringloop.
Tussen 1910 en 1920 werd de kwaliteit van het voedsel heel belangrijk. Rond 1911 werd het eerste instituut voor voedselonderzoek opgericht. Men ontwierp weer nieuwe handboeken, een variatie op de kaji, namelijk de kaji keizaken. Deze hield zich vooral bezig met grafieken dat voedsel per type indeelde alsook voedsel per seizoen.
Hygiëne en de begrensde plaats in het huis
De keukens uit de tijd van de Tenpō-periode [1] konden niet langer meer doorgaan in de Meiji. De donkere en vuile keukens stonden centraal voor een plaats waar bacteriën zich opstapelden en waar ziektes zich ontwikkelden. Men veranderde en investeerde in de keukens want men kon de verouderde keukens niet laten zien aan bezoekers, dit zou een schande betekenen.
In het begrensde huis was de meid een buitenstaander. De keukendeur was nodig voor het daagse verkeer van zakenlui en voorzag het huishouden van proviand alsook van water en brandhout voor de brandstapel. Dit was een passage, niet alleen voor onzichtbare bacteriën, maar ook voor de meid zelf. Gezien vanuit het standpunt van de meid, was de keuken de deur tot het sociale leven, niet alleen gebruikte ze de deur om te komen en te gaan, maar ook zakenlui, meiden van naburige huizen, vrienden en familie kwamen op bezoek.
Huisgemaakte maaltijden
Veelal werd koken ook in kranten gepromoot, men had wekelijkse rubrieken waarin een roman met een moraal gepubliceerd werd. Deze roman stond telkens op de laatste pagina van de krant. Dit was niet geheel voor het plezier, maar bevatte veel verborgen wijsheden, namelijk het maken en consumeren van voedsel. Het kende een enorm succes. De belangrijkste lessen van het verhaal was het plezier van een huisgemaakte maaltijd, katei ryōri[2]. Murai Gensai keurde het sterk af dat vrouwen zich baseerden op kant-en-klare maaltijden, kaikui. Ook mannen die buitenshuis aten keurde hij sterk af. Hij schreef dat als je elke dag katei ryōri at, je amper op restaurant kon eten.
Gas nam zijn intrede in de Japanse maatschappij en al snel werd de Engelse ijzeren stoof geïmporteerd voor de prijs van 250 yen. Voor één keukenmiddel was dit een extravagante som, dit waren de Japanners niet gewoon. Gas via pijpleidingen was een zeldzaamheid, enkel verkrijgbaar in Tōkyō.
Koken met gas en de beschaving
Er waren infrastructurele verbeteringen zoals elektriciteit, waterleidingen en gasleidingen. Deze faciliteiten bereikten het huis niet zomaar, ze moesten aangekocht worden door de inzittenden.
Al snel had het gasbedrijf een nieuwe potentiële markt op het oog. Rond 1904 werd de eerste rijstkoker op gas geïntroduceerd. Advertenties in de kranten hadden het idee om een vrouw samen met haar keuken en de gasketel voor een foto te laten poseren, met de slogan; ‘With just one match’. De basis van het succes lag niet alleen in de overtuiging maar vooral in de netheid. Omdat gas geen assen naliet kon de keuken zeer proper gehouden worden.
Nadien volgden vele advertenties zoals; ‘Reform of the house begins with reform of the kitchen’ en ‘Reform of the kitchen is achieved through the use of gas.’
In 1907 was er enkel één gasaansluiting voor elke 9 huishoudens in Tokyō, maar tegen 1922 had één derde van de huishoudens gas. De markt was dus voortdurend aan het veranderen. Doordat gas zo gegeerd was werden er allerhande fabels aan gekoppeld zoals, ‘Als je gas verspilde krijg je een ziekte aan je geslachtsdelen.’
Economie, efficiëntie en het lichaam
Een van de belangrijkste veranderingen rond het huishouden is de transformatie van een keuken die volledig tegen de grond ligt tot een keuken waar alles rechtopstaand gebeurd. Lage fornuizen werden op een vrijstaande houten vloer geplaatst, het fornuis op vloerniveau. Men moest al reizend tussen het vloerniveau en het iets hogere gedeelte koken. Staand koken voor Japanse vrouwen was vermoeiender dan zittend maar de kimono’s werden niet snel meer vuil. Zo had men ook het gevoel dat de omgeving daar rond een veel ordelijker zicht gaf.
Eenzelfde druk werd uitgevoerd door boeken. Tegen 1930 werd aangenomen dat het werk al staand gebeurde en sommige kaji boeken schreven dat het heel belangrijk was dat de wastafel, kookfornuis en werktafel dicht bij elkaar lagen zodat de beweging minimaal was.
Ook de tatami[3] onderging een grote verandering, dit werd vervangen door stoelen en tafels zodat men beter kon werken in dit nieuwe interieur.
Voetnoten
- ↑ Ook gekend als Tempō, is de periode van December 1830 tot December 1844 met als Keizer Ninko-tennō (仁孝天皇).
- ↑ De term katei ryōri 家庭料理 wordt nog steeds gebruikt, er bestaan zelfs cursussen waar de gerechten nog steeds aangeleerd worden, zelfs buiten Japan. Zie bijvoorbeeld UBC Continued Studies
- ↑ Een strooien vloerbedekking
Bibliografie
Boeken en artikels
- IMAMURA, A.E., Urban Japanese Housewives. At Home and in the Community. Columbia, 1987, 193.
- KALLEBERG, A.L., ‘Nonstandard employment relations: part-time, temporary and contract work’, Annual review of Sociology, 26 (2000) 341-365.
- QUENEAU, H. en MARMO, M., ‘Tensions between employment and pregnantie: a portable balance’, Family relations, 50 (2001); 59-66.
- RINDFUSS, R.R. e.a., ‘social networks and family change in Japan, American sociological review, 69 (2004), 838-861.
- SAND, J., House and home in modern Japan: architecture, domestic space and bourgeois culture 1880-1930,Harvard, 2003.
- SUWA, Y. ‘The Equal Employment Opportunity Law.’, Highlights in Japanese Industrial Relations: A Selection of Articles from the Japan Labor Bulletin, 26 (1987), 26-31.
- VANDE WALLE, W., Een geschiedenis van Japan: van samurai tot soft power, Leuven, 2009.
- YU, W.H., ‘Changes in women’s postmarital employment in Japan and Taiwan, Demography, 42 (2005), 693-717.

