De afgetreden keizers

Uit GeschiedenisJapan

Inhoud

Aftreden om te regeren

Ondertussen kreeg de hoofdstedelijke aristocratie en met name de Fujiwara-clan, meer en meer tegenwind, vooral van de kant van de provinciale ambtenaren, die in toenemende mate met opstandige eigenaars (ryōshu) en pachters (myōshu) te maken kregen, terwijl de regenten als "beschermers" (honjo) royaal van de inkomsten van de shōen konden leven. Het ongeluk wilde bovendien dat de Fujiwara-dochters die aan de keizer als gade werden opgedrongen, geen mannelijke opvolger baarden. Het gevolg was dat in 1068 een keizer op de troon kwam die niet door een Fujiwara-prinses was gebaard: Go-Sanjō 後三条 (1034-1073; reg. 1068-1072). Dit klinkt radicaler dan het in feite was, want beide ouders van Go-Sanjō waren kleinkinderen van Michinaga, maar zijn moeder was de dochter van keizer Sanjō en dus technisch gesproken geen Fujiwara-prinses.

Hier maakten de tegenstanders van de Fujiwara's, geleid door de klasse van de provinciale bestuurders, dankbaar gebruik van om zich rond de keizer te scharen en een zuivering van de shōen te plannen. De keizer was echter verplicht voor iedere beslissing de regent en de ministers te raadplegen. Hij was dus aan handen en voeten gebonden. Keizer Shirakawa 白河 (op de troon van 1072-1086, ex-keizer van 1086-1129) wist die handicap meesterlijk te omzeilen: in 1086 trad hij af, zette zijn zoon Horikawa op de troon en nam zelf de status van "ex-keizer" (jōkō 上皇) aan. Het merkwaardige aan deze actie is dat hij er niet toe leidt dat de afgetreden keizer zich ver van alle politiek houdt, integendeel. Hij blijft nog steeds hoofd van de keizerlijke clan, en in die positie bevoogdt hij de regerende keizer, die nog een kind is. Aangezien hij de vader van de minderjarige keizer is, kan hij de rol van de regent ook terugdringen. Tijdens de periode van de suprematie van de Fujiwara-regenten, gebeurde de opvolging vaak van oudere broer op jongere broer, zodat de troonsopvolging niet in rechte lijn van vader op zoon ging. Om die rechtlijnigheid van opvolging veilig te stellen trad keizer Shirakawa af. In wezen is deze procedure van aftreden dus bedoeld om de troon in dezelfde tak van de keizerlijke clan te houden. Als dit al als een overwinning gezien kan worden, is het toch een zeer bescheidene. De Fujiwara's hadden zoveel van hun dochters aan de keizerlijke clan uitgehuwelijkt dat beide clans in een uitgebreid net van bloedververwantschap verweven zaten. Bovendien was er een sterke tendens om met verwanten te huwen om de macht "in de familie te houden", een praktijk die ook in de hand gewerkt werd door het sterke standenbewustzijn. De keizerlijke clan en de hoogste rangen der aristocratie waakten er angstvallig over alleen met hun gelijken te huwen. Het onvermijdelijke gevolg was een neiging tot inteelt. Opvallend is ook de lage levensverwachting van deze keizerlijke telgen en hun gades. Hoewel dit in de eerste plaats wel aan de algemeen lage levensstandaard en het primitieve niveau van de geneeskunde te wijten geweest zal zijn, kan de neiging tot inteelt de vroegtijdige sterfte in de hand gewerkt hebben. Het is in elk geval opvallend hoeveel keizers een vroegtijdige dood sterven in deze tijd. De strijd die zich aan het hof afspeelt is bijgevolg niet zozeer tussen de keizerlijke clan en de Fujiwara-clan in biologische zin, maar eerder tussen twee beginselen: aan de ene kant dat van de keizer als absolute vorst, heerser over alle land, aan de andere kant dat van de aristocratische clans, die hun eigen macht en bezit willen uitbreiden en versterken. Die twee beginselen worden belichaamd door enerzijds de keizer en anderzijds de regent. De rivaliteit was structureel en men vond overigens leden van de Fujiwara in beide kampen. Wanneer een keizer de troon besteeg (of meerderjarig werd, indien hij al als kind op de troon zat), placht hij een zogenaamd "nieuw regime" (shinsei 新制) af te kondigen. Daarin maakte hij melding van de afschaffing van shōen, het symbool bij uitstek van het privé-bezit in handen van de aristocratie. Een keizer die de troon besteeg, wilde met een schone lei beginnen, en dat betekende naast vele andere dingen de afschaffing van privé-bezit. Daarmee bevestigde hij het oeroude principe dat de keizer eigenaar is van alle land. Hoewel dat in toenemende mate niet meer dan een vrome wens was, bleef het het belangrijkste richtsnoer voor het keizerlijke handelen tijdens de Heian-periode. Het "nieuwe regime" dat uitgevaardigd werd maakte deel uit van de kyakushiki-hō 格式法, de wetgeving in de Heian-periode, die als een amendering en uitbreiding van de Ritsuryō moet gezien worden. Het "nieuwe regime" was steevast doordrongen van het grote Confuciaanse ideaal van het "deugdzame bestuur" (tokusei 徳政): dat is een bestuur dat met een schone lei begint, dat vernieuwt door naar het verleden terug te grijpen.

In zijn paleis (in 院), dat door zijn eigen paleiswacht bewaakt werd, richtte Shirakawa zijn eigen administratie in (in no chō 院庁) en bemande ze met zijn vertrouwelingen, mensen uit de klasse van de provinciale administratie. Dit is het begin van het zogenaamde "In-bestuur" (insei 院政), dat duurde van 1086 tot 1185. Keizers Toba 鳥羽 en Go-Shirakawa 後白河 volgden zijn voorbeeld. Alle drie probeerden als absolute vorsten te regeren en slaagden daar ook tot op zekere hoogte in. Zij vaardigden officiële besluiten uit die meer gezag hadden dan die van de keizerlijke regering zelf. Het In-bestuur voerde een zuivering van alle domeinen door, door shōen met ongeldige documenten af te schaffen. De maatregel was in de eerste plaats gericht tegen de Fujiwara's. De geconfisceerde domeinen werden omgevormd tot zogenaamde chigyōkoku 知行国, dit waren provinciën waarvan de inkomsten voor een bepaalde termijn toegekend werden aan de keizerlijke familie of de hoge aristocratie uit hoofde van hun officieel ambt, (ter vervanging van de stipendia voor ambtenaren onder het Ritsuryō-regime.)

Van dienaars tot meesters

De Fujiwara-regenten hadden de gewoonte om beroep te doen op de krijgers (bushidan) van de Minamoto-clan als hun "dienaars" (samurai 侍). Toen de "ex-keizers" het voor het zeggen hadden kozen zij als hun samurai of persoonlijke garde krijgers van de Taira-clan. Naarmate de samenleving verder gemilitariseerd werd, wonnen de krijgsbenden aan belang en werkten zich meer en meer op de voorgrond. Bij de dood van ex-keizer Toba (leefde van 1103 tot 1156), brak er een machtsstrijd uit tussen enerzijds diens tweede zoon en regerend keizer Go-Shirakawa en de regent Fujiwara no Tadamichi en anderzijds de ex-keizer Sutoku 崇徳 (leefde van 1119 tot 1164) en de Minister van Links Fujiwara no Yorinaga 藤原頼長. Sutoku en Yorinaga deden een beroep op de legers van Minamoto no Tameyoshi 源為義 en van Taira no Tadamasa 平忠正, neef van Taira no Kiyomori 平清盛, terwijl de andere partij gesteund werd door Minamoto no Yoshitomo 源為朝 en Taira no Kiyomori. In één dag werd de strijd beslecht in het voordeel van de keizer en regent. Deze gebeurtenis is bekend als het Hōgen-incident (Hōgen no ran 保元の乱). Sutoku werd verbannen, Yorinaga stierf aan de opgelopen verwondingen en Minamoto no Tameyoshi werd door zijn zoon Yoshitomo gedood. Toch was dit voor de keizer en regent slechts een Pyrrusoverwinning. De echte overwinnaars waren de leiders van de krijgsbenden en dan vooral Taira no Kiyomori (1118-1181). Keizer Go-Shirakawa gaf hem een belangrijke positie aan het hof en zijn macht groeide gestaag. Dit was helemaal niet naar de zin van Minamoto no Yoshitomo 源義朝 die in 1159 tijdens de afwezigheid van Taira no Kiyomori een staatsgreep beraamde. Toen deze van het gebeuren op de hoogte werd gebracht, snelde hij naar de hoofdstad terug en versloeg de samenzweerders (“Heiji-incident”, Heiji no ran 平治の乱). Yoshitomo vluchtte naar het oosten maar werd onderweg vermoord. Zijn 13-jarige zoon Yoritomo 頼朝 werd naar Izu 伊豆 verbannen.

Suprematie van de Taira

De twee voornoemde incidenten brachten een zware slag aan de Minamoto toe en legden de grondslag voor de alleenheerschappij van de Taira. In 1167, nauwelijks acht jaar later, werd Kiyomori tot Kanselier (daijōdaijin) benoemd en kregen zijn familieleden eveneens belangrijke posten toebedeeld. De Taira-clan probeerde in alle opzichten in de voetsporen van de Fujiwara-clan te treden. Slechts drie maanden nadat hij tot Kanselier benoemd was, plaatste hij een prins op de troon (keizer Takakura 高倉) die geboren was uit de unie van keizer Go-Shirakawa en de jongere zus van zijn vrouw, en drong de nieuwe keizer zijn eigen zus als concubine op.

Ook op economisch vlak was er veel gelijkenis tussen de Taira en de Fujiwara. De Taira bezat meer dan 500 shōen in het gebied van de hoofdstedelijke provinciën en West-Japan, en had meer dan 30 provinciën als chigyōkoku. Een halve eeuw eerder nog had de aristocratie neergekeken op de onbeschaafde en ruwe krijgers van de Taira. Nu bekleedden zij de hoogste posities in het land. Deze ommezwaai weerspiegelde en bevestigde de totaal gewijzigde machtsverhoudingen die zich reeds gedurende meer dan een eeuw in de Japanse samenleving aan het aftekenen waren.

Het Taira-bewind vormt de overgang van de oude keizerlijke staat naar de middeleeuwse feodale staat, die in de eerste plaats gekenmerkt wordt door de suprematie van de militaire klasse. In de chigyōkoku stelde Kiyomori plaatselijke krijgsadel als provinciale ambtenaren aan en zelfs in een gedeelte van de shōen van de aristocratie benoemde hij zijn militaire vazallen tot "rentmeester" (jitō 地頭). Deze ambtenaar stond in voor het beheer van het landgoed en de inning der belastingen. Dit wijst duidelijk op Kiyomori's consistente pogingen om de machtsstructuur rond leden van de militaire klasse te doen kristalliseren.

De Genpei 源平-oorlogen

De alleenheerschappij van de Taira bleef niet onbetwist. Het verzet kristalliseerde zich rond de aartsrivalen van de Taira, de Minamoto. In 1180 bracht Minamoto no Yoritomo (1147-1199), destijds naar Izu verbannen, in diezelfde streek een leger op de been om tegen de Taira ten strijde te trekken. Eén voor één sloten krijgsbenden uit de Kantō-streek zich bij hem aan. Hij was nu de onbetwiste regionale leider van Kantō, en bouwde in zijn hoofdkwartier te Kamakura 鎌倉 een heuse administratie uit.

Centraal hierin stond het "Bureau der Krijgslieden" (samurai-dokoro 侍所), dat met de controle over de vazallen (gokenin 御家人) belast was. Dit waren soms machtige krijgers, die op hun beurt gezag uitoefenden over talrijke ondergeschikte krijgslieden en uitgestrekte landerijen bezaten. Als vazal stonden zij in een persoonlijk verband van trouw en dienstbaarheid tegenover de heer van Kamakura. Zij hadden de plicht mee te doen aan de militaire campagnes van hun heer. In ruil daarvoor garandeerde hij hun recht van bezit over hun landerijen. Hadden zij bijzondere verdiensten op hun actief, dan kregen zij als speciale gunst de inkomsten van een shōen-beheerder (shōkan) e.d.

Nadat de Minamoto-legers bij de rivier Fujikawa 富士川 de Taira-legers een eerste nederlaag hadden toegebracht, kwamen overal in Japan krijgsbenden tegen de Taira in opstand. Tot overmaat van ramp stierf Kiyomori in 1181. Nu waren de Taira zonder sterk leiderschap. In 1183 vielen Minamoto-legers o.l.v. Yoshinaka 義仲 Kyōto binnen en vluchtten de Taira met de kind-keizer Antoku安徳 (leefde van 1178 tot 1185) naar het westen. De listige Go-Shirakawa probeerde nu tweedracht te zaaien onder de Minamoto en zette Yoritomo op tegen Yoshinaka, die zich in de hoofdstad misdragen had. Yoritomo stuurde zijn twee jongere broers Noriyori 範頼 en Yoshitsune 義経 uit als generaals om Yoshinaka te straffen. Hijzelf bleef ondertussen in zijn thuisbasis Kamakura, waar hij de institutionele basis van zijn gezag verder uitbouwde. In 1184 richtte hij het "Bureau der Documenten" (Kumonjo 公文所) op, dat alle documenten i.v.m. bezit, pachtrenten e.d. controleerde en alle zaken van financiële en algemene aard beheerde. Om geschillen tussen zijn vazallen op te lossen creëerde hij een "Gerechtelijk Bureau" (Monchūjo 問注所).

In 1184 versloeg Yoshitsune Yoshinaka. Dadelijk daarna startte hij een grootscheepse campagne tegen de Taira, die hij in meerdere veld- en zeeslagen versloeg, tot hij ze in 1185 in de zeeslag bij Dan no Ura 壇ノ浦 definitief vernietigde. Nu zette Go-Shirakawa Yoshitsune op tegen Yoritomo, en gaf de eerste het bevel de laatste uit te schakelen. Yoshitsune slaagde er echter niet in voldoende aanhangers rond zich te verzamelen om tegen Yoritomo ten strijde te trekken. Met een klein groepje van aanhangers moest hij zelfs onderduiken. Yoritomo dwong de keizer nu het bevel om te keren en hem te gelasten met het uitschakelen van Yoshitsune. Bovendien erkende de keizer het recht van Yoritomo om in de provinciën politiecommissarissen (tsuibushi later herdoopt tot shugo 守護) en rentmeesters (jitō) aan te stellen, zogezegd om de rebel Yoshitsune en zijn trawanten op te sporen.

De politiecommissarissen hadden als taak de orde en de wet in de provinciën te handhaven en het gezag te voeren over de paleiswacht, die werkte volgens een roterend systeem en die samengesteld was uit de provinciale vazallen van Yoritomo. Hij benoemde zijn trouwste generaals op deze posten. De rentmeesters (jitō) waren in oorsprong een groep van shōen-beheerders (shōkan), maar nu werden zij in alle provinciën aangesteld, zowel op publieke domeinen als op shōen. Zij moesten in de eerste plaats graanbelastingen inzamelen die dienden voor de proviandering van de troepen. Naderhand breidden zij hun bevoegdheid tot het handhaven van de orde en het beheer van de landerijen uit. Vanuit een zuiver wettelijk standpunt gezien werden de provinciale ambtenaren (kokushi) en de rechten van beschermers (honjo) en grootgrondbezitters (ryōke) niet afgeschaft, maar alle vitale functies gingen geleidelijk over in handen van de rentmeesters (jitō). Aangezien deze personen vazallen waren van de heer van Kamakura, betekende zulks de facto dat deze laatste indirect het hele rijk controleerde via zijn eigen instellingen, die parallel bestonden naast de traditionele keizerlijke staatsstructuur. Dit is een bijzonder kenmerk van de Japanse middeleeuwse geschiedenis. Omdat de parallelle machtsstructuur uitging van een militaire leider, in casu Yoritomo, (die naderhand de titel kreeg van opperbevelhebber of shōgun) spreekt men van "Bakufu" 幕府, wat in oorsprong “legerhoofdkwartier” betekent, maar hier een uitgebreide betekenis krijgt: nl. militair bestuur over Japan.


Hoofdstukken Syllabus tot 1868
tot 645| 645-784| Heian| Kamakura| Muromachi| Eenmaking | Edo