De Ritsuryō-orde van meetaf onvoldragen
Uit GeschiedenisJapan
Alles blijkt erop te wijzen dat de Ritsuryō-orde van meetaf aan slechts heel onvolkomen ten uitvoer werd gelegd: de macht van de keizer werd nooit echt absoluut; het leger stapte vrij vlug af van de algemene dienstplicht; en de administratie gedoogde vrij vroeg het bestaan van privé-gronden. Bovendien zal de mate van implementatie ook gevarieerd hebben: in het hoofdstedelijke gebied zal de implementatie veel grondiger gebeurd zijn dan in afgelegen provinciën.
De absolute monarchie: een ver doel
Tot aan het begin van de achtste eeuw was de Japanse staat een oligarchie van machtige clans onder de despotische macht van de keizer. Binnen het kabinet, het executieve orgaan van de Dajōkan, konden deze clans echter via overleg en consultatie een inbreng doen in de besluitvorming. Door prinsen van den bloede tot eerste minister te benoemen, poogde de keizer ervoor te zorgen dat dit overlegorgaan niet al te eigenzinnig werd. In tegenstelling tot de aristocratische clans was die van de keizer veel losser gestructureerd. De keizer had immers meerdere gemalinnen en concubines en dus vele nakomelingen. Naarmate de generaties elkaar opvolgden dreven zij meer en meer uit elkaar. Het is daarom beter om in dit geval van de keizerlijke verwantschapsgroep te spreken.
Achter de façade van de bureaucratische eenheidsstaat waren de machtige clans met elkaar in een strijd gewikkeld om zoveel mogelijk macht binnen het kabinet. Als groteoverwinnaar uit de strijd kwam de Fujiwara 藤原-clan. Zij stamde af van Nakatomi no Kamatari 中臣鎌足, die nauw betrokken was geweest bij de Taika-hervormingen. Zijn zoon Fuhito 不比等 was verantwoordelijk voor het opstellen van de Taihō-codes en de herziening ervan, de Yōrō ritsuryō 養老律令 (718), en bracht het tot Minister van Links. In die hoedanigheid domineerde hij het kabinet. Hij slaagde er zelfs in een Fujiwara-dochter aan de keizer uit te huwelijken. Daardoor werd de voogdij van moederskant over de keizer groter dan die van vaderskant. Fuhito's dochter Kōmyōshi 光明子 was de concubine van keizer Shōmu 聖武, maar na zijn dood poogde Fuhito's zoon, Muchimaro 武智麻呂 haar te laten verheffen tot de rang van keizerin-gemalin. Dit stuitte op verzet vanwege de Minister van Rechts Nagayaō長屋王, die zich beriep op de ongeschreven wet dat de keizerin steeds uit de keizerlijke familie diende te komen. Sinds de Taika-hervormingen was zulks inderdaad altijd het geval geweest. Muchimaro beraamde een complot om Nagayaō uit te schakelen en, zodra deze dood was, werd zijn zus inderdaad tot keizerin verheven (729) en werd Muchimaro de leider van het kabinet. Toch is hier nog lang geen sprake van de hegemonie die de Fujiwara- clan in de volgende eeuwen zal uitbouwen. Het ging hier duidelijk om een uitbreiding van de overlegstructuur van de hoge aristocratie, die dus tevens de hoogste ambten monopoliseert en onder elkaar verdeelt. Deze tendens zette zich evenwel niet door. De aristocraten waren te zeer innerlijk verdeeld.
De keizerlijke verwantschapsgroep doet er inmiddels alles aan om haar suprematie te consolideren. Dat verklaart waarom zij de eerste gemalin (kōgō 皇后) steeds binnen de eigen groep probeert te vinden. Dat ging soms erg ver: bijv. keizerin Jitō 持統, die van 686 tot 697 regeerde, was de dochter van keizer Tenji en werd de gemalin van diens jongere broer; haar zoon, Prins Kusakabe 草壁, huwde haar jongere zus etc. Een tweede middel om de macht binnen de eigen groep te houden was de troonsbestijging van keizerlijke gemalinnen. Dit gebeurde wanneer de eigenlijke troonopvolger nog een kind was en vooral wanneer er een dynastiek schisma dreigde. Er waren namelijk twee regels voor de opvolging die met elkaar in conflict waren. Enerzijds was er het gebruik dat een keizer door zijn jongere broer werd opgevolgd. Pas als de zijdelingse lijn van broers uitgeput was, kwam zijn oudste zoon aan de beurt. Anderzijds was er de Chinese praktijk van opvolging van vader op zoon. Het bestaan van deze twee regels leidde ertoe dat er vaak twee troonpretendenten waren en dat het hof het toneel van een hevige opvolgingsstrijd werd. Om de lont uit het kruitvat te halen, besteeg de gemalin dan wel eens de troon... tot het gevaar geweken was. Was dit het geval, dan deed zij troonsafstand. Ook tijdens de Heian- periode bleef de toepassing van beide regels voor de opvolging voor onzekerheid zorgen en bleef troonsafstand het middel om de opvolging "te sturen" in de gewenste richting. Pas later zou de Chinese opvolgingsregel de bovenhand krijgen.
Een geduchte rivaal van de Fujiwara's was de Tachibana 橘-familie. Rond 740 beheerste Tachibana no Moroë 橘諸兄 het kabinet. Fujiwara no Hirotsugu 藤原広嗣, gouverneur van Dazaifu, kwam tegen hem in opstand. De regering slaagde er weliswaar in na twee maanden de opstand te onderdrukken, maar de strijd was daarmee niet gestreden. In 749 had keizer Shōmu troonsafstand gedaan ten gunste van zijn dochter Kōken 孝謙 (regeerde 749-758), wellicht omdat hij naderhand zijn zoon de troon wou laten bestijgen, eerder dan de opvolging aan zijn broer te laten. Zij werd één van de sterkste vrouwelijke keizers in Japans geschiedenis en zeker de meest controversiële.
In 756 nam Fujiwara no Nakamaro藤原仲麻呂, een gunsteling van Kōken, weerwraak en elimineerde Tachibana no Moroë. De ster van de Fujiwara's steeg weer. In 757 werd zelfs een Fujiwara- telg aangesteld als kroonprins. De zoon van Moroë beraamde een samenzwering met het doel de factie van Nakamaro uit te schakelen en een nieuwe keizer op de troon te plaatsen. Het complot lekte uit en werd verijdeld. Nakamaro kon Kōken ertoe bewegen troonsafstand te doen ten gunste van een familielid, bekend als keizer onder de naam Junnin 淳仁 (758-764). Kōken zag echter met lede ogen hoe Nakamaro zijn nauwe band met Junnin misbruikte om alle macht aan het hof naar zich toe te halen. Zij wist zo te manoeuvreren dat Nakamaro en Junnin in 764 een opstand beraamden. Dit gaf haar de gelegenheid om de "rebellen" uit te schakelen: eerstgenoemde werd gedood en de keizer werd naar het eiland Awaji 淡路 verbannen.
Kōken besteeg opnieuw de troon als keizer Shōtoku 称徳 (764-770). Haar gunsteling en volgens geruchten ook haar minnaar, Dōkyō 道鏡 werd Eerste Minister en kreeg de eretitel "Koning van de Dharma" (hōō 法王). Hij fabriceerde zelfs een godsorakel dat hem had medegedeeld dat de keizer troonsafstand moest doen te zijnen gunste. Dit was usurpatie, en een overtreding van de onschendbare regel dat de troon het exclusieve voorrecht van de van oudsher regerende keizerlijke familie was. De hele aristocratie riep schandaal, liet een orakel fabriceren dat troonsafstand ten gunste van een niet-lid van de keizerlijke familie verbood en zette Dōkyō aan de dijk.
Na Shōtoku's dood controleerde Fujiwara no Momokawa 藤原百川 de regering. Hij zette een keizer die hem gunstig gezind was op de troon, Kōnin 光仁 (770-781), en verbande Dōkyō. Tijdens Dōkyō's dictatuur was landontginning verboden geweest, maar nu stond Momokawa weer ontginning toe, schafte de conscriptie af en verving ze door milities (cf. inf.), maatregelen die mede leidden tot de uitholling van het Ritsuryō- systeem.
Uit het voorgaande blijkt hoe de keizerlijke verwantschapsgroep zijn suprematie poogde te consolideren en hoe de andere aristocratische clans zoveel mogelijk de keizer poogden te domineren om hun eigen macht te vermeerderen. Slechts weinig keizers slaagden erin om zich naar het Ritsuryō-ideaal echt als de absolute vorst te profileren, maar er was minstens sprake van een balans tussen keizer en aristocratie, balans die in de Heian-periode duidelijk in de richting van de aristocratie zal overhellen.
Aftakeling van het conscriptieleger
In 731 reeds maakte de overheid een einde aan de grens-wachten, en in 739 werd, met uitzondering van enkele gebieden (waaronder Kyūshū), het systeem van het conscriptieleger opgeheven. Hoewel men enkele jaren later een poging ondernam om het nieuw leven in te blazen, stapte men in 780 de facto af van het principe van de algemene legerdienst. In 792 schafte keizer Kanmu 桓武 (781-806) de militaire detachementen (gundan) af, uitgezonderd in de provinciën Mutsu 陸奥, Dewa 出羽, Sado 佐渡 en Kyūshū (onder het gezag van Dazaifu). In 826 werden ook de detachementen van Dazaifu afgeschaft. Zij werden vervangen door milities (kondei 健児) die samengesteld waren uit zonen van de commanderie-beambten en andere families met ambtelijke rang. Afschaffing van de conscriptie was een tweede doodsteek voor het Ritsuryō-regime. Dit ging gepaard met de creatie van nieuwe instellingen buiten de Ritsuryō-code zoals bijvoorbeeld die van de kebiishi 検非違使, hetgeen overigens duidelijk maakt dat het hoofdstedelijke leger en de ordehandhaving aan het verzwakken waren.
Vorming van privé-landgoederen
Het belasting- en corveestelsel ingesteld onder het Ritsuryō-regime was ondraaglijk. Bronnen uit de achtste eeuw die het levensniveau van het volk in tien categorieën indelen, plaatsen tussen de 80% en 90% in de laagste categorie, d.i. de categorie van hulpbehoevenden die onverwijld bijstand nodig hebben. Onder deze condities kon de pas gecreëerde maatschappelijke orde moeilijk een lang leven beschoren zijn. Wie aan de eisen van de diverse belastingen niet kon voldoen liet zijn kubunden in de steek en vluchtte. De door de regering opgelegde straffen konden daar niets aan verhelpen. Vluchtelingen zochten hun heil onder de bescherming van de landadel of rijke boeren in andere provinciën en dorpen. Commanderie-beambten (gunji) en dorpshoofden hadden het statuut van vrije burger (kōmin), maar omdat ze veel verwanten, dienaren en slaven hadden, hadden ze ook grote loten kubunden toegewezen gekregen. Bovendien hadden zij als voormalige uji het gezag geërfd van de pre-Taika clanhoofden en waren belast met het toezicht op de uitvoering van de landverdeling en de inning van de belastingen. Door de beste velden voor zichzelf te houden en braakliggende terreinen te ontginnen konden zij steeds verder hun bezit en rijkdom vergroten. Zij hadden behoefte aan veel arbeidskrachten en ontvingen met open armen de boeren die van hun land gevlucht waren.
De provinciegouverneur had de taak de gevluchte boeren te zoeken en ze terug te brengen naar hun landerijen. Doch in de praktijk was dit door het grote aantal gevluchten onmogelijk. Vandaar dat de Nara-regering al vlug toestond dat de vluchtelingen geregistreerd werden in hun nieuwe woongebied en dat ze daar chō, yō en vroondienst opbrachten. De families die de vluchtelingen opnamen, stelden alles in het werk om hen uit het zicht van de overheid te houden en behandelden hen feitelijk als privé-slaven. Maar ook arme boeren die op hun grond bleven, zagen zich genoopt tegen hoge interesten zaaigranen en rijst van de rijkere boeren te lenen en moesten dan hun schulden terugbetalen door in dienst te gaan werken van de schuldeiser. Aristocraten, hoge ambtenaren en kloosters wedijverden met elkaar om land te ontginnen en in teelt te brengen. Eén van de eerste voorwaarden om dit te ondernemen was het bezit van de ijzeren landbouwwerktuigen en deze bezaten hogergenoemde klasse in overvloed. Pas ontgonnen velden waren in principe staatsgrond, maar om de landontginning te stimuleren, erkende de regering het privé-bezit van de grond, eerst voor drie generaties (723) en later voor eeuwig (743). Reeds op het hoogtepunt van het Ritsuryō-regime werd privé-bezit dus weer erkend, hetgeen regelrecht indruiste tegen de beginselen van het systeem zelf. Hierdoor gestimuleerd werden de aristocraten, kloosters, landadel en rijke boeren steeds gulziger in het verwerven van onontgonnen land.
In de loop van de Heian-periode verwierven deze gronden twee belangrijke privileges: vrijstelling van belasting (fuyu 不輸) en onschendbaarheid van het domein (funyū 不入). Op grond van het eerste recht dienden de eigenaars geen belastingen meer aan het provinciale gouvernement te betalen, op grond van het tweede privilege bakenden zij het domein af of verhinderden anderzijds de toegang, zodat het provinciale gouvernement geen controle meer kon uitoefenen op de boeren die hun kubunden gevlucht waren en als horige een onderkomen bij een grootgrondbezitter gezocht hadden. De landgoederen met dergelijk statuut van verregaande autonomie noemt men shōen 荘園.

