De Meiji Grondwet

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

De Meiji Grondwet (Kyūjitai: 大日本帝國憲法; Shinjitai: 大日本帝国憲法 Dai-Nippon Teikoku Kenpō) was de grondwet van het Japans Keizerrijk van 29 november 1890 tot en met de afkondiging van de naoorlogse grondwet, die van kracht ging op 2 mei 1947. De grondwet werd ingevoerd na de Meiji-restauratie in 1868.

Vroeg Meiji Regime

Nood aan een grondwet

Japan was na 1868 een wankele staat geworden, het nieuwe Meiji-regime kampte met veel problemen. Om de leegte te vullen die de val van het Tokugawa shogunaat had veroorzaakt, moest een systeem van wetten, m.a.w. een grondwet, worden opgesteld. Een systeem was nodig om de bushiklasse van hun macht te ontdoen, dit omdat zij voor opstanden zorgden en zo een gevaar vormden voor de staat, maar ook omdat zij een economische last waren.

Japan moest ook prestige verwerven bij de nieuwe westerse mogendheden. mocht Japan meewillen, zou het de westerse gebruiken en politiek moeten introduceren in haar cultuur. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, Japan was geen westerse natie, en haar cultuur verschilt dus ook van de westerse cultuur. Dit wil zeggen dat het geen gemakkelijke opgave was voor Japanse intellectuelen om de westerse ideeën betreffende een parlementair systeem te begrijpen, laat staan kopiëren. Dit kunnen we aantonen, bijvoorbeeld, aan de hand van Fukuoka Kotei[1]. Hij zei: "Met de administratie van de regering bedoelde ik de kuge en de daimyō aan te stellen. Ik vergat het gewone volk niet, ik dacht er gewoon niet aan dat ze een rol in de politiek zouden spelen." W. McLaren[2] zei hierover: "De staat politiek gezien, was hetzelfde als de feodale aristocratie, en met 'publieke opinie' werd enkel de eerste groep bedoeld. Men moet met zorg omspringen met termen als 'publieke opinie', 'de massa' en 'het volk' zoals ze in de periode door Meiji-bureaucraten worden gebruikt." Het is duidelijk dat in dit stadium van de Meiji-periode de aristocratie geen rekening hield met de lagere klassen, iets wat in de westerse landen wel werd gedaan. Om de blijvende opstanden onder de duim te houden, moest een rotsvast systeem uitgebouwd worden, dat gefundeerd is in de grondwet en aangepast aan de cultuur van Japan. Er werd besloten om de systemen van de andere naties te bestuderen. Leden van de Iwakura-missie(岩倉使節団)[3] kregen als opdracht mee de politieke en wettelijke structuren van het buitenland doorheen hun reis te bestuderen.

Kidō Takayoshi en de leden van de Iwakura-missie

Kido Takayoshi (木戸孝允)[4], één van de leden van de Iwakura-missie, keerde vroegtijdig terug en werd geconfronteerd met het feit dat de voorlopige regering alle beloftes aan de leden van de missie had verbroken, en voorop was beginnen lopen met hervormingen.
Itō Hirobumi

De regering had tijdens hun verblijf in het buitenland allerhande hervormingen aan de bovenbouw uitgevoerd, zonder aan de fundering te werken. Kidō schreef in juli 1873 onmiddellijk een dringende brief aan Keizer Meiji (明治天皇) waarin hij de nood aan een grondwet benadrukt, en als eerste aanmaant een grondwet te ontwerpen. Deze brief gaat de geschiedenis in als Kidō Sangi Kichougo No Enzetsu en werd niet veel later in een Japanse krant gepubliceerd. Kidō beweerde: "De meest dringende taak is het aanvullen van de basis geleverd door de Eed in Vijf Artikelen, met bijkomende artikels en het uit te breiden naar regelgevingen voor de regering." Met regelgevingen voor de regering bedoelt hij dus de grondwet. Waarom een grondwet zo belangrijk is, zegt hij in de volgende regels: " Als we de andere landen bekijken, groot of klein, gelijkend of niet gelijkend, ligt de sleutel tot hun welvaart of falen, overleving of ondergang, volledig in wat ze hebben bereikt of niet, in het behalen van een grondwet."

Hij concludeert uit zijn missie dat het overeind blijven van een natie afhangt van de staat van de grondwet. Een goede grondwet is dus de hoeksteen van een land en de basis van de welvaart. Hij beweert verder nog dat een land een sterke leider nodig heeft, de keizer dus. Kidō's bevindingen en inspanningen werden nauw gevolgd door, Okubo Toshimichi (大久保 利通), maar net als Kidō haalde ook zijn inspanningen niets uit. Op 13 september 1873 werd de Iwakura-missie beëindigd en keerden prominente figuren als Iwakura Tomomi(岩倉具視,) en Itō Hirobumi(伊藤 博文) terug.

Eerste pogingen voor het ontwerpen van de grondwet

Voorstellen tot de Sain

Op 28 februari werd een voorstel in de Sain(左院)[5] gemaakt om een grondwet te ontwerpen, om in mei 1874 goedgekeurd te worden. Maar zoals bijna alle beslissingen van de Sain, werd ook dit niet uitgevoerd. De Sain werd niet veel later ontbonden en vervangen door de Genrōin[6]. Met het verdwijnen van de Sain en het falen van het voorstel, verdween de grote interesse in de constitutie echter niet, er ontstonden groeperingen onder de bureaucraten die een grondwet bespraken en ervoor lobbyden.

Keizerlijk bevel tot ontwerpen van de grondwet

Taruhito Arisugawa

Een eerste echte poging tot het ontwerpen van een grondwet bleef uit tot 7 september 1876, toen Arisugawa Taruhito(有栖川宮熾仁親王)[7], op dat moment hoofd van de Genrōin, op audiëntie werd gevraagd door keizer Meiji[8]. Hij kreeg het bevel de studie van de wetten van de andere naties verder te zetten en op basis van die resultaten een grondwet op te stellen. Dit is duidelijk een indicatie dat er een grote ernst was over het constitutionalisme als regeringsvorm. Om deze taak tot een goed einde te brengen stelde Arisugawa hiervoor een studiegroep van 4 personen op.Een eerste versie werd voltooid in december 1876. De ontwerpers waren er echter niet tevreden mee, want het werd vele malen herzien voor het echt werd voorgesteld aan Arisugawa op 20 juni 1878 als Nihon Kokken An (Ontwerp van de Grondwet van Japan). Het werd onmiddellijk geweigerd en Arisugawa beval een herziening, dit waarschijnlijk na protest van Iwakura Tomomi, de toenmalige udaijin[9](右大臣). Hij stelde, net als Itō, vast dat de ontwerpers geen aandacht schonken aan het nationale beleid en de Japanse gewoonten en tradities. De ontwerpers hadden enkel grondwetten van andere landen opnieuw geformuleerd. Na herziening werd het in juli 1880 voorgelegd door Ōki Takatō(大木喬任), de opvolger van Arisugawa als hoofd van de Genrōin, met als naam Kokken Sōan (Grondwetsontwerp). Er werden weliswaar enkele veranderingen gemaakt, maar noch Itō, noch Iwakura waren tevreden.

Het probleem lag er voor hen in dat de ontwerpen onvoldoende zekerheid gaven over de aantasting van het openbaar machtsdomein. Itō koos als model voor de grondwet de Pruisische[10], terwijl anderen, zoals Ōkuma Shigenobu(大隈 重信), eerder het Engels parlementair systeem verkozen als voorbeeld voor Japan. Het debat hierover kwam tot een hoogtepunt in maart 1881 met Ōkuma's memorandum, waarin hij het aanmaande tot het bijeenroepen van een nationale vergadering in 1883 en deze de kern te maken van een regering in Britse stijl. Itō schreef hierop naar Iwakura dat als zulk beleid werd aangenomen, hij ontslag zou nemen.

De Omwenteling van Meiji 14

Ōkuma Shigenobu
Om nog extra olie op het vuur te gooien kwam een schandaal aan het licht. Commissaris Kuroda Kiyotaka had voorgesteld om de firma Kansai Boueki Shōkai(関西貿易商会), een onderdeel van het Commissariaat voor de Ontwikkeling van Hokkaidō dat opgericht was met fondsen van de bevolking, te verkopen aan een bedrijf uit de privé van zijn vriend Godai Tomoatsu(五代友厚). De bedoeling was om de overheidsbezittingen op Hokkaidō, waarin voor meer dan 14.100.000 yen was geïnvesteerd, te verkopen tegen de prijs van 390.000 yen te betalen over een termijn van dertig jaar. De zwendel kwam aan het licht nog voor de overdracht was gebeurd en het hek was van de dam. Het publiek eiste meer en meer een parlement om de regering te controleren en de regering werd in een hoek gedreven. In de regering zelf ontstonden er roddels dat Ōkuma samenzwoer met het volk, vanwege zijn interne kritiek op de regering. Hijzelf en zijn medestanders werden op 11 oktober, op initiatief van Itō, ontslagen.

De studiereizen van Itō Hirobumi

Tweede Keizerlijk Bevel voor het ontwerpen van de grondwet

Uit vrees voor verdere escalaties werd op 12 oktober 1871 een vergadering in bijzijn van de keizer gehouden. Er werd bevolen op keizerlijk bevel de grondwet op te stellen en dit op een termijn van 9 jaar, in 1890 dus. Een officieel programma werd hiervoor opgesteld. Er werd voorgesteld en onmiddellijk beslist om Itō naar Europa te sturen voor grondwetsonderzoek. Itō vertrok op 14 maart 1882 vanuit de haven van Yokohama, om uiteindelijk terug te keren op 3 augustus 1983. Hij werd door 13 anderen vergezeld.

Inoue Kowashi

Inoue Kowashi

Toen hij vertrok, gaf Inoue Kowashi(井上毅) hem een brief mee waarin hij vroeg aan Itō om het ontwerpen van de grondwet ter plaatse te doen om eventuele lekken te voorkomen. Inoue gaf hem ook een kopie mee van zijn ontwerp, op basis van de Pruisische grondwet. Iwakura had Inoue gevraagd toentertijd het memorandum van Ōkuma te bestuderen, en hierop een antwoord te schrijven. Een kleine maand later stuurde Inoue hem een memorandum (nu beter bekend als het Iwakura memorandum) met een grondwetsontwerp (Ōkoku Kenkoku Hō), een antwoord op Ōkuma's pleidooi voor een Brits systeem. Daarom wordt Inoue gezien als de eigenlijke ontwerper van de Meiji Grondwet. Hij hoopte zodoende dat Itō zijn werk zou gebruiken om de grondwet te verfijnen, los van intriges die er binnen het land heersten. In Inoue's ogen verkeerde het ontwerp in zijn laatste fase. Itō echter, zag zijn reis naar Europa als laatste kans om terug leiderschap te krijgen over het grondwetsontwerp.

Clandestiene Overduidelijkheid

De missie lijkt een kleine groep tegenover de Iwakura-missie, maar dit was een elite onderzoeksteam die al lange tijd bezig waren met constitutioneel onderzoek. De reis was wel een staatsgeheim, niet zozeer de reis zelf, maar de bedoeling van de reis werd voor het publiek geheim gehouden. Al werd er wel voldoende gespeculeerd door de media. Zo speculeerden onder andere de Asahi Shimbun en de Yuubin Hōchi Shimbun[11] dat er geen enkele andere reden was om Itō, die de grootste politicus toen was, op reis te sturen als voor constitutioneel onderzoek. Het werd niet als aannemelijk gezien dat een toppoliticus het land, dat in moeilijkheden was, zou verlaten voor iets anders dan een grondwet.

Itō's onderzoek in Europa

De teleurstelling in Berlijn

Itō zette voet aan wal in Napels op 5 mei 1882 en ging van daaruit recht naar Berlijn. Dat leek het beste idee, aangezien Itō zich net als Inoue en Iwakura zich wou concentreren op de Pruisische grondwet. Hij ging in Berlijn spreken met Rudolf von Gneist, een professor grondwettelijk recht aan de universiteit van Berlijn. Kido sprak 9 jaar eerder al eens met hem. Het gesprek viel echter tegen, geheel tegen de verwachtingen van Itō in. Hij zei tegen Itō: 'Ik ben blij dat je helemaal naar Duitsland bent gekomen op je reis, maar een grondwet is niet zomaar een document. Het is de belichaming van de van de mentaliteit en capaciteiten van een land. Ik kan je advies geven, als ik leer over Japan, maar ik heb geen vertrouwen in dat wat ik je zeg, van enig nut kan zijn.' Von Gneist vond dat Japan een eeuw te vroeg was met het ontwerpen van een grondwet, Itō was geïrriteerd door zijn opmerkingen. Doch lieten ze zich niet van hun stuk brengen en naast von Gneist spraken ze nog met Kaiser Wilhelm I en Albert Mosse, een leerling van von Gneist. De Japanse delegatie was verontwaardigd over de resultaten van de gesprekken in Duitsland, en Itō vond het tijdverspilling. Hoewel Itō's onderzoek in Berlijn vruchteloos was, had hij nog hoop voor de missie. Hij werd er zich van bewust dat enkel zich op de grondwet te concentreren een grote fout was. Hij werd hierop geduid door Aoki Shūzō, de Japanse chargé d'affaires. Deze wees hem erop dat het constitutioneel onderzoek niet zo moeilijk was, men moest enkel de basisstructuur in de wetteksten vinden, en ze in de context te plaatsen in de gebeurtenissen die eraan voorafgingen. Belangrijk was echter de administratieve wetgeving, dit was de eigenlijke basis waarop de grondwet steunde. "Als de grondwet een bloem was, dan was de administratie zijn wortels en stam", aldus Aoki. Itō begreep het en schreef in zijn dagboek: "Het is niet zo moeilijk om simpelweg de tekst van de grondwet te vertalen, maar het is onmogelijk de organisatie van een land te begrijpen zonder tegelijk naar de administratie te kijken."

De Heropleving in Wenen

Prof. Lorenz von Stein
Tijdens de zomervakantie in Berlijn, nam het gezantschap het initiatief om naar Wenen te gaan waar Kawashima Atsushi een gesprek had geregeld met Dr. Lorenz von Stein, professor politieke economie aan de Universiteit van Wenen. Beiden waren erg enthousiast elkaar te ontmoeten.

Het was voor von Stein de ideale buitenkans om zijn theorieën te propageren aan Japan, een land in volle bloei. Itō kwam in Wenen aan op 8 augustus en ging onmiddellijk naar von Stein. De gesprekken die eruit volgden, waar Itō onder andere de werking van de Pruisische grondwet met de keizer leerde, brachten een ommekeer in de missie. Itō had weer het vertrouwen in het onderzoek herwonnen. Hij werd er onderricht door von Stein tot 5 november, met uitzondering van een twee weken durende excursie naar Parijs en Berlijn. Na het vertrek uit Wenen keerde het gezantschap terug naar Berlijn. Daar kwamen gesprekken opnieuw op gang tussen hen en von Gneist en Mosse. Dit keer kregen ze hulp van Alexander Freiherrn von Siebold, die onuitputtelijk werkte voor het gezantschap.

Terug in Japan, de eindsprint naar de grondwet

Itō kwam terug aan in Japan op 3 augustus 1883 en ging meteen aan het werk. Gebruikmakend van zijn nieuw vergaarde kennis en expertise op het vlak van grondwettelijk recht, nam hij weer de hoofdrol op in het opstellen van een constitutioneel systeem. Daarbovenop betekende de dood van Iwakura <re> Hij stierf op 20 juli 1883, 2 weken voor Itō's terugkomst.</ref> tijdens Itō's reis dat Itō nu de volledige macht had over het uitwerken van de constitutie. Echter met het ontwerpen van de tekst zelf, werd niet meteen begonnen. Een constitutioneel systeem kan niet bereikt worden door enkel het samenstellen van een grondwet; een hele reeks institutionele hervormingen moesten gebeuren, beginnend met de administratie.

Institutionele hervormingen

In maart 1884 werd Itō aangesteld tot hoofd van het Bureau voor Onderzoek van Constitutionele Systemen in het Keizerlijk Huishouden. Hij voerde vanuit die positie een reeks hervormingen uit, beginnend met het Bureau zelf. Hij werkte eraan de financiële autonomie van het keizerlijk huis te herstellen, zo zou er een duidelijke scheidingslijn tussen de keizer en de regering ontstaan. Het vrijwaren van de keizer van de regering, en andersom, ervoor te zorgen dat de keizer zich niet zou kunnen moeien in staatsaangelegenheden, was de eerste stap om van de keizer een constitutionele monarch te maken.

Nieuwe rangen voor de adel

In 1884 hervormde de overheid de rangen van de adel. De oude hofadel, voorname samurai-families en mensen die zich in het nieuwe bewind uitzonderlijk verdienstelijk gemaakt hadden, werden erin opgenomen. Vijf hofrangen werden ingesteld: hertog (kōshaku 公爵), markies (kōshaku 侯爵), graaf (hakushaku 伯爵), burggraaf (shishaku 子爵) en baron (danshaku 男爵). Het was in feite een kunstmatig systeem zonder enige traditie, maar deze nieuwe adel mocht in de nog op te richten Nationale Vergadering (Kokkai 国会) zetelen, meer bepaald in het Hogerhuis. [12]

Het feodaal systeem moest wijken voor een kabinetssysteem

Structuur van de nieuwe Meiji staat. (Japans)

Op 22 december 1885, werd de Dajōkan door een grote herstructurering afgeschaft. In de plaats kwam een modern kabinetssysteem waarin posities voor het hele volk werden gewaarborgd. Zo werd getracht het machtsmonopolie van de aristocratie op de regering af te schaffen. Ook betekende de oprichting van het kabinetssysteem dat er nu een uitvoerende macht was die, hoewel steeds verantwoordelijk aan de keizer, geheel autonoom was[13]. Het duurde wel tot december 1899 alvorens de officiële richtlijnen voor het systeem uitgevaardigd waren. Deze specificeerde de rol van elk kabinetslid, zoals dat in de grondwet beschreven zou staan. Itō werd Japans eerste premier. Onder hem stonden 10 ministers, 4 uit Satsuma, 4 uit Chōshū, 1 uit Tosa en 1 voormalig bakufu-ambtenaar. Er kwam niemand van de traditionele adel in voor. Los van het kabinet werd een minister van Binnen (naidaijin 内大臣) aangesteld, die het Staatszegel en het Keizerlijk Zegel bewaarde en de Raad van keizerlijke adviseurs voorzit. Eveneens buiten het kabinet stond de minister van het Keizershuis (kunaidaijin 宮内大臣), die aan het hoofd stond van het ministerie voor het Keizershuis (kunaishō 宮内省). Deze beide ministers waren uitsluitend verantwoording aan de Keizer verschuldigd. Zij stonden daardoor min of meer op voet van gelijkheid met de eerste minister. Itō cumuleerde aanvankelijk beide functies. [Aritomo Yamagata|Yamagata Aritomo]] werd de eerste minister van Binnenlandse Zaken (naimudaijin 内務大臣). De minister van Binnenlandse Zaken was de belangrijkste kabinetsfunctie op die van de eerste minister na. De begroting van het kunaishō stond los van de nationale begroting en telkens de gelegenheid zich voordeed, werd de dotatie aan het keizershuis vergroot. In maart 1886 werd het Keizerlijk Universiteitsbevel uitgevaardigd, die de Keizerlijke Universiteit[14] oprichtte. Door het 'Keizerlijk Universiteitsbevel', samen met de 'Verordeningen voor Ambtenarijonderzoeken en Burgerlijke Ambtenaren' en de 'Ambtenarijcode', uitgevaardigd in 1887, werd een systeem opgericht ter bevordering van de bureaucratie die de administratieve ondersteuning zou bieden voor een constitutioneel systeem.

Suumitsuin(枢密院)

In 1888 werd de Suumitsuin(枢密院), ofwel de Raad van State, door Keizerlijke Verordening, opgesteld, gebaseerd op de Privy Council of the United Kingdom, die raad moest geven aan de Keizer over zaken als het ontwerp van een grondwet, de wet op het keizershuis, enz. Ook nu met Itō als voorzitter. De leden werden door de keizer gekozen en waren ervaren politici. Het was de hoogste raadgevende instantie, los van de uitvoerende macht.

De Grondwet van het Grote Japanse Keizerrijk

De grondwet tenslotte, werd afgekondigd op 11 februari 1889[15] door Keizer Meiji, als de Meiji grondwet.(Dai-Nippon Teikoku Kenpou 大日本帝国憲法). Het duurde weliswaar tot 29 november 1890 tot ze in gebruik genomen werd. Dit gebeurde tijdens de eerste Keizerlijke Vergadering, de nieuwe vergadering van het parlement, bestaande uit het Hogerhuis, bevolkt door de nieuwe adel, en het Lagerhuis, gekozen door het volk. De inhoud bevestigt het feit dat Itō de principes uit andere grondwetten overnam en implementeerde in de Japanse cultuur, er is helemaal geen sprake van kopiëren. Van de zeven hoofdstukken die de grondwet telt, is er 1[16] volledig gewijd aan de keizer. De grondwet bleef van kracht tot ze vervangen werd door de huidige grondwet, de Nihon-Koku Kenpou (日本國憲法) op 2 mei 1947.

Voetnoten

  1. Eén van de opstellers van de Gokajō no Goseimon, de Eed in 5 Artikelen
  2. Een historicus, gespecialiseerd in de Meiji-periode.
  3. van 1871 tot 1873
  4. Na zijn dood werd hij bekend als Kidō Kōin, hij gebruikte ook de alias Niibori Matsusuke (新堀松輔) toen hij tegen de |shogun vocht.
  5. Kamer van Links.
  6. Na de Ōsaka conferentie 1875.
  7. Prins Arisugawa Taruhito, (1835-1895), was een generaal in het Japanse keizerlijke leger.
  8. Keizer Meiji is ook bekend als keizer Mutsuhito.
  9. Minister van Rechts.
  10. Pruisen had ook een keizer, en dus een grondwet aangepast aan de keizer.
  11. De Yuubin Hōchi Shimbun werd gesticht door Maejima Hisoka(前島密), een medestander van Ōkuma. Hij was ook de stichter van de Japanse post, en werd later vice-minister van Binnenlandse Zaken.
  12. Hier te vergelijken met het Engelse House of Lords.The House of peers in Japan
  13. Dit noemt men een chōzen naikaku 超然内閣.
  14. De Keizerlijke Universiteit werd later de Tōkyō Daigaku, ook bekend als Tōdai.
  15. Volgens de Nihonshoki de dag dat de eerste keizer, Keizer Jinmu, de troon besteeg.
  16. bestaande uit 17 artikelen

---

Bronnen

  • Takii Kazuhiro, The Meiji constitution : the Japanese experience of the west and the shaping of the modern state. Translated by David Noble. 2007
  • George Akita, Foundations of constitutional government in modern Japan 1868-1900.
  • Prof. W. Vande Walle, Een geschiedenis van Japan: Van samurai tot soft power. Acco Leuven, 2007
  • www.wikipedia.org
  • http://www.ndl.go.jp/modern/e/cha2/index.html