De Meiji-restauratie
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
De Meiji-restauratie
Leidraad
Na het succes dat de voorstanders van de Kōgi seitai geoogst hadden, pleegden de radicale Han die het Bakufu met geweld wilden uitschakelen, een soort staatsgreep die tot een kleine burgeroorlog zou voeren. Na een reeks van veldslagen, o.m. bij Toba-Fushimi en de val van het Goryōkaku fort te Hakodate had het Bakufu zijn laatste steunpunten verloren. Zo behaalde uiteindelijk de radicale lijn onder de anti-Bakufu krachten de totale overwinning. Hun eerste, symbolisch geladen, daad was de proclamatie van de Eed in Vijf Artikelen, op de veertiende dag van de derde maand van 1868. Het was een soort blauwdruk of intentieverklaring voor de hervormingen die zouden doorgevoerd worden.
Oprichting van nieuwe besturen
Na de machtsoverdracht door Tokugawa Yoshinobu stelde zich het probleem op welke manier het Bakufu-"karkas" moest worden opgeruimd en wat ervoor in de plaats moest komen. Onder leiding van Keizer Meiji, die zou regeren van 1867 tot 1912, of in elk geval uit diens naam, werden eerst en vooral de laatsten die de Shōgun trouw gebleven waren, uitgeschakeld. Daarna werden nieuwe bestuurlijke structuren ingevoerd, geïnspireerd op de Eed in Vijf Artikelen. Het geheel van hervormingen dat in deze periode werd doorgevoerd, noemt men naar de naam van de investituur van de Keizer: Meiji-ishin 明治維新.
Ōsei Fukko no Daigōrei
(王政復古の大号令)
De opruiming van het Bakufu zou via overleg en onderhandelingen afgesproken worden. Er waren echter tegengestelde meningen. Eerst en vooral waren er de voorstanders van de Kōgi seitai-ron, door de daimyō van Tosa naar voren geschoven, waarbij de Shōgun in ruil voor het overdragen van de nominale macht aan de Keizer, heel wat reële macht zou terugkrijgen als voorzitter van een bestuursraad van aristocraten en daimyō's. Daartegenover stond de veel radicalere Tettei Tōbaku-ron 徹底討幕論 (d.w.z. de doctrine van de grondige kastijding van het Bakufu), voorgestaan door de hofedele Iwakura Tomomi, alsmede door Ōkubo Toshimichi en Saigō Takamori uit Satsuma. Zij eisten het onvoorwaardelijke aftreden van de Shōgun en de confiscatie van alle gronden van de Tokugawa-clan en het Bakufu. Op de 9de dag van de 12de maand van 1867 pleegden deze radicalen een staatsgreep. Troepen van Satsuma, Owari, Tosa, Aki en Echizen vatten post rond het Keizerlijk Paleis. In het paleis werden de prinsen, samurai en aristocraten die hun standpunt genegen waren, ontboden voor een ceremonie die zwanger was van symboliek. Iwakura bracht de proclamatie binnen die vervolgens door de keizer ten gehore van alle aanwezigen werd voorgelezen. Deze met zware symboliek geladen ceremonie was ingegeven door het voorgewende ideaal van de radicalen, namelijk de macht van de keizer te herstellen zoals hij eertijds geweest was. Daarom is zij bekend onder de plechtige naam "De proclamatie strekkende tot het herstel van de oude keizerlijke prerogatieven" (ōsei Fukko no Daigōrei 王政復古の大号令). In wezen greep de proclamatie terug naar het oeroude ideaal van "het deugdzame bestuur" (tokusei 徳政), het confuciaanse ideaal van de soeverein die schoon schip maakt en met een schone lei begint door naar het oude terug te grijpen, zoals dat in de Ritsuryō vastgelegd was. Dat zegt iets over de ambivalentie van de politieke gebeurtenissen die we beschrijven: de vernieuwing van Meiji (Meiji ishin) door een terugkeer naar de oude keizerlijke prerogatieven (ōsei Fukko).
Inhoud van de Keizerlijke restauratie
De proclamatie schafte de ambten van regent, shōgun en beschermer van de vertegenwoordiging van het Bakufu te Kyōto (Kyōto shugo-shoku) af, en creëerde drie nieuwe centrale functies: Sōzai 総裁 (president of voorzitter), Gijō 議定(staatsraad) en Sanyo 参与(adjunct-staatsraad). De politieke structuren zouden worden gemodelleerd naar de administratie van Keizer Jinmu, de legendarische eerste keizer van Japan. De hovelingen zouden zonder onderscheid van rang of stand op rechtvaardige en redelijke wijze het landsbestuur behartigen. Zo verschoof de macht van het shogunaat naar het Keizerlijk Hof en werd er een bestuur gevormd bestaande uit de aristocraten die voor de val van het Bakufu geijverd hadden en samurai uit de vijf Han die mede de staatsgreep opgezet hadden. Yoshinobu verloor al zijn macht en alle Bakufu-gronden werden geconfisceerd. Zo werd het Bakufu twee maal afgeschaft: de eerste keer toen Yoshinobu zijn macht teruggaf, de tweede maal door de keizerlijke proclamatie.
De Boshin-oorlog
De medestanders van het Bakufu legden zich daar niet goedschiks bij neer. Er brak een oorlog uit tussen Bakufu-getrouwe troepen en het leger van het nieuwe bewind. De vijandelijkheden braken uit in het begin van 1868 en zouden tot midden 1869 aanslepen. Deze oorlog wordt naar de toenmalige kalenderperiode Boshin-oorlog 戊辰戦争genoemd. Deze burgeroorlog zou het lot van het Bakufu definitief bezegelen.
De veldslag bij Toba-Fushimi
(Toba-Fushimi no tatakai 鳥羽伏見の戦い)
Omdat het nieuwe bewind aanstuurde op de radicale en gehele ontmanteling van het Bakufu, gingen de aanhangers in het verweer. Toen Saigō Takamori ermee dreigde ook Edo met militair geweld te bezetten, kwamen getrouwen van Tokugawa Yoshinobu uit de domeinen Kuwana en Aizu, alsook voormalige soldaten en ambtenaren van het Bakufu in opstand. In het begin van 1868 rukten deze troepen op in de richting van Kyōto om Satsuma te bestraffen. Vlak voor Kyōto werd dit leger echter door de moderne strijdmachten van Satsuma en Chōshū totaal in de pan gehakt en Yoshinobu moest via een zeeroute terug naar Edo vluchten.
De overgave van het kasteel te Edo
De vlucht van Yoshinobu werd de aanleiding voor een militaire campagne tegen alle Bakufu-getrouwe elementen. Prins Arisugawa kreeg de verantwoordelijkheid voor deze zogenaamde Oostelijke expeditie en Saigō Takamori voerde als stafchef het gezag over de eigenlijke acties. Via de postroutes Tōkaidō, Tōzandō en Hokurikudō werd het beleg om Edo geslagen. Onder druk van deze belegering zag Yoshinobu af van de hulp die hem door Roches vanuit Frankrijk was beloofd en maakte zijn overgave bekend. Na een petitie van Kazunomiya en Katsu Kaishu 勝海舟 om de strijd te staken, en mede op aandringen van de Britse consul Harry Parkes, gaf het kasteel van Edo zich op de 11de dag van de 4de maand van 1868 zonder bloedvergieten over. Yoshinobu werd naar Mito verbannen. Het nieuwe hoofd van de Tokugawa-clan werd tot de status van een gewone daimyō gedegradeerd, kreeg Suruga (huidige prefectuur Shizuoka) als domein en ging in het kasteel van Sunpu wonen.
De Shōgitai-rebellie
Sommige Bakufu-getrouwen konden zich niet neerleggen bij de overgave van Yoshinobu. Zij vormden een verzetsleger, de Shōgitai 彰義隊genoemd, en verschansten zich in de Kan'ei-ji (tempel) van Ueno, van waaruit ze het Keizerlijk leger bleven bestoken. Op de vijftiende dag van de vijfde maand 1868 werden ze door troepen van Satsuma onder leiding van Saigō Takamori uitgeschakeld. Edo was nu volledig "gepacificeerd.
Opstanden in noordelijk Honshū
Onder de leiding van de daimyō van Aizu sloten de Han van de Tōhoku-regio (Mutsu, Dewa, de Hokuetsu-streek) een verbond. Eén na één vielen steden als Nagaoka, Yonezawa en Sendai in handen van het regeringsleger. In de negende maand werd Aizu tot overgave gedwongen en kwam er een einde aan de oorlog. Een beroemde episode uit deze strijd om Tōhoku is de rituele zelfmoord van de witte tijgers (Byakkotai 白虎隊). Dit waren 19 jonge strijders die rook zagen opstijgen en ten onrechte meenden dat het kasteel van Aizu gevallen was, waarop ze zich terugtrokken op de Iimori-berg en seppuku pleegden.
De slag om het Goryōkaku-fort te Hakodate
Na de overgave van het kasteel van Edo, vluchtte Enomoto Takeaki 榎本武揚, vice-admiraal van de marine van het Bakufu, met de resten van de vloot vanuit Shinagawa noordwaarts, nam onderweg nog 1600 Bakufu-getrouwe soldaten op en vluchtte naar Hokkaidō. Als basis koos hij het Goryōkaku-fort van Hakodate. Hij wilde van Hokkaidō een soort republiek maken, waar iedereen die het oneens was met het nieuwe beleid van de Meiji-machthebbers terecht zou kunnen. In de loop van de vijfde maand van 1869 gaf het door regeringstroepen omsingelde fort zich over. Dit was de laatste militaire krachtmeting tussen de aanhangers van de Bakufu en het nieuwe regime. De kansen voor een herrijzenis van de Bakufu waren nu wel bijzonder klein geworden.
Blauwdruk voor het nieuwe bestuur
De Eed in Vijf Artikelen
(Gokajō no Goseimon 五箇条の御誓文)
Op de veertiende de dag van de derde maand van 1868 proclameerde Keizer Meiji vijf artikelen waarin de principes van het nieuwe bestuur werden vastgelegd. Deze artikelen werden als een soort belofte aan de goden voorgesteld en kregen haast dezelfde waarde als een grondwet. De vijf punten zijn in hoogdravende en vage bewoordingen gesteld, maar impliceerden onder meer de volgende punten: bestuur op basis van brede inspraak, openstelling van het land en verzoening met de buitenlandse mogendheden, afschaffing van het onderscheid tussen rangen en standen, ...
De oorspronkelijke versie werd opgesteld door Yuri Kimimasa 由利公正, een talentvol samurai-politicus uit Echizen. Dat de keuze op hem viel had te maken met de vrees van de meeste Han dat na de Oostelijke expeditie, Satsuma in plaats van de Bakufu alle macht in handen zou krijgen. Het voorstel werd naderhand herzien door enkele andere leiders: Fukuoka Takachika 福岡孝弟van Tosa en Kido Takayoshi 木戸孝允(posthuum Kōin genaamd) van Chōshū en in een definitieve vorm gegoten. De versie van Yuri voorzag een soort deliberatieve raad van feodale heren waarin ook voor de Tokugawa nog een rol was weggelegd. Op die wijze hield hij rekening met de standpunten van de Kōgi Seitai-ha, maar hij bepaalde niet precies wie aan de raad mocht deelnemen en met welk statuut.
Het oorspronkelijke opzet was een raad in het leven te roepen, in de geest van een verbond tussen de daimyō's, waarin een brede waaier van opinies aan bod kon komen. In de definitieve tekst werd echter de verwijzing naar de daimyō's weggelaten, en vervangen door de vage uitdrukking "uitgebreide beraadslagingen", waar men alle kanten mee op kon. Hierin is de hand van Kido Takayoshi te zien, die op die wijze de macht uit handen van de daimyō's wou houden en zoveel mogelijk in handen van de keizer concentreren. Datzelfde streven uitte zich ook op het vlak van de rituele symboliek van de afkondiging. Het was namelijk aanvankelijk de bedoeling dat de keizer deze vijf punten zou afkondigen, en de daimyō's de eed van trouw aan de keizer zouden zweren. Door toedoen van Kido, werd de strekking van het ritueel afkondiging gewijzigd: de keizer zou de gelofte aan de goden doen. Ook ritueel werd er dus een grotere rol aan de keizer toebedeeld dan eerst de bedoeling was.
Gobō no Keiji (五榜の掲示)
Nadat de Eed in Vijf Artikelen was geproclameerd, vaardigde de regering nog dezelfde dag een plakaat uit met richtlijnen voor het gewone volk. Zo moest de confucianistische moraal gerespecteerd blijven, was het vormen van facties of politieke partijen verboden, mochten geen petities worden gericht aan de autoriteiten, bleef het Christendom verboden, moesten buitenlanders met rust gelaten worden, en mocht niemand zijn Han verlaten. Dit plakaat heet Gobō no Keiji.
Verklaring inzake de Bestuurlijke Structuur (Seitaisho 政体書)
Op de 21ste dag van de intercalaire vierde maand van 1868 maakte de overheid haar "Verklaring inzake de Bestuurlijke Structuur" bekend. De bedoeling hiervan was de vage principes geformuleerd in de Eed in Vijf Artikelen, concrete invulling geven. Opstellers van de verklaring waren Fukuoka Takachika en Soejima Taneomi 副島種臣 (1828-1905). Zij vonden inspiratie in klassieke Japanse verhandelingen over bestuur, in Fukuzawa Yukichi's Seiyō Jijō 西洋事情, en in Amerikaanse geschriften. De macht werd geconcentreerd in de Grote Staatsraad, de Dajōkan 太政官. De drie machten (wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht) werden gescheiden, zij het op niet al te grondige wijze. Erfelijke privileges zouden afgeschaft worden, en de overheid zou de voorwaarden voor brede inspraak creëren. Zo werd een wetgevend orgaan opgericht de Giseikan 議政官, als orgaan van de rechterlijke macht de Keihōkan 刑法官 en als administratieve organen de volgende bureaus :
- Bureau voor de Uitvoerende macht - Gyōsei-kyoku (行政局)
- Bureau voor de Godsdienst - Jingi-kyoku (神祇局)
- Bureau voor Financiën - Kaikei-kyoku (会計局)
- Bureau voor Militaire Zaken - Gunmu-kyoku (軍務局)
- Bureau voor Buitenlandse Zaken- Gaikoku-kyoku (外国局)
De Giseikan bestond uit een Hoger Bureau, waarin de prinsen van keizerlijken bloede, de aristocraten (kuge 公家), de daimyō's en samurai, die optraden als vertegenwoordigers van hun Han, zetelden. Daarnaast was er een Lager Bureau bestaande uit administratoren en klerken, doorgaans samurai die om hun bekwaamheid waren uitgekozen door de daimyō's om de standpunten van de Han in de Dajōkan te vertegenwoordigen. Omdat de belangrijkste leden van de Giseikan ook de belangrijkste posten van het Bureau voor de Uitvoerende macht bekleedden, was de scheiding van de bevoegdheden in de praktijk niet klaar. Leden van raden zouden in principe verkozen worden voor ambtstermijnen van 4 jaar. In feite werden deze verkiezingen slechts eenmaal gehouden. Dit systeem was een kort leven beschoren. In het tweede jaar van Meiji werd het vervangen door een tweeledig systeem bestaande uit de Raad voor Godsdienst (Jingikan) en de Grote Staatsraad (Dajōkan). In de Verklaring inzake de Bestuurlijke Structuur werd ook vastgelegd dat de regionale administratie zou worden onderverdeeld in drie niveaus: fu, ken en han (de zogenaamde fu-ken-han sanchisei 府県藩三治制). De gronden van het Bakufu en van de Keizer zouden worden opgedeeld in 9 fu en 22 ken, bestuurd door door de centrale regering aangestelde gouverneurs. De Han bleven onder het gezag van de daimyō's.
Verandering van de jaartelling en verplaatsing van de hoofdstad
In 1868 gaf Keizer Meiji een ceremonie ter gelegenheid van zijn troonsbestijging. De oude jaartelling Keiō 慶応 werd opgeheven en het nieuwe tijdperk werd Meiji 明治 genoemd. Van nu af zal per regering van een keizer maar één kalenderperiode (nengō 年号) meer gebruikt worden. Ook werd besloten, om het roerige Oost-Japan beter te kunnen besturen, de hoofdstad naar Edo te verplaatsen en de stad de nieuwe naam Tōkyō te geven.

