De Japanse Visserij

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

Een Britse handelaar die in 1861 een haven in het noorden van Hokkaido bezocht, rapporteerde dat hij door de geur, of correcter: de stank, meteen wist wat de voornaamste bezigheid van de bewoners was: de visserij.

De visindustrie is al eeuwen lang van groot belang in Japan. Japanners consumeren namelijk veel vis, met name meer dan vier keer zoveel als het wereldgemiddelde. Verder zijn naar schatting tussen de één en twee miljoen Japanners op directe of indirecte wijze afhankelijk van vis als bron van inkomsten. Tot de visserij behoren vissers, inkopers en verkopers, inpakkers, visslagers, transporteurs… Eén vis kan wel in meer dan tien verschillende paar handen belanden vooraleer het in je bord belandt. Ook is Japan, na China, de tweede grootste producent van vis ter wereld. Langs de hele Japanse kustlijn liggen er zo’n 5000 kleine vissersdorpen. Dit betekent dat er ongeveer elke 6 km eentje gesitueerd is! Kortom, Japan is een vissersstaat in hart en nieren.

Geografie en biodiversiteit

Rond Japan zijn er veel zeegebieden met een grote biodiversiteit. Een eerste verklaring hiervoor is uiteraard dat het land bestaat uit een eilandengroep, en dus van nature uit al omringd is door water. Maar, meer dan andere landen, maakt Japan er werk van om de zee zo veel mogelijk in stand te houden. Japanners zijn zich er namelijk al lang van bewust dat er maar een beperkte voorraad aan zeevruchten is, en dat allerlei soorten kunnen uitgeput raken. Er werd hier rekening mee gehouden door visquota’s vast te leggen, bepaalde zeegebieden te beschermen en door streng te zijn in het uitdelen van vislicenties.

Verder is er zo’n grote biodiversiteit omdat er grote gebieden zijn die alles te bieden hebben om een grote verscheidenheid aan zeeleven te huisvesten. In de Genkaizee nabij de Fukuoka-prefectuur (福岡県) is er hiervoor zo’n ideale plek. De warme stroom Kuroshio en de koude stroom Riman komen er samen. Waar dat gebeurt, zijn er vissen in overvloed. Daarnaast zijn ook de zee en de kustlijnen erg divers, en bieden ze voor elk wat wils: lange zandstranden, rotskliffen, ondiepe plekjes… Een ideale plaats voor vissen betekent natuurlijk ook een ideale plaats voor vissers. In het gebied kunnen er meer dan 30 vissoorten gevangen worden; volgens sommige bronnen zijn het zelfs een honderdtal soorten. Verder halen vissers er ook weekdieren (octopussen, schelpdieren…) en zeewier binnen, zoals ook op veel andere locaties in Japan.

Artificiële riffen

Sinds 1930 worden er subsidies voor het maken van artificiële riffen uitbetaald. Ze worden gemaakt van steenkoolas en cement, en zijn gemiddeld 40 meter hoog en 200 meter lang. Het creëren van dergelijke riffen is sindsdien enkel verbeterd en toegenomen; de laatste jaren investeerde de overheid hier zelfs miljarden euro’s in! Aangezien Japanse wetenschappers hebben vastgesteld dat een specifiek ontworpen habitat de overlevingskansen van bepaalde zeedieren kan doen stijgen, ziet de regering dit geld grotendeels terugvloeien.

Indeling van de Japanse visindustrie

Er zijn verschillende manieren om de Japanse visindustrie in te delen, maar dit wordt hoofdzakelijk gedaan a.d.h.v. 5 categorieën: de verre, de offshore en de kustvisserij, de aquacultuur (viskwekerij) en het recreatief vissen. De offshore visserij wordt vaak onderverdeeld bij de verre visserij.

De kustvisserij

Deze categorie van de visindustrie stelt het grootste aantal mensen te werk, dankzij de nabijheid van vissersdorpen. Het brengt ook het meeste op, omdat men hier de meest verse én de meest gevraagde vissen vangt.

De kustvisserij bestaat al sinds de premoderne tijd, en heeft zich langzaamaan uitgebreid. De vissers in deze tak van de visindustrie zijn vooral kleine zelfstandigen met een boot. In de Edoperiode kregen ze vnl. hulp van hun familie, maar naarmate ichizoku (一族) minder voorkwam, nam men meer kennissen of vreemden in dienst.

Het gaat echter achteruit met de kustvisserij sinds de jaren 1970; het zeeleven raakt uitgeput, en er zijn steeds minder vissers. De overheid heeft maatregelen getroffen om deze industrie weer te doen opbloeien (cf. infra).

De offshore en verre visserij

De verre visserij startte pas in de jaren 1920, en kende een sterke groei tijdens de hongersnood na de Tweede Wereldoorlog.

Toen in 1982 het VN-zeerechtverdrag werd ingevoerd, kreeg deze groep vissers een zware klap. Het verdrag werd opgesteld door de Verenigde Naties en is het meest recente verdrag m.b.t. de zeeën. De belangrijkste bepaling was het invoeren van exclusieve economische zones (EEZ). Dat zijn gebieden die zich tot 200 zeemijl (370,4 km) buiten de kust van een staat uitstrekken. Hierbinnen heeft een land een aantal rechten zoals het recht op wetenschappelijk onderzoek en visserij. Voor Japan bracht het verdrag echter meer nadelen dan voordelen; voordien viste men namelijk buiten dit gebied.

Aquacultuur

Aquacultuur is het proces van het kweken van vis, schaal- en schelpdieren in installaties in vijvers of in de zee. Een deel van de jonge gekweekte dieren wordt uitgezet in de natuur, zodat ze in hun natuurlijke habitat kunnen opgroeien. Eens de vissen en schelpdieren groot zijn, worden ze vroeg of laat opgevist.

Het is niet zeker wanneer de aquacultuur precies is ontstaan, maar er bestonden al enige vormen van in 2000 v.C. Japan begon de aquacultuur vermoedelijk met het kweken van zeewier, door bamboepalen in de zeebodem te steken waarlangs het wier kon groeien. Later legden de kwekers netten en oesterschelpen neer, waarop de sporen van het zeewier vielen, en zich verankerden. In 1930 begon men intensief vis te kweken, en sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog is de aquacultuur enorm uitgegroeid. Toen werd het een belangrijke bron van eiwitten voor afgelegen dorpen. De aquacultuur is de laatste twee decennia enorm gegroeid. Volgens het Ministerie van Landbouw, Bosbouw en Visserij bedroeg deze tak van de visserij in 2003 al 22% van de totale visproductie! In totaal worden in Japan meer dan 60 soorten vis en ander zeeleven gecultiveerd. De geelvinmakreel, nori- en wakamezeewier, de Japanse goudbrasem en oesters zijn de meest gekweekte soorten. Wat export betreft, zijn de parels van schelpdieren het populairst.

Toch kan aquacultuur ook schadelijke gevolgen hebben voor het zeeleven. Zo kan het visziektes (bvb. het Koi Herpesvirus) veroorzaken en de biodiversiteit verminderen. Er wordt vollop onderzoek gedaan naar oplossingen voor deze problemen.

De recreatieve visindustrie

De recreatieve visindustrie in Japan is vermoedelijk de grootste en meest diverse in de wereld. Ook deze categorie van de visserij is lucratief, a.d.h.v. verkoop van aas, vishaken en andere benodigdheden, bootverhuur, gespecialiseerde visparken… Japanse viswerktuigen zijn namelijk overal populair. Aan de ene kant krijgen de ambachtelijk gemaakte werktuigen, zoals hengels, nog steeds veel belangstelling. Aan de andere kant ontwikkelen enkele Japanse bedrijven hightech technologie met microcomputers, die wereldwijd in trek zijn.

Technieken

Er zijn gedetailleerde beschrijvingen van meer dan 50 vistuigen die al tijdens de vroege Meiji-periode gebruikt werden. De gebruikte technologie varieerde doorheen de eeuwen enorm van schaal. Sommige zeedieren, zoals zeewier en abalone kon men op z’n eentje vangen, zonder werktuigen. Daartegenover staat de walvisvaart, waarvoor men met zo’n 500 man moet zijn, en waarvoor heel dure middelen nodig zijn. Uiteraard zorgen zo’n grote verschillen in omvang van technieken voor een groot verschil in organisatie.

Vislijnen en netten

De meeste vishengels en netten waarvan Japan gebruikt heeft gemaakt, kent men in de rest van de wereld ook, zij het met hier en daar een klein verschil.

Hengels worden al zeker sinds het Jomontijdperk gebruikt. Voor makreel en kwallen zetten vissers korte handlijnen in. Daarnaast heb je ook lange lijnen, die verschillende kilometers lang konden zijn. Ze worden vooral voor zeebrasems, roggen, diepzeekabeljauw en enkele haaiensoorten gebruikt.

Netten zijn er in alle grootten en vormen geweest: sleepnetten, drijfnetten, ronde netten, zegennetten, netten met visvallen... Netten waren enkele eeuwen lang wel veel te duur voor kleine zelfstandigen, en werden meestal door één of meerdere handelaren gekocht. Dit leidde mee tot het opkomst van de contractvisserij (tegenover familievisserij). Iedereen die wou vissen, maar het geld niet had om de benodigdheden te kopen om hiermee te starten, ging in de contractvisserij werken. Ze moesten een deel van hun loon aan hun werkgevers (de eigenaars van netten en boten) afstaan, maar stapelden vaak de schulden op.

Vissen met netten was en is nog steeds de meest populaire manier van vissen, omdat je er de meeste soorten vissen mee kan vangen, en omdat het veel sneller gaat dan hengelen.

Naast vislijnen en netten ving men ook schelpdieren en zeewier met speren of met kleine vallen, of zelfs zonder enige hulpmiddelen. Zo konden ook de armere mensen gratis aan eten geraken, en zichzelf van een klein inkomen te voorzien. De commerciële waarde van schelpdieren bedroeg wel slechts een paar procent van de totale visvangst. Toch waren ze in enkele vissersdorpen belangrijk. Vooral abalone (een soort zeeslakken) was van belang. Verder stonden Nigata en Hatsu bekend voor hun turbo- en venusschelpen. Zeewier, zoals wakame en nori, bracht nog minder geld in het laatje. Toch voorzag Japan de hele wereld van nog zeewier tot voor de zeebeving en tsunami van 2011.

Ayu-vissen

Eén van de meest populaire vissoorten in Japan is de Ayu (鮎、香魚、年魚), een kleine slanke Japanse rivierforel. Hiervoor worden verschillende eeuwenoude technieken gebruikt: het weirvissen met een Yana (簗), de traditionele vismethode die bekend staat als Tomozuri (友釣り), het vliegvissen, en de Ukai (鵜飼), of het aalscholver-vissen.

De technieken van het Ayu-vissen zijn minstens 430 jaar oud. Toen ontdekten vissers dat ze de vissen voor de gek konden houden door hun aas (vaak vliegen) te versieren met stukjes stof. Hun techniek werd verfijnd door de Samurai die in de Edo-periode het verbod kregen om nog te vechten, en in deze vistechniek een goed alternatief vonden om zich uit te leven. De lange staven vervingen hun zwaarden, en hun fysieke training werd ingevuld door het lopen op de rotsen langs de oevers van de rivieren. Later mochten enkel de samurai nog vissen. Ze maakten zelf met de hand hun hengel en lokaas. Dit laatste waren dus eerst vliegen, tot ze de efficiëntie ontdekten van Ayu als lokaas te gebruiken voor andere Ayu.

De meeste Ayu worden gevangen met een Yana: dit is een weir of stuw, een kleine constructie die men met stenen en hout bouwt in een rivier; hierin plaatsen de vissers een fuik gemaakt van riet of bamboe waarin de vissen worden gevangen. Zo’n fuik fungeert als een soort grof visnet, waar het water en de kleinere vissen makkelijk doorheen stromen, maar waaruit de grotere vissen niet meer weg kunnen.

Hoewel we deze visserstechniek sinds vele eeuwen in één of andere vorm zowat overal in de wereld kunnen terug vinden, is deze specifieke manier van vissen met zo’n soort Yana sinds mensenheugenis gekend in Japan.

Naast deze methode zie je ook nog steeds veel Japanners aan de kant van de rivier vissen met een hengel met speciaal aas. Deze traditionele vismethode staat bekend als Tomozuri. Tomo (友) betekent vriend of verwant en zuri (釣り) vissen. Deze manier van vissen blijft nog steeds populair, maar vraagt veel behendigheid en geduld. De voeding van de Ayu bestaat uit planten die op de rivierbodem groeien op rotsen en kiezelstenen. Dit maakt het extreem moeilijk voor vissers om hen te vangen met lokaas aan hun hengel. Voor deze bodemplanten hebben de ayu elk hun eigen territorium van 10 tot 20 vierkante meter. Andere vissen die op hun terrein komen, zullen ze aanvallen. Ervaren vissers maken hiervan gebruik door als lokaas ook een Ayu (een verwant of tomo) te gebruiken. Met een neusring bevestigen ze een Ayu als lokaas aan hun hengel. Deze vis is weliswaar wat verzwakt, maar nog in staat om te zwemmen. Deze hengel gooien ze uit met een zeer lange staaf in de ondiepe delen van de rivier, waar het water trager stroomt. Na enige tijd is een nieuwe Ayu aan de haak is geslaan. De uitgeputte lokaas-Ayu vliegt nu in de emmer, en de visser plaatst de pas gevangen Ayu nu als nieuw lokaas, op naar de volgende vis. Deze zich steeds herhalende procedure is typisch voor deze Ayuvisvangst.

Tenkara (テンカラ釣り) is in Japan de volksterm voor het traditionele vliegvissen. Letterlijk betekent het vissen uit de hemel, of uit de lucht. Het is één van de meest populaire vistechnieken in de bergrivieren van Japan. De uitrusting die je hiervoor nodig hebt, lijkt zeer goed op die bij de westerse tegenhanger. Als aas gebruikt men een Kebari. Dit is Japans voor een haak met pluimen, en lijkt goed op een westerse zachte kunstvlieg. De hengel werd oorspronkelijk vervaardigd uit bamboe, maar bestaat tegenwoordig meestal uit koolstofvezel, net als bij ons. Bamboe is in Japan zeer makkelijk beschikbaar en bovendien zeer licht van gewicht, waardoor ze hun hengel meters lang konden maken. Dit laatste vormt ook met het hedendaagse telescopische materiaal geen probleem. De vislijn bestond oorspronkelijk uit gevlochten paardenstaartvezels. Het enige echte verschil qua uitrusting met het westen ligt in het feit dat de Tenkaravissers geen oprolsysteem gebruiken voor hun vislijn. Ze gebruiken dan ook een korte vislijn, wat in combinatie met de zeer lange hengel veel efficiënter blijkt voor hun manier van vissen. En een efficiënte werkwijze is voor hen noodzakelijk, gezien ze dagelijks meer dan 50 vissen moeten vangen om te kunnen overleven. Het is bovendien een groot voordeel dat ze geen levend aas gebruiken. Zo hebben ze minder werk om telkens weer de haak goed in te stellen. De ‘vlieg’ schokt ritmisch op het stromende water, wachtend tot een forel of andere vis toehapt. Het Tenkaravissen ontstond in Japan minstens 200 jaar geleden. Beroepsvissers konden zo in de bergrivieren vlot de lokale vissen vangen : dit zijn voornamelijk de Yamame (山女魚), Iwana (岩魚) en Amago (雨魚、天魚).

Vissersboten

Tijdens de Edoperiode (江戸時代) was een typische vissersboot tussen de vier en tien meter lang, en ongeveer 1,5 m breed. Op de grootste boten konden er maximum een vijftiental vissers. Om met een net te vissen werden er verschillende grote boten ingezet. Het was belangrijk goed georganiseerd te zijn. Iedereen had zijn rol: de sterksten waren roeiers, degenen met goeie ogen zochten de vissen in het water, de meest ervaren visser hield toezicht, en de beste zwemmers moesten de vissen in de netten drijven.

Andere technieken

Ondertussen werken de grote visbedrijven uiteraard niet meer met zo’n kleine vissersbootjes of met hengels. Het zijn fabrieksschepen die nu de grote hoeveelheden vis binnenhalen, zowel in Japan als in de rest van de wereld. Het gaat om (enorm) grote zeeschepen met een uitgebreid aanbod aan werktuigen om vis mee te verwerken en in te vriezen.

Visverwerking

De gevangen vissen en andere zeedieren worden onbehandeld verhandeld, of worden eerst gedroogd, gerookt, gezouten of ingevroren. Sommige vissoorten worden ook gepekeld of verwerkt in/tot sauzen, patés, olies, vispasta’s, koekjes, meststof, zalf…

Organisatie

De visserij in Japan valt onder het Ministerie van Landbouw, Bosbouw en Visserij (農林水産省 Nōrin suisan shō). De huidige minister is Michihiko Kano. Binnen het ministerie is het Japanse Visserijagentschap (JVA) aangesteld. Het is ingedeeld in 4 afdelingen. Eén voor het plannen van het beleid en alle administratieve zaken hierrond; een tweede die zich bezig houdt met de verdere ontwikkeling van de visserij; een derde voor wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling; en tenslotte een afdeling die zich richt op de verwerking en distributie van vis.

De voornaamste taak van het JVA is het behoud en het beheer van de biologische rijkdommen en de productie-activiteiten. In praktijk worden deze taken echter gedelegeerd aan de prefecturen en de lokale Fisheries Cooperative Associations (FCA, gyokyo). De vissers ter plaatse runnen zelf deze vereniging, die zich vooral bezig houdt met de kustvisserij.

Hoewel de FCA enkele richtlijnen van de overheid krijgt, mag ze deze aanpassen. Zo regelen de vissers de dagdagelijkse zaken, en waar, wanneer en hoe er gevist mag worden, rekening houdend met de plaatselijke noden. Ze kunnen op deze manier veel meer rekening houden met het sociale en duurzame aspect van de visserij. Op sociaal vlak kunnen zo de oudere vissers als eersten toegang krijgen tot de vissoorten die het makkelijkst te vangen zijn. Daarnaast hebben de kustvissers veel kennis over de regio waarin ze vissen, en over de vissen in deze regio. Ze kunnen dus makkelijk hun technieken aanpassen om op een milieubewuste manier aan de slag te gaan.

Japan is niet het enige land dat dit lokale bestuurssysteem toepast. Toch is de Japanse aanpak uniek. Het is namelijk het enige land dat het systeem op de hele visserijsector toepast. Een voorname studie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling stelt dat dit “comanagement” systeem van betekenis zou kunnen zijn om de visserij te doen opbloeien. De onderzoekers voegen er echter wel aan toe dat er geen universele oplossingen zijn voor de bestuursproblemen in deze sector.

Naast de kustvisserij is er ook de offshore(ev. Voetnoot) en de verre visvangst. Hiervoor is er niet meteen een plaatselijk bestuur, omdat ze meer in zee en verder van de kust vissen. Er zijn dus geen nabijgelegen gemeenschappen die hiervan directe gevolgen ondervinden. Het is hoofdzakelijk het Ministerie van Landbouw, Bosbouw en Visserij dat hier de touwtjes in handen heeft. Voor de verre visvangst heeft het ministerie onder andere de vangstquota vastgelegd. Hierin zijn zeven vissoorten opgenomen, waaronder de Alaska koolvis, de sardien en de makreel. De offshore vissers moeten verder ook voldoen aan enkele internationale reglementen. Doordat deze groep vissers zoveel tonijn vangt, moet deze vis immers beschermd worden.

Elk van de drie types in de visserij zorgt op zijn manier voor een duurzame toekomst. Dit doen ze door rekening te houden met de drie belangrijkste factoren in de visvangst in Japan: de sociale, de economische en de milieu-factor.

Wetgeving

De visindustrie moet vanzelfsprekend enkele wetten gehoorzamen. De voornaamste hiervan is de Visserijwet, opgesteld in 1949 en gewijzigd in 1962, en gaat over verschillende vissersrechten en vergunningen. Ook de eigendomsrechten van elk stukje zee rond Japan is nauwkeurig vastgelegd. Meestal behoren die tot de dichtstbijzijnde dorpen. De Visserijwet legt ook officieel een centraal en enkele plaatselijke besturen vast om te zorgen dat alles op wieltjes loopt.

Tsukiji

De oorsprong van marketing in Japan is nauw verbonden met de visserij. Zo was de eerste markt een vismarkt.

De eerste Tokugawa shogun (徳川将軍), Tokugawa Ieyasu (徳川家康), had vissers uit Ōsaka (大阪) uitgenodigd en gaf hen het voorrecht om in Edo te vissen en zo het kasteel van vis te voorzien. Hun visvangst die niet naar het kasteel moest, verkochten ze aan de Nihonbashi-brug (日本橋). Op deze plaats kwam algauw een markt, “Uogashi” (魚河岸) gedoopt, om aan de groeiende vraag te kunnen voldoen. De vismarkten groeiden continu in populariteit, en er kwamen ook vlees-, bloemen- en groentenmarkten. Toen in 1923 een twintigtal privémarkten vernield werden door de Kantō-aardbeving (関東地震), besliste men in Tokyo een grote centrale markt te bouwen; en zo kwam de Tsukiji-vismarkt (築地市場) tot stand. Het is de grootste en meest bekende vismarkt ter wereld. Hoewel de meeste vis verkocht wordt aan handelaren d.m.v. veilingen, kan de gewone mens er ontelbaar veel soorten zeevruchten kopen, op elke mogelijke manier verwerkt. Er is zo’n groot aanbod dat het de bijnaam van “Tokyo’s voorraadkast” kreeg. Elke dag worden er duizende tonnen zeevruchten verhandeld met een totale waarde van meer dan 20 miljoen euro! Door de daling in de Japanse visserij wordt er (helaas) steeds meer buitenlandse vis verkocht.

Spiritualiteit/Bijgelovigheid

Zoals de rest van de Japanse bevolking waren (en zijn) vissers erg spiritueel. Voor ze de zee opgingen tijdens en na de Edoperiode brachten ze visoffers in de dorpstempels, en ze zongen en dansten om hun goden tevreden te stellen. Maar hun spiritualiteit loopt vaak uit in bijgelovigheid. Zo mochten een aantal schijnbaar willekeurige woorden (hert, walvis, forel, sardien, vos en beer) niet uitgesproken worden, uit angst dat dat iets slechts zou veroorzaken. Ook elk contact met zwangere vrouwen of nieuwe moeders moest vermeden worden. Vissers aten zelf geen eten dat op hetzelfde fornuis werd gemaakt als wat deze vrouwen hadden gegeten. De situatie is zo extreem dat de vrouwen afgezonderd werden, en dat iemand die contact met hen had gehad zeven dagen lang niet mocht vissen. Kennelijk waren zwangere of menstruerende vrouwen en moeders voor Japanners gevaarlijker dan de dood. Ze meenden dat het geluk bracht als ze het lijk van een verdronken visser konden recuperen. Dit was weliswaar alleen het geval als ze dit op de juiste manier deden, en voor de overledenen een begrafenis en een herdenking organiseren. Boeddhistische vissers hielden ook herdenkingen (kuyō)(供養) voor de vissen die door hun handen gestorven zijn, om hun dankbaarheid te tonen en om hen te helpen reïncarneren tot een hogere levensvorm. Walvissen kregen zelfs elk een gedenksteen.

Problemen in de Japanse visindustrie

Onder andere door de overbevissing en het broeikas daalt de hoeveelheid vis in de Japanse wateren. Dit heeft als gevolg dat ook de visvangst daalt; die daalt al sinds de jaren ‘80. Daartegenover wordt de visserij in andere landen steeds efficiënter. Dit heeft tot gevolg dat tegenwoordig bijna de helft van wat geconsumeerd wordt, geïmporteerd wordt. De lage prijs van buitenlandse vis zorgt op zijn buurt voor een verplichte daling van de prijs van inheemse vis. De regering spoort zijn inwoners aan om Japanse vis te eten, vooral de soorten die in het seizoen zijn. Maar toch daalt ook het inkomen van vissers, waardoor er steeds minder nieuwe werknemers zijn. Het gaat dus niet goed met de Japanse visindustrie.

Vergrijzing van de werknemers

In de Japanse visindustrie is er vergrijzing aan de gang. Vele huidige vissers worden oud; in 2000 was 45% ouder dan 60. Ook zijn er steeds minder nieuwe, jonge werknemers die zich aangetrokken voelen tot de visserij. Vissersdorpen beginnen zelfs leeg te lopen, en men denkt dat vele lokale verwerkingsbedrijfjes zullen sluiten wanneer de huidige oude vissers op pensioen gaan. Om een toestroom van werknemers toch zo veel mogelijk te proberen verzekeren, heeft de Japanse regering enkele maatregelen getroffen. Ten eerste werden er programma’s opgezet om studenten naar de visindustrie te lokken, bvb. door ze eens wat ervaring te laten opdoen. Verder organiseert men seminaries met de grote visbedrijven van het land. Tenslotte subsidieert de overheid training voor toekomstige werknemers.

Onenigheid met Rusland

Rond de Koerillen is er een waar vissersparadijs. De meeste populaire vissen zijn hier (voorlopig nog) in overvloed aanwezig. Eén derde van de Russische visvangst komt hiervandaan. Naar schatting is de totale visvangst van deze locatie jaarlijks meer dan een 1 miljard dollar waard.

Het is niet toegestaan aan Japan om nabij de Koerillen te vissen, maar er zijn een aantal vissersboten die desondanks toch proberen er hun slag te slaan. De Japanse visindustrie is zich immers bewust van deze vissers-hotspot. Vissersboten die hun kans gewaagd hebben, werden beschoten en anders beschadigd. Er zijn hierdoor ook al tientallen Japanse vissers in de Russische gevangenis terecht gekomen.

Brandstof

De stijgende prijzen van brandstof zijn eveneens een zware tegenvaller voor de visserij. Hoe verder vissersboten de zee in gaan, en hoe langer ze er blijven, hoe groter de gevolgen zijn. Vooral de tonijnvisserij is daardoor zwaar getroffen. In 2008 hadden groepen tonijnvissers van Japan, China en Zuid-Korea hun werk verschillende maanden opgeschort, omwille van te dure brandstof.

Echizen-kwallen

Ook uit onverwachte hoek is er een grote dreiging voor de visserij in Japan; er zwemmen zwerven echizen-kwallen voor de kust van Fukui, Shimane en Ishikawa. Deze reuzenkwallen kunnen wel 200 kg wegen, en een diameter van zo’n 2 m meten. Met hun giftige tentakels doden ze de vissen, of ontdoen ze hen van hun kleur. Als de vissen wit geworden zijn, zijn ze niets meer waard. Ook beschadigen de kwallen de vissersnetten door hun omvang. Als netten al niet scheuren, zitten ze zo vol van de grote kwallen, dat er bijna geen plaats meer is voor andere zeedieren. De grote hoeveelheden echizen-kwallen hebben vermoedelijk met de opwarming van de aarde te maken.

Zeebeving, tsunami en kernramp 2011

De zeebeving en de tsunami in Sendai van maart 2011 heeft zowel directe als indirecte gevolgen op de Japanse visindustrie gehad.

Het was onmiddellijk na de ramp al duidelijk dat de vissersdorpen in het noordoosten van Japan beschadigd waren. Sommige dorpen waren totaal vernield, anderen kwamen er minder erg vanaf. Een deel hiervan zal langzaamaan weer worden opgebouwd. Sommige vissers zien dat echter niet zitten, aangezien ze voor de tsunami al moeite hadden met de eindjes aan elkaar te knopen

Verder zijn talloze vissersboten nooit meer teruggezien; naar schatting 6000 boten. Ook viskwekerijen en de flora en fauna van de zee werden door de rampen zwaar beschadigd. Het zal nog jaren duren tegen dat men bepaalde zeedieren weer kunnen consumeren.

Tenslotte heeft ook de kernramp langdurige gevolgen veroorzaakt. De precieze impact van de radioactieve straling op het zeeleven is niet precies bekend, aangezien Japan er maar weinig informatie rond prijsgeeft. De Westerse consument zal echter nog vele jaren terecht achterdochtig zijn over de kwaliteit en de mogelijke gevaren van Japanse vis.

Literatuuropgave

  • SCHMIDT (C.C.). Fisheries and Japan: A case of multiple roles?. Parijs (OECD), 2003, 18 p.
  • HOWELL (D.L.). Capitalism from Within. Economy, Society, and the State in a Japanese Fishery. Berkeley, University of California Press, 1995, 246 p.
  • KALLAND (A.). Fishing Villages. In Tokugawa Japan. London, Curzon Press, 1995, 355 p.
  • Ministerie van Landbouw, Bosbouw en Visserij. Ministry of Agriculture, Forestry and Fisheries, in: Ministry of Agriculture. Forestry and Fisheries, geraadpleegd op 27.02.2012.
  • Honma, A. 1993. Aquaculture in Japan. Japan FAO Association, Tokyo, Japan, p10-65.
  • Makino, M. & Matsuda, H. 2005. Co-Management in a Japanese Coastal Fishery: Its Institutional Features and Transaction Costs. Marine Policy, 29, p. 441-450.
  • Bergin, Anthony. (1991) Japan's Distant Water Tuna Fisheries: Retrospect and Prospect. Hobart, Tasmania, Australia: Institute of Antarctic and Southern Ocean Studies, University of Tasmania.
  • Adrianto, L.,Yoshiaki, M., Yoshiaki, S. (1995). Assessing local sustainability of fisheries system: a multi-criteriea participatory approach with the case of Yoron Island, Kagoshima prefecture, Japan. Marine Policy, 29(1),19-23.
  • Sheehy, D. J. 1981. ArtifIcial reef programs in Japan and Taiwan. In D. Y. Aska (editor), ArtifIcial reefs: Conference proceedings, p. 185-198.