De Genkō-oorlog
Uit GeschiedenisJapan
De Genkō-oorlog of genkō no ran (元弘の乱) (1331-1333) is een burgeroorlog die in Japan heeft plaats gevonden en het einde betekende van het Kamakura-shogunaat.
Inhoud |
Belangrijke Partijen
De Hōjō-clan
De Hōjō-clan (北条氏) was een familie van regenten van het Kamakura-shogunaat. In feite waren zij het die de eigenlijke macht in handen hadden, en niet de Kamakura shoguns die meer een symbolische functie hadden. Voor de oprichting van het Kamakura bakufu was de macht hoofdzakelijk in handen van de regerende keizers en hun regenten, die werden aangesteld uit het hof en de aristocratische clans die er om wedijverden. In die tijd werden militaire zaken nog behandeld onder toezicht van de burgerlijke regering. Maar na de nederlaag van de Taira-clan op het einde van de Genpei (源平)-oorlogen, trekt Minamoto no Yoritomo de macht naar zich toe in 1185 en werd daardoor de heerser van het land. Dit legde de basis voor een militaire regering. In 1192 werd hij shogun (征夷大将軍) en onder hem wordt het militaire regeringssysteem gevormd dat we het bakufu noemen.
Na zijn dood weet Hōjō Tokimasa, leider van de Hōjō-clan en vader van de weduwe van Minamoto no Yoritomo, zich tot regent (shikken) van Yoritomo’s zoon te laten benoemen. Hij zal er voor zorgen dat deze regentfunctie altijd binnen de Hōjō-familie zal blijven. De Minamoto bleven dan wel de titel van shogun behouden, maar omdat de feitelijke macht bij de Hōjō lag, was de shogun in feite het schoothondje van de Hōjō, met zo goed als geen bevoegdheid. In 1221 tijdens het Jōkyū-incident probeerde keizer Go-Toba de macht van het shogunaat weg te werken. Deze poging mislukte echter en had zelfs tot gevolg dat de Hōjō-familie hun macht konden verstevigen. Hun macht was zelfs zo groot dat ze zelf konden kiezen wie de volgende shogun werd.
Keizer Go-Daigo
In 1318 besteeg Go-Daigo (後醍醐天皇 Go-Daigo Tennō, 1288-1339) op 29-jarige leeftijd de troon als 96ste keizer van Japan. Keizer Go-Daigo is altijd heel anti-bakufu geweest en al heel snel na zijn troonsbestijging begon hij te ijveren voor het omverwerpen van het bakufu regime en het herstellen van de keizerlijke macht. In 1324 kwamen voor het eerst zijn plannen om het Kamakura-shogunaat omver te werpen aan het licht. De Hōjō lieten de samenzweerders ombrengen, maar de keizer kon deze keer ontkomen aan enige sancties. In 1331 kwam er echter opnieuw een complot aan het licht, dit maal verraden door een vennoot Yoshida Sadafusa. Als reactie hierop verborg keizer Go-Daigo de 3 heilige keizerlijke schatten van Japan (een zwaard, een spiegel en een juweel) in een verstevigde tempel op de Kasagiyama, waar hij ook een leger oprichtte. Uiteindelijk viel de tempel voor het leger van het bakufu en keizer Go-Daigo werd verbannen naar het eiland Oki en het bakufu zette een nieuwe keizer op de troon. In 1333 kon keizer Go-Daigo echter ontsnappen van Oki door de hulp van Nawa Nagatoshi en zijn familie. Samen richtten ze een leger op aan de Funagami berg in de provincie Hōki. Het bakufu stuurde Ashikaga Takauji om het leger van keizer Go-Daigo op te zoeken en te elimineren, maar sloot zich uiteindelijk aan bij de keizer, nadat hij gezien had hoe groot het verzet was. Onmiddellijk daarop volgend zal het leger van Nitta Yoshisada oprukken naar Kamakura en de Hōjō-clan uitroeien, waarmee er een definitief einde komt aan het Kamakura-shogunaat. In 1339 sterft keizer Go-Daigo in Yoshino. Zijn ideaal was het Engi tijdperk (901-923) tijdens de regering van keizer Daigo, omdat dit een periode was waar de keizer het land nog direct regeerde. Normaal krijgt een keizer pas een erenaam na zijn dood, maar keizer Go-Daigo had tijdens zijn leven persoonlijk besloten om te delen in de erenaam van keizer Daigo.
Kusunoki Masashige
Kusunoki Masashige (楠木 正成, 1294-1336) was een samurai die samen met keizer Go-Daigo vocht om de macht van het Kamakura-shogunaat te doorbreken. Hij was een briljant tacticus en strateeg. Zijn sluwe verdediging van 2 belangrijke forten van de loyalisten (Akasaka en Chihaya) zorgde ervoor dat keizer Go-Daigo tijdelijk terug de macht heeft kunnen nemen. Maar één van de generaals van de loyalisten, Ashikaga Takauji, verraadde echter keizer Go-Daigo en leidde een leger tegen Kusunoki. Kusunoki stelde aan de keizer voor om toevlucht te zoeken naar de heilige Hiei berg en Takauji Kyoto in te laten nemen, zodat ze daarna van de berg zouden kunnen stormen en met de hulp van de monniken van Hiei, Takauji in de stad vastzetten en vernietigen. Go-Daigo wou echter de hoofdstad niet verlaten en beval Kusunoki om Takauji en zijn superieure troepen tegemoet te gaan. Kusunoki gehoorzaamde en accepteerde het dwaze bevel van de keizer. Dit zal later gezien worden als de ultieme daad van samurai loyaliteit. Hij liet een doodsgedicht achter bij zijn jonge zoon en leidde zijn troepen met volle bewustzijn de dood in. Het gevecht dat plaatsvond in Minatogawa was een ware ramp. Het leger van Kusunoki werd volledig omsingeld en samen met 600 overlevende soldaten pleegde hij zelfmoord. Volgens legende zouden zijn laatste woorden ‘Shichisei Hōkoku!’ (七生報國, Ik wou dat ik 7 levens voor mijn land kon geven) geweest zijn.
Later in de Edo-periode zullen geleerden en samurai de legende van Kusunoki creëren, gebaseerd op neo-confucianistische theorieën. Ze maakten van hem een patriottistische held en noemde hem nankō (楠公) of dai-nankō (大楠公) en was de belichaming van loyaliteit, dapperheid en toewijding aan de keizer. Kusunoki werd later een soort patroonheilige voor de kamikazes uit de tweede wereldoorlog, die zichzelf als zijn geestelijke opvolgers zagen in het opofferen van hun leven voor de keizer.
De Genkō-oorlog
De slag om Kasagi
Een van de eerste veldslagen die in 1331 zou plaatsvinden tijdens de Genkō-oorlog was de slag om Kasagi, waar het tot geweld kwam tussen keizer Go-Daigo en zijn aanhangers en het leger van het Kamakura shogunaat. Keizer Go-Daigo, die al lange tijd plannen had tegen het shogunaat en de Hōjō regenten, had de 3 heilige keizerlijke schatten van Japan verborgen in de Kasagi-dera, een verstevigde boeddhistische tempel op de Kasagiyama in de buurt van Kyoto. Dit als reactie op het verraad van vennoot, Yoshida Sadafusa. In deze tempel had keizer Go-Daigo in het geheim een leger opgericht. De tempel is op een nacht aangevallen door Hōjō-troepen onder leiding van Suyama Yoshitaka en Komiyama Jirō, die de tempel hadden omsingeld en in brand hadden gestoken. De keizer moest ontsnappen en vluchten en dus werd de slag bezegeld met een overwinning voor de Hōjō-troepen. Keizer Go-Daigo werd door de Hōjō verbannen naar het eiland Oki en vervangen door een nieuwe keizer, keizer Kōgon.
De slag om Akasaka
Een tweede belangrijke veldslag die in 1331 zou plaatsvinden tijdens de Genkō-oorlog was de slag om Akasaka. Shimo Akasaka-jō (下赤坂城, vroegere Akasaka fort) was een bergvestiging die in datzelfde jaar nog was gebouwd en werd gehouden door Kusunoki Masashige, generaal van de legers van keizer Go-Daigo. Dat jaar hadden de Hōjō-troepen meerdere malen geprobeerd om het fort in te nemen, maar met grote ingenieusheid was Kusunoki Masashige instaat het fort te verdedigen. Tot dat de Hōjō-troepen een keer de watertoevoer naar het fort blokkeerden, waarna ze het fort hebben kunnen inpalmen en neerhalen. Dit leidde tot een nieuwe overwinning voor de Hōjō-troepen. Later heeft Kusunoki Masashige een tweede Akasaka fort een eindje verderop gebouwd, het Kami Akasaka-jō (上赤坂城, latere Akasaka fort).
De slag om Chihaya
Een derde belangrijke veldslag die in 1333 zou plaatsvinden tijdens de Genkō-oorlog was de slag om Chihaya. Chihaya-jō (千早城, Chihaya fort) was in 1332 op de Kongō berg in de Kawachi provincie gebouwd. De verdediging van Kusunoki Masashige van dit fort werd een heel klassieke belegering in de Japanse geschiedenis. Dit door het feit dat zowel de keizerlijke troepen als de aanvallende troepen van de Hōjō beide een zeer hoog niveau van belegeringswapens vertoonden. Kusunoki had er voor gezorgd dat Chihaya tegen vele soorten aanvallen bestendigd was, wat wel nodig was aangezien de Hōjō gebruik maakten van verplaatsbare bruggen en vuur. Kusunoki gebruikte ook verscheidene strategieën zoals schijntroepen en verrassingsaanvallen. Dit zorgde ervoor dat Kusunoki Chihaya met succes heeft kunnen verdedigen, wat zijn nederlaag bij de slag van Akasaka van twee jaar eerder goedmaakte en een eerste overwinning voor de keizerlijke troepen tot gevolg had.
De slag om Kamakura
De beslissende veldslag van de Genkō-oorlog vond eveneens plaats in 1333. De troepen die trouw waren aan de keizer en geleid werden door Nitta Yoshisada vielen de hoofstad uit verschillende richtingen aan. De heuvels rond de shogunale hoofdstad Kamakura bevatten zeven passen die elk verschillende bewaakte controlepunten hadden. Nitta Yoshisada viel de stad aan vanuit het noorden, het oosten en het westen, waardoor hij zijn troepen in drie splitste. Maar na uren vechten hadden ze nog altijd maar weinig vooruitgang geboekt richting de stad, vooral langs de westelijke passen rond de Gokuraku-ji, die omgeven was door rijen van houten beschuttingen. Nitta Yoshida besefte dat ze Gokuraku-ji konden rondgaan, als ze de kaap zouden doorgaan waar de Inamuragasaki in het water uitmondt. Volgens kronieken zou Nitta Yoshida zijn zwaard in de zee gegooid hebben als offer voor de zonnegodin Amaterasu en de zee zou als bij mirakel weggeëbd zijn en een pad voor hun hebben vrijgemaakt. Hierdoor zijn de rebellentroepen toch in de stad binnengeraakt en hebben ze de Hōjō-troepen kunnen verslaan. De Hōjō zelf moesten zich uiteindelijk terugtrekken naar een grot achter de Tōshō-ji, waar ze zelfmoord pleegden. Met de Hōjō uit de weggeruimd kwam er een einde aan het Kamakura-shogunaat en kon keizer Go-Daigo de troon terug bestijgen.
Begin van een nieuw tijdperk
Na het verslaan van de Hōjō kon Go-Daigo terugkeren naar Kyoto en zou hij de troon terug overnemen van keizer Kōgon. Zo kon de Kemmu restoratie beginnen die schijnbaar een vernieuwing van het oude systeem was, maar eigenlijk wou keizer Go-Daigo een imperialistische dictatuur instellen zoals de keizer van China. Hij wou de Chinezen op alle gebied immiteren en de machtigste heerser van het Oosten worden. Ongeduldige hervormingen, problemen over landrechten en beloningen en het uitsluiten van de samurai van de politieke orde zorgde voor heel wat opschudding en zijn politieke orde begon in elkaar te storten. Ashikaga Takauji steunde de keizer niet langer en Go-Daigo gaf Nitta Yoshisada de opdracht om Ashikaga op te sporen en om te brengen. In de slag van Takenoshita versloeg Ashikaga echter Nitta Yoshisada. Kusunoki Masashige versloeg dan weer op zijn beurt het leger van Ashikaga, die genoodzaakt werd om naar Kyūshū te vluchten. Tegen het volgende jaar had Ashikaga Takauji echter een heel nieuw leger in Kyūshū opgericht en was aan het oprukken naar Kyoto. Kusunoki Masashige stelde aan de keizer een verzoening met Ashikaga voor, maar Go-Daigo weigerde resoluut. De keizer beval Kusunoki om Ashikaga en zijn leger te vernietigen, maar Kusunoki en zijn leger werden in de slag bij Minatogawa verslaan. De keizer moest vluchten uit Kyoto en nadat Ashikaga Takauji een nieuwe keizer had ingesteld, stelde hij zichzelf aan als nieuwe shogun en luidt het begin in van de Muromachi periode. Go-Daigo vluchtte naar Yoshino en stichtte daar de zuidelijke dynastie op, wat het begin was van de periode van de noordelijke en zuidelijke dynastie waarbij de noordelijke dynastie in Kyoto en de zuidelijke dynastie in Yoshino het tegen elkaar opnamen.
Bronnen
Boeken:
- Morton, W. Scott en Olenik, J. Kenneth. Japan: It’s history & culture. McGraw Hill Professional, 2004.
- The Cambridge History of Japan, Volume 3: Medieval Japan. Cambridge University Press, 1990.
Cursussen:
- Vande Walle, Willy. Geschiedenis van Japan voor 1868. K.U.Leuven, academiejaar 2006-2007.
Websites:

