De Eerste Wereldoorlog en Japan
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Leidraad
De beweging voor de vrijwaring van de grondwettelijke rechten mag men beschouwen als een prelude tot de zogenaamde Taishō-democratie. Het was een uitbarsting van wrevel en afkeer tegen de klieken (facties) en bureaucraten die al te lang de dienst uitgemaakt hadden. Voor het eerst in de moderne geschiedenis van Japan kwam de regering ten val door protest van het volk. Toch slaagde ook het door het volk gewenste Yamamoto-kabinet er niet in democratische vernieuwingen door te drukken. De Eerste Wereldoorlog stimuleerde de economie en bracht Japan ongekende welvaart. De roep om democratisering verloor daardoor haar voornaamste drijfveer. De monopolies konden ongehinderd kapitaal accumuleren. Om grondstoffen en afzetmarkten te vinden, richtte de Japanse expansie zich op het vasteland, m.n. op China en Siberië. De welvaart werd zeer ongelijk verdeeld. De arbeidslonen bleven zeer laag, terwijl de prijzen en de winsten verhoudingsgewijze enorm stegen. Ook nieuwe belastingen werden ingevoerd om de militaire inspanningen te financieren. Een nieuwe heffing op de rijst werd oorzaak van hevige rellen, die hardhandig werden neergeslagen.
Het Katsura-Saionji-tijdperk
Na het vierde Itō-kabinet werd Katsura Tarō , beschermeling van Yamagata Aritomo en net als die afkomstig uit Chōshū, eerste minister. Om beurt zouden hij en Saionji Kinmochi 西園寺金望 (1849-1940), de opvolger van Itō Hirobumi als voorzitter van de Rikken Seiyū-kai 立憲政友会, de kabinetten leiden en de politiek bepalen. De periode van de Russisch-Japanse oorlog tot de aanvang van de Taishō-periode wordt daarom wel eens naar deze twee premiers genoemd.
De kabinetten
In 1901 werd het eerste Katsura-kabinet gevormd, op basis van het transcendentalisme dat Yamagata Aritomo zo dierbaar was. Het kreeg overigens de bijnaam Klein-Yamagata-kabinet. Onder dit kabinet werd de Russisch-Japanse oorlog beslecht en kwam de tweede industriële golf op gang. Wegens de oorlogsuitgaven bleef de situatie van de regering erg precair.
In 1906 vormde Saionji zijn eerste kabinet dat moest optornen tegen de naoorlogse situatie. De problemen voor de schatkist bleven huizenhoog, aangezien er geen sprake was van uitbetaling van schadevergoeding door de Russen. Toch voerde hij een expansionistisch beleid dat de bewapening opvoerde, de nijverheid stimuleerde en de spoorwegen nationaliseerde. De verwachte vruchten van het beleid kwamen echter trager dan voorzien en het kabinet kwam ten val wegens te hoge staatsuitgaven. Katsura kreeg een nieuwe kans in 1908. Hij annexeerde Korea en breidde de Japanse invloed op het vasteland verder uit. Op binnenlands vlak voerde hij een stringent soberheidsbeleid. Door de economische crisis en het Incident van de Majesteitsschennis kwam zijn kabinet in de problemen. Een poging om meer ministers uit de Seiyū-kai te benoemen mislukte en ook hij moest aftreden wegens het falen van zijn financiële beleid.
In 1911 kon Saionji zijn tweede kabinet vormen. Om een einde te maken aan het tweeslachtig beleid van enerzijds besparingen en anderzijds verhoogde uitgaven dwong hij ook de militairen en de overheid hun uitgaven terug te schroeven. Het gewone volk stond volledig aan zijn kant, maar de militairen protesteerden hevig. Zij beweerden dat ze de situatie op het vasteland niet onder controle konden houden zonder de in het bewapeningsplan voorziene twee nieuwe divisies (zōshi mondai 増師問題). Saionji weigerde hen dit, waarop de militairen hun Minister van Oorlog Uehara Yūsaku 上原勇作 terugtrokken uit het kabinet, en weigerden een nieuwe Minister te benoemen. Door deze obstructie kwam het kabinet ten val in december 1912.
De politieke krachten tijdens deze periode
De voornaamste politici die de Meiji-restauratie in goede banen hadden geleid, bereikten stilaan een hoge leeftijd en trokken zich uit de actieve politiek terug. Wel bleven ze achter de schermen nog lange tijd het beleid en de benoeming van de premiers bepalen. Ze vormden een club van wijzen, de Genrō 元老 genoemd. Zij fungeerden als raadgevers van de Keizer. Het waren Itō Hirobumi, Yamagata Aritomo, Kuroda Kiyotaka, Inoue Kaoru, Matsukata Masayoshi, Ōyama Iwao en Saigō Tsugumichi. Later zouden ook Katsura Tarō en Saionji Kinmochi lid worden van dit selecte clubje. De Genrō bepaalden het binnen- en buitenlandse beleid en bepaalden wie Eerste Minister kon worden. De facties die zij rondom zich hadden gevormd, zorgden voor de uitvoering van hun plannen.
Ook de militairen en de grote ondernemers wonnen echter aan politieke macht. De militairen profiteerden van hun populariteit om als Minister van Oorlog steeds een militair in actieve dienst te laten benoemen. Aangezien ze onder het rechtstreekse bevel van de Keizer stonden, slaagden ze erin de verder schrijdende bewapening te laten financieren buiten de controle van het parlement om. In 1912 waren ze zo machtig dat ze het tweede Saionji-kabinet konden ten val brengen.
Door de versteviging van de positie van het zakenleven brachten enkele ondernemers het tot minister. In die functie konden ze hun eigen belangengroep steun en voordelen bezorgen.
De belangrijkste politieke partij was de door Itō Hirobumi gestichte Rikken Seiyū-kai 立憲政友会. Zij was de eerste Japanse partij met een landelijk draagvlak. Haar politieke macht werd ingeperkt door de Genrō, militairen en zakenlui. De invloed van de Kensei hontō 憲政本党 was veel kleiner omwille van de interne verdeeldheid (zie hoger). Deze partij trachtte door een naamsverandering, Rikken kokumin-tō 立憲国民党 een bredere aanhang te verwerven, maar vermits de oude ruzies bleven aanslepen, veranderde er niet veel.
De eerste beweging voor de vrijwaring van de grondwettelijke rechten
Vorming van het derde Katsura-kabinet
Na de val van het tweede Saionji-kabinet trad Katsura Tarō weer aan met de steun van de kliek van Chōshū. Katsura was toevallig naidaijin 内大臣, en wenste deze functie niet zomaar op te geven. Daar stond hij wel onder de Keizer, maar boven het parlement en de uitvoerende macht. Hij vroeg aan de Keizer een edict uit te vaardigen waardoor cumulatie van naidaijin met die van premier mogelijk zou worden. Door een tweede edict werd de zittende Minister van Marine in zijn functie bevestigd. Deze ongrondwettelijke handelingen waren de druppel die de emmer deed overlopen.
De Taishō-verschuiving
(Taishō seihen 大正政変) Het Katsura-kabinet, dat openlijk de traditionele facties, de kapitaalmonopolies en de militairen begunstigde, kreeg zeer veel tegenwind vanuit de publieke opinie. In december 1912 werd in Tōkyō de Kensei yōgo-kai 憲政擁護会 (Vereniging voor de verdediging van het grondwettelijke bestuur) opgericht. Zij ontketende een landelijke protestbeweging tegen het gebrek aan democratisch bestuur. De politieke macht was in handen van de gevestigde politieke klieken en van machtige bureaucraten, twee groepen die niet echt, of slechts heel onrechtstreeks verantwoording aan het parlement dienden af te leggen. De beweging werd geleid door Ozaki Yukio 尾崎行雄 (1859-1954) van de Rikken Seiyū-kai en Inukai Tsuyoshi 犬養毅 (1855-1932) van de Rikken Kokumin-tō. De beweging noemt men de eerste constitutionele beweging (Daiichiji goken undō 第一護憲運動). Voor het eerst in de Japanse geschiedenis werd het partijbelang boven het staatsbelang gesteld. De Rikken Seiyū-kai sloot zich aan bij de massale protestbeweging, ondanks de eis van voorzitter Saionji om de regering te blijven steunen. Om de oppositie te verdelen kondigde Katsura de oprichting aan van een nieuwe ``constitutionele partij, de Rikken dōshi-kai 立憲同志会, terwijl hij anderzijds het plan opvatte zijn uitvoerende macht trachten te behouden door het parlement te ontbinden. Het volk kwam massaal betogen voor het Keizerlijk Parlement, waar Katsura in plenaire zitting zijn plan wou doorvoeren. Er brak geweld uit en na amper 53 dagen kwam het Katsura-kabinet ten val. Dit noemt men de Taishō-omwenteling (Taishō seihen 大正政変).
Bureaucratie en klieken blijven kabinetten beheersen
Yamamoto Gonbei 山本権兵衛, een admiraal uit Satsuma, vormde met de steun van de Rikken Seiyū-kai een nieuw kabinet. Het volk noemde de partijleiders verraders en een groot deel van haar leden liep over naar een nieuwe partij, de Seiyū kurabu 政友倶楽部, opgericht in 1913. Door de omstandigheden kon Yamamoto geen al te hard beleid voeren. Toch wist hij een aantal administratieve hervormingen door te voeren. Deze maatregelen remden de opgang van de afgescheurde partij, tot in 1914 het Siemens-schandaal uitlekte, een geval van corruptie onder de hoge militairen. Opnieuw werden er marsen op het parlement uitgevoerd, zodat Yamamoto moest aftreden. De Genrō trachtten een stabielere regering op de been te helpen onder de leiding van een van hun eigen mensen. Dit werd de zesenzeventigjarige Ōkuma Shigenobu (zie hoger), die Eerste Minister werd op het ogenblik dat de Eerste Wereldoorlog op uitbreken stond.
De rol van Japan in de Eerste Wereldoorlog
Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog
Op het einde van de negentiende eeuw waren de Westerse mogendheden in een hevige concurrentieslag om invloed en kolonies gewikkeld. Bondgenootschappen en allianties speelden een belangrijke strategische rol. Op initiatief van Bismarck sloten Duitsland, Oostenrijk en Italië de Triple Alliantie (Jap.: Sankoku dōmei 三国同盟). Als reactie hiertegen ontstond de Frans-Russische Entente. Groot-Brittannië, dat de Duitse macht wou fnuiken sloot in 1904 een Entente-verdrag met Frankrijk en na de Russische nederlaag tegen Japan, sloot het, met de bedoeling zijn Aziatische belangen te vrijwaren, een gelijkaardig verdrag met Rusland. Zo werd de Triple Entente (Jap.: Sankoku Kyōshō 三国協商) tussen Rusland, Frankrijk en Groot-Brittannië een feit.
Een sterk opkomend nationalisme bij de kleinere volkeren in Oost-Europa en de Balkan, speelde een belangrijke rol in de complexe relatie tussen de Europese grootmachten. Duitsland trachtte de Balkanstaatjes in zijn invloedssfeer te krijgen, uitgaande van een Pan-Germaanse ideologie. Het kwam in botsing met Rusland, dat een Pan-Slavisme huldigde en verwoed op zoek was naar ijsvrije havens in het zuiden. De moord op de Oostenrijkse Kroonprins te Sarajevo in 1914 was de lont in het kruitvat. Italië, nochtans lid van de Triple Alliantie, verklaarde zich eerst neutraal, maar liep later over naar de Triple Entente (Engeland, Rusland, enz.). Turkije en Bulgarije sloten zich bij de Triple Alliantie aan.
Japanse oorlogsdeelname
Engeland verzocht Japan, op basis van de Brits-Japanse Alliantie, om zijn vloot in Aziatische wateren te willen beschermen tegen Duitse aanvallen. In naam van Japan aanvaardde de Minister van Buitenlandse Zaken deze opdracht, minder uit trouw aan het verdrag dan uit opportunisme. Japan kreeg een prachtig excuus voor interventie op verscheidene plaatsen in Azië. Een bijkomende reden voor de Genrō om de vraag in te willigen was dat ze hoopten op die manier de bekoelde relaties met de V.S. en Engeland wat op te kunnen warmen.
Het lijdt geen twijfel dat zowel de Genrō als de Engelsen schrokken toen Japanse legers, ``om de Britten te beschermen, de Duitsers onder druk zetten om de baai van Jiaozhou 膠州 in Shandong 山東 te ontruimen. Toen de Duitsers dit weigerden, vielen de Japanners in september 1914 Shandong binnen. In de Stille Zuidzee veroverden de Japanners de onder Duits bestuur staande Carolinen-eilanden, Mariana-eilanden en de Marshall-eilanden. In 1915 detacheerden ze een deel van hun oorlogsvloot om de ravitailleringslijnen van de geallieerden te beschermen.
De 21 Eisen aan China
Japan verklaarde dat, indien de Duitsers hun basissen en bezittingen in Shandong zonder voorwaarde zouden opgeven, het deze bezittingen aan China zou teruggeven. Japan knoopte aan de teruggave wel een aantal voorwaarden vast, de zogenaamde 21 Eisen aan China. De bedoeling was de Japanse positie in China in één klap gevoelig te versterken. Ondanks de schijn van het tegendeel was Japans positie in het noorden van China verre van verzekerd. De pacht in de Guandong-provincie liep ten einde in 1923. Japan wilde die verlengen en uitbreiden.
In 1911 had Sun Yat Sen de geslaagde Xinhai (Shingai 辛亥)-revolutie op gang gebracht tegen de corruptie en onmacht van de Qing-dynastie en tegen het imperialisme van de grootmachten. In 1912 werd de Republiek afgekondigd met Yuan Shikai als eerste president. De Japanse Genrō vonden dit een gevaarlijke evolutie, een mogelijk slecht voorbeeld voor hun eigen monarchistisch model en een bedreiging voor hun belangen in Mongolië. Japan steunde bijgevolg Mongoolse onafhankelijkheidsbewegingen en lokte opstanden uit. De Republiek was stevig genoeg om dit te overleven. Vervolgens sloot Japan een geheim verdrag met Rusland om Mongolië te verdelen. In 1913 brak een nieuwe strijd uit in China, vooral onder impuls van de Guomindang 国民党 (Jap.: Kokumintō). In één van de relletjes werd in Nanjing 南京 een Japanner gedood. De Japanse militairen maakten volop gebruik van dit incident in hun propaganda en bezetten met de goedkeuring van het Japanse volk in 1914 de streek van Qingdao. Ze verwierven ook de controle over de Shandong-spoorlijn. De Chinese bevolking werd zich echter steeds meer van zijn recht op soevereiniteit bewust en eiste dat Japan zich zou terugtrekken. Hierop formuleerde Japan zijn 21 Eisen.
De eisen werden in januari 1915 voorgelegd aan China en op 25 mei 1915 aanvaard. Het eisenpakket viel in vijf categorieën uiteen:
- Overdracht van de Duitse rechten in Shandong aan Japan.
- Erkenning van de bijzondere belangen van Japan in Mantsjoerije en Binnen- Mongolië, een 99-jarige verlenging van het pachtverdrag met betrekking tot Dalian en Port Arthur (Lüshun), alsook de Zuid-Mantsjoerije-spoorweg.
- Japanse inspraak in het beheer van China's enige zware nijverheid, het Han-ye-ping 漢冶萍-concern, een soort staatsholding.
- De toezegging geen kustplaatsen aan derde mogendheden te zullen afstaan.
- Aanstelling van Japanse adviseurs in diverse sectoren van het openbare leven: bestuur, politie en leger, economie.
China verzette zich hevig en na een diplomatieke tussenkomst van Amerika, dat nog niet in de Eerste Wereldoorlog betrokken was en een Open Deur-politiek propageerde, liet Japan de vijfde categorie eisen vallen. Een ultimatum dwong China de andere eisen te slikken. Later werd 9 mei, de dag van de officiële bekendmaking van het ultimatum uitgeroepen tot dag van nationale schande in China. Op de conferentie van Washington (1921-22) trok Japan nog een aantal van deze eisen weer in.
De relaties tussen China en Japan verslechterden en er ontstonden anti-Japanse groeperingen in China. Tevens groeide het wantrouwen van de grote mogendheden tegenover Japan. Om zijn goede trouw te bevestigen, tekende Japan de Ishii-Lansing Overeenkomst (1917). Ishii was een topdiplomaat, die als speciaal gezant naar de VS werd gestuurd om met Staatssecretaris Lansing over het Chinese probleem te onderhandelen en een gemeenschappelijke verklaring af te leggen. De belangrijkste punten van hun overeenkomst waren :
- Erkenning van Japans ``natuurlijke rechten in Chinese gebieden ``dicht bij Japan.
- Erkenning van de Chinese soevereiniteit en de belofte het land niet binnen te vallen.
- Nastreven van een Open Deur-politiek in China en het erkennen van het recht op handel voor iedereen.
De Nishihara-lening
Na de revolutie van 1911 werd Yuan Shikai president van China. Hij trof voorbereidselen om zichzelf tot Keizer uit te roepen. De aanvaarding van de 21 Eisen deed hem enorm gezichtsverlies lijden, zodat hij van zijn ambitie afzag. In 1916 overleed hij en ontstond er een machtsvacuüm. Provinciale militaire machthebbers bestreden elkaar in steeds wisselende coalities. In de periode van 1916 tot 1926 heersten de krijgsheren (warlords) over China. De nationale regering bleef bestaan, beheerst door telkens andere militaire groepen, maar ze had slechts nominaal gezag. Het kabinet Terauchi nam een houding van strikt non-interventionisme aan, maar stelde later de nodige fondsen ter beschikking van de Chinese regering om aan de oorlog deel te kunnen nemen. Omdat de persoonlijke raadgever van Terauchi, Nishihara Kamezō 西原亀三, de onderhandelingen voerde, noemt men dit de Nishihara-lening. De lening was ongedekt en werd nooit gerecupereerd.
Sino-Japans Pact tegen gemeenschappelijke vijanden
Het aansporen tot oorlogsdeelname stelde Japan in de gelegenheid om zijn invloed in het Chinese leger te versterken. Beide landen sloten een pact dat tot het einde van de oorlog van kracht bleef en dat de facto het Chinese leger onder Japans bevel plaatste. De publieke bekendmaking van deze overeenkomst stuitte op groot verzet bij de bevolking. Het was een van de factoren die tot de 4 Mei-beweging zouden bijdragen.
De Siberische invasie
Tsaristisch Rusland was, o.a. door de Eerste Wereldoorlog, in economische moeilijkheden geraakt. In 1917 brak er tot tweemaal toe een revolutie uit. Tijdens deze tweede poging slaagde Lenin erin de Sovjet-Unie te stichten. Zijn regering sloot vrede met Duitsland zodat Rusland voortaan buiten de oorlog kon blijven. De andere grootmachten, die een socialistisch staatsmodel vreesden, gebruikten de bevrijding van het Tsjechoslovaakse leger, dat in Rusland vastzat, als een voorwendsel om de strijd tegen het nieuwe regime aan te binden. In 1918 stuurde ook Japan enkele divisies naar Siberië, om een anti-revolutionaire marionettenstaat op te richten. Na hevige strijd tegen het Rode Leger werd het een totale mislukking. De andere mogendheden trokken hun troepen terug tegen juni 1920, maar Japan bleef pogingen ondernemen om een anti-revolutionair bewind in Siberië te vestigen. Het verzet van het Rode Leger bleef zeer sterk. In Japan zelf kwam een protestbeweging op gang en ook omwille van de buitenlandse druk werden de Japanse troepen teruggetrokken in oktober 1922, onder het kabinet van Katō Tomosaburō. Het avontuur had meer dan 3.000 Japanse levens geëist, meer dan een miljard yen gekost, en niets opgeleverd.
Grote economische bloei en rijstrellen
Industriële opbloei
Ongeveer een jaar na het uitbreken van de oorlog in Europa, zat de Japanse export duidelijk in de lift. Samen met de V.S. profiteerde de Japanse economie enorm van de vraag naar goederen in de oorlogvoerende landen. Omdat bovendien de Europese economie was overgeschakeld van export- naar oorlogsproductie konden de Japanse producten de Europese vervangen op de Aziatische markten. Het stilvallen van de export van machines en afgewerkte producten uit Europa naar Japan betekende dan weer een sterke impuls om deze zelf te gaan produceren.
Vooral de groei van de textielnijverheid was opvallend. Tijdens de oorlogsjaren verdubbelde de produktiecapaciteit en Japan monopoliseerde de Aziatische markten. Ook de zijde-export naar de V.S. nam sterk toe, zodat de welvaart op het platteland steeg. Afgesneden van de buitenlandse leveranciers van scheikundige producten, voornamelijk Duitsland, ontwikkelde zich in Japan een bloeiende scheikundige nijverheid. Door de grote vraag naar schepen, bloeide ook de zware staalnijverheid en de scheepsbouw op. De opbrengst van het maritiem transport verdrievoudigde en op korte tijd kon Japan opklimmen tot de derde plaats in de wereld voor het vervoer over zee.
Zaibatsu domineren de industrie
De enorme economische groei bracht vooral voordeel aan een kleine groep van grootindustriëlen. Dank zij de oorlog breidden de zaibatsu hun controle uit over de meest uiteenlopende sectoren. Ze bezondigden zich aan kartelvorming en kochten K.M.O.'s op. Drie grote concerns Mitsui, Mitsubishi en Sumitomo konden via 5 grote banken die zij controleerden: Mitsui, Mitsubishi, Sumitomo, Yasuda en Daiichi het leeuwendeel van de oorlogswinsten binnenrijven. Deze winsten stelden hen in staat hun wil op te leggen aan de industrie in Japan en te investeren in China en Mantsjoerije. De rol van de zaibatsu is omstreden. Zonder te stellen dat zij voorstanders waren van militaire expansie is het toch duidelijk dat zij de economische voordelen van die expansie niet links lieten liggen. Bovendien voerden ze een personeelsbeleid dat allerminst van sociaal bewustzijn getuigde. Ze verzuimden hun werknemers via loonsverhoging in de winst te laten delen, meer zelfs verzetten ze zich tegen eisen in die richting en werden daarin gesteund door de politieke en militaire overheid. Dit resulteerde in een ``dualistische economie, waarbij een moderne nijverheid opbloeide op de rug van een traditionele. Als grootste werkgever bepaalde de traditionele nijverheid de norm voor lonen, arbeidsomstandigheden enz., en omdat de winsten daar veel kleiner waren was er ook maar weinig ruimte voor loonsverhoging en betere werkomstandigheden. De zaibatsu schikten zich maar al te graag naar de normen van de traditionele nijverheid. De grote winsten die zij wel maakten hoefde zij zo niet om te zetten in hogere lonen.
De rijstrellen
Door de oorlog, de groei van de zaibatsu en de oorlogsuitgaven van het leger floreerde de economie, maar de modale burger zag weinig van die grotere welvaart. Prijsstijgingen waren legio en de sociale onvrede groeide. Dit leidde tot ernstige arbeidsdisputen. Toen de plannen voor de invasie van Siberië gestalte begonnen te krijgen, kochten rijsthandelaren grote hoeveelheden rijst op en manipuleerden de prijs, die verdubbelde tussen juli en september. Opstanden braken uit in Hozu (prefectuur Toyama), waar vissersvrouwen de lokale rijstvoorraad plunderden. De pers gaf ruchtbaarheid aan deze wanhoopsdaad en in 32 prefecturen braken er nu opstanden uit. Het geweld sloeg over op de steden Tōkyō en Ōsaka en hield aan tijdens de maanden augustus en september 1918. Zowel de boerenbevolking als de stadsarbeiders eisten prijsverlagingen en overvielen opslagplaatsen. De regering trad eerst hardhandig op. Een strikte perscensuur op de berichtgeving over de opstanden werd opgelegd en politie en leger grepen op bloedige wijze in. Terauchi moest ontslag nemen. De nieuwe regering gelastte prijsverlagingen en importeerde zelf rijst uit Korea.
Betekenis van de rijstrellen
Deze opstanden zijn belangrijk omdat ze de kloof aangeven tussen de bloei van de industrie en de benarde sociale toestanden. Zij waren de rechtstreekse aanleiding tot de val van het Terauchi-kabinet en de vorming van het Hara-kabinet. De opstanden maakten duidelijk dat de kracht van massabewegingen niet te onderschatten was, en lagen daardoor aan de basis van het ontstaan van politiek actieve sociale bewegingen.

