De Eerste Wereldoorlog en Japan

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

Toen in juli 1912 keizer Meiji overleed en door zijn zoon, keizer Taishō opgevolgd werd, stond Japan aan de vooravond van een nieuw tijdperk. Dat kan ook gezegd worden over Europa, waar de belle époque twee jaar later voorgoed zou verdwijnen in slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. Voor de met een crisis kampende Japanse economie was deze oorlog een zegen, al versterkte hij de tendens tot de vorming van kapitaalmonopolies (dokusen shihon 独占資本). Ook de neiging tot imperialisme werd meer uitgesproken, met als voorlopig hoogtepunt: de 21 Eisen aan China. De economische expansie stond in contrast met de toestand van het onder prijsstijgingen en inflatie gebukt gaande volk. Na de oorlog beleefde Japan een massale politieke bewustwording, een afspiegeling van de internationale tendens tot democratisering en een reactie van de arbeiders tegen de sociale onverschilligheid van de kapitaalmonopolies. Door de verhoogde bewustwording werden ook in Japan de politiek partijen ernstige gesprekspartners in de politieke besluitvorming.

Japan in de eerste wereldoorlog

De Beweging voor de Vrijwaring van de Grondwettelijke Rechten mag men beschouwen als een prelude tot de zogenaamde Taishō-democratie. Het was een uitbarsting van wrevel en afkeer tegen de klieken (facties) en bureaucraten die al te lang de dienst uitgemaakt hadden. Voor het eerst in de moderne geschiedenis van Japan kwam de regering ten val door protest van het volk. Toch slaagde ook het door het volk gewenste kabinet-Yamamoto er niet in democratische vernieuwingen door te drukken. De Eerste Wereldoorlog stimuleerde de economie en bracht Japan ongekende welvaart. De roep om democratisering verloor daardoor haar voornaamste drijfveer. De monopolies konden ongehinderd kapitaal accumuleren. Om grondstoffen en afzetmarkten te vinden, richtte de Japanse expansie zich op het vasteland, met name op China en Siberië. De welvaart werd zeer ongelijk verdeeld. De arbeidslonen bleven zeer laag, terwijl de prijzen en de winsten verhoudingsgewijze enorm stegen. Ook werden er nieuwe belastingen ingevoerd om de militaire inspanningen te financieren. Een nieuwe heffing op de rijst werd oorzaak van hevige rellen, die hardhandig werden neergeslagen.

Het Katsura-Saionji-tijdperk

Na het vierde Itō-kabinet werd Katsura Tarō , beschermeling van Yamagata Aritomo en net als hij afkomstig uit Chōshū, eerste minister. Om beurt zouden hij en Saionji Kinmochi 西園寺金望 (1849-1940), de opvolger van Itō Hirobumi als voorzitter van de Rikken Seiyū-kai 立憲政友会, de kabinetten leidden en het politiek milieu bepalen. De periode van de Russisch-Japanse oorlog tot de aanvang van de Taishō-periode wordt daarom wel eens naar deze twee premiers genoemd.

De kabinetten

In 1901 werd het eerste kabinet-Katsura gevormd, op basis van het transcendentalisme dat Yamagata Aritomo zo dierbaar was. Het kreeg overigens de bijnaam "Klein-kabinet-Yamagata". Onder dit kabinet werd de Russisch-Japanse oorlog beslecht en kwam de tweede industriële golf op gang. Wegens de oorlogsuitgaven bleef de situatie van de regering erg precair. In 1906 vormde Saionji zijn eerste kabinet, dat moest optornen tegen de naoorlogse situatie. De problemen voor de schatkist bleven huizenhoog, aangezien er geen sprake was van uitbetaling van schadevergoeding door de Russen. Toch voerde hij een expansionistisch beleid dat de bewapening opvoerde, de nijverheid stimuleerde en de spoorwegen nationaliseerde. De verwachte vruchten van het beleid kwamen echter trager dan gepland en het kabinet kwam ten val wegens te hoge staatsuitgaven. Katsura kreeg een nieuwe kans in 1908. Hij annexeerde Korea en breidde de Japanse invloed op het vasteland verder uit. Op binnenlands vlak voerde hij een stringent soberheidsbeleid. Door de economische crisis en het Hoogverraad-Incident kwam zijn kabinet in de problemen. Een poging om meer ministers uit de Seiyū-kai te benoemen mislukte en ook hij moest aftreden wegens het falen van zijn financiële beleid. In 1911 kon Saionji zijn tweede kabinet vormen. Om een einde te maken aan het tweeslachtige beleid van enerzijds besparingen en anderzijds verhoogde uitgaven, dwong hij ook de militairen en de overheid hun uitgaven terug te schroeven. Het gewone volk stond volledig aan zijn kant, maar de militairen protesteerden hevig. Zij beweerden dat ze de situatie op het vasteland niet onder controle konden houden zonder de in het bewapeningsplan vastgestelde twee nieuwe divisies (zōshi mondai 増師問題). Saionji weigerde dit, waarop de militairen hun minister van Oorlog Uehara Yūsaku 上原勇作 terugtrokken uit het kabinet en weigerden een nieuwe minister te benoemen. Door deze obstructie kwam het kabinet ten val in december 1912.

De politieke krachten tijdens deze periode

De voornaamste politici die de Meiji-restauratie in goede banen hadden geleid, bereikten stilaan een hoge leeftijd en trokken zich uit de actieve politiek terug. Wel bleven ze achter de schermen nog lange tijd het beleid en de benoeming van de premiers bepalen. Ze vormden een club van wijzen, de genrō 元老 genoemd. Zij fungeerden als raadgevers van de keizer. Het waren Itō Hirobumi, Yamagata Aritomo, Kuroda Kiyotaka, Inoue Kaoru, Matsukata Masayoshi, Ōyama Iwao en Saigō Tsugumichi. Later zouden ook Katsura Tarō en Saionji Kinmochi lid worden van dit selecte clubje. De genrō bepaalden het binnen- en buitenlandse beleid en bepaalden wie eerste minister kon worden. De facties die zij rondom zich hadden gevormd, zorgden voor de uitvoering van hun plannen. Ook de militairen en de grote ondernemers wonnen echter aan politieke macht. De militairen profiteerden van hun populariteit om als minister van Oorlog steeds een militair in actieve dienst te laten benoemen. Aangezien ze onder het rechtstreekse bevel van de keizer stonden, slaagden ze erin de verder schrijdende bewapening te laten financieren buiten de controle van het parlement om. In 1912 waren ze zo machtig dat ze het tweede kabinet-Saionji ten val konden brengen. Door de versteviging van de positie van het zakenleven brachten enkele ondernemers het tot minister. In die functie konden ze hun eigen belangengroep steun en voordelen bezorgen. De belangrijkste politieke partij was de door Itō Hirobumi gestichte (Rikken) Seiyū-kai (立憲)政友会. Zij was de eerste Japanse partij met een landelijk draagvlak. Haar politieke macht werd ingeperkt door de genrō, militairen en zakenlui. De invloed van de Kensei hontō 憲政本党 was veel kleiner omwille van de interne verdeeldheid (zie hoger). Deze partij trachtte door een naamsverandering, Rikken kokumin-tō 立憲国民党, een bredere aanhang te verwerven, maar vermits de oude ruzies bleven aanslepen, veranderde er niet veel.

De eerste Beweging voor de Vrijwaring van de Grondwettelijke Rechten

Vorming van het derde Katsura-kabinet

Na de val van het tweede kabinet-Saionji trad Katsura Tarō weer aan met de steun van de kliek van Chōshū. Katsura was toevallig naidaijin 内大臣, en wenste deze functie niet zomaar op te geven. Op die post stond hij wel onder de keizer, maar boven het parlement en de uitvoerende macht. Hij vroeg de keizer een edict uit te vaardigen om cumulatie van naidaijin met die van premier mogelijk te maken. Door een tweede edict werd de zittende minister van Marine in zijn functie bevestigd. Deze ongrondwettelijke handelingen waren de druppel die de emmer deed overlopen.

De Taishō-omwenteling (Taishō seihen 大正政変)

Het kabinet-Katsura, dat openlijk de traditionele facties, de kapitaalmonopolies en de militairen begunstigde, kreeg zeer veel tegenwind vanuit de publieke opinie. In december 1912 werd in Tōkyō de Kensei Yōgo-kai 憲政擁護会 (Vereniging voor de Verdediging van het Grondwettelijke Bestuur) opgericht. Zij ontketende een landelijke protestbeweging tegen het gebrek aan democratisch bestuur. De politieke macht was in handen van de gevestigde politieke klieken en van machtige bureaucraten, twee groepen die niet echt of slechts heel onrechtstreeks verantwoording aan het parlement dienden af te leggen. De beweging werd geleid door Ozaki Yukio 尾崎行雄 (1859-1954) van de Rikken Seiyū-kai en Inukai Tsuyoshi 犬養毅 (1855-1932) van de Rikken Kokumin-tō. De beweging noemt men de Eerste Constitutionele Beweging (Daiichiji goken undō 第一護憲運動). Voor het eerst in de Japanse geschiedenis werd het partijbelang boven het staatsbelang gesteld. De Rikken Seiyū-kai sloot zich aan bij de massale protestbeweging, ondanks de eis van voorzitter Saionji om de regering te blijven steunen. Om de oppositie te verdelen, kondigde Katsura de oprichting van een nieuwe constitutionele partij aan, de Rikken Dōshi-kai 立憲同志会, terwijl hij anderzijds het plan opvatte te proberen zijn uitvoerende macht te behouden door het parlement te ontbinden. Het volk kwam massaal betogen voor het Keizerlijk Parlement, waar Katsura in plenaire zitting zijn plan wou doorvoeren. Er brak geweld uit en na amper 53 dagen kwam het Katsura-kabinet ten val. Dit noemt men de Taishō-omwenteling (Taishō seihen 大正政変).

Bureaucratie en klieken blijven kabinetten beheersen

Yamamoto Gonnohyōe 山本権兵衛, een admiraal uit Satsuma, vormde met de steun van de Rikken Seiyū-kai een nieuw kabinet. Het volk noemde de partijleiders verraders en een groot deel van haar leden liep over naar een nieuwe partij, de Seiyū kurabu 政友倶楽部, opgericht in 1913. Door de omstandigheden kon Yamamoto geen al te hard beleid voeren. Toch wist hij een aantal administratieve hervormingen door te voeren. Deze maatregelen remden de opgang van de afgescheurde partij, tot in 1914 het Siemensschandaal uitlekte, een geval van corruptie onder de hoge militairen. Opnieuw werden er marsen op het parlement gehouden, zodat Yamamoto moest aftreden. De genrō trachtten een stabielere regering op de been te helpen onder de leiding van een van hun eigen mensen. Dit werd de zesenzeventigjarige Ōkuma Shigenobu (zie hoger), die eerste minister werd op het ogenblik dat de Eerste Wereldoorlog op uitbreken stond.


De rol van Japan in de Eerste Wereldoorlog

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog

Op het einde van de negentiende eeuw waren de westerse mogendheden in een hevige concurrentieslag om invloed en kolonies gewikkeld. Bondgenootschappen en allianties speelden een belangrijke strategische rol. Op initiatief van Bismarck sloten Duitsland, Oostenrijk en Italië de Triple Alliantie (Japans: Sangoku dōmei 三国同盟). Als reactie hiertegen ontstond de Frans-Russische Entente. Groot-Brittannië, dat de Duitse macht wou fnuiken, sloot in 1904 een entente-verdrag met Frankrijk en na de Russische nederlaag tegen Japan sloot het, met de bedoeling zijn Aziatische belangen te vrijwaren, een gelijkaardig verdrag met Rusland. Zo werd de Triple Entente (Japans: Sangoku Kyōshō 三国協商) tussen Rusland, Frankrijk en Groot-Brittannië een feit. Een sterk opkomend nationalisme bij de kleinere volkeren in Oost-Europa en de Balkan speelde een belangrijke rol in de complexe relatie tussen de Europese grootmachten. Duitsland trachtte de Balkanstaatjes in zijn invloedssfeer te krijgen, uitgaande van een pangermaanse ideologie. Het kwam in botsing met Rusland, dat een panslavisme huldigde en verwoed op zoek was naar ijsvrije havens in het zuiden. De moord op de Oostenrijkse troonopvolger te Sarajevo op 28 juni 1914 was de lont in het kruitvat. Italië, nochtans lid van de Triple Alliantie, verklaarde zich eerst neutraal, maar liep later over naar de Triple Entente (Engeland, Rusland, en Frankrijk). Turkije en Bulgarije sloten zich bij de Triple Alliantie aan.

De Brits-Japanse Alliantie treedt in werking

Engeland verzocht Japan, op basis van de Brits-Japanse Alliantie, om zijn vloot in Aziatische wateren te beschermen tegen Duitse aanvallen. In naam van Japan aanvaardde de minister van Buitenlandse Zaken deze opdracht, minder uit trouw aan het verdrag dan uit opportunisme. Japan kreeg een prachtig excuus voor interventie op verscheidene plaatsen in Azië. Een bijkomende reden voor de genrō om de vraag in te willigen, was dat ze hoopten op die manier de bekoelde relaties met de Verenigde Staten en Engeland wat op te kunnen warmen. Het lijdt geen twijfel dat zowel de genrō als de Engelsen schrokken toen Japanse legers, om de Britten te beschermen, de Duitsers onder druk zetten om de baai van Jiāozhōu 膠州 in Shāndōng 山東 te ontruimen. Toen de Duitsers dit weigerden, vielen de Japanners in september 1914 Shāndōng binnen. In de Stille Zuidzee veroverden de Japanners de onder Duits bestuur staande Caroline-, Mariana- en de Marshall-eilanden. In 1915 detacheerden ze een deel van hun oorlogsvloot om de ravitailleringslijnen van de geallieerden te beschermen.

De 21 Eisen aan China

Japan verklaarde dat, indien de Duitsers hun basissen en bezittingen in Shāndōng zonder voorwaarde zouden opgeven, het deze bezittingen aan China zou teruggeven. Japan knoopte aan de teruggave wel een aantal voorwaarden vast, de zogenaamde 21 Eisen aan China. De bedoeling was de Japanse positie in China in één klap gevoelig te versterken. Ondanks de schijn van het tegendeel was de positie van Japan in het noorden van China verre van verzekerd. De pacht in Guāndōng (Kantō) liep ten einde in 1923. Japan wilde die verlengen en uitbreiden. In 1911 had Sun Yat-sen de geslaagde Xīnhài-revolutie (Japans: Shingai kakumei 辛亥革命) op gang gebracht tegen de corruptie en onmacht van de Qing-dynastie en tegen het imperialisme van de grootmachten. In 1912 werd de Republiek afgekondigd met Sun Yan-sen als voorlopige president, na korte tijd opgevolgd door Yuán Shìkăi 袁世凯. De Japanse genrō vonden dit een gevaarlijke evolutie en mogelijks een slecht voorbeeld voor hun eigen monarchistisch model en een bedreiging voor hun belangen in Mongolië. Japan steunde bijgevolg Mongoolse onafhankelijkheidsbewegingen en lokte opstanden uit. De Republiek was stevig genoeg om dit te overleven. Vervolgens sloot Japan een geheim verdrag met Rusland om Mongolië te verdelen. In 1913 brak een nieuwe strijd uit in China, tussen Yuán Shìkăi en de nationalisten van de Guómíndăng, de partij van Sun Yat-sen (de zogenaamde "Tweede Revolutie"). In een van de relletjes werd in Nanking (Nánjīng 南京) een Japanner gedood. De Japanse militairen maakten gretig gebruik van dit incident in hun propaganda en bezetten met de instemming van de publieke opinie in 1914 de streek van Qīngdăo 青岛 (Jap.: Seitō). Ze verwierven ook de controle over de Shāndōng-spoorlijn. De Chinese bevolking werd zich echter steeds meer van haar recht op soevereiniteit bewust en eiste dat Japan zich zou terugtrekken. Hierop formuleerde Japan zijn 21 Eisen. De eisen werden in januari 1915 voorgelegd aan China en op 25 mei 1915 aanvaard. Het eisenpakket viel in vijf categorieën uiteen:

  1. overdracht van de Duitse rechten in Shāndōng aan Japan;
  2. erkenning van de bijzondere belangen van Japan in Mantsjoerije en Binnen- Mongolië, een 99-jarige verlenging van het pachtverdrag met betrekking tot Dàlián en Port Arthur (Lüshun), alsook de Zuid-Mantsjoerije-spoorweg, die Japan sedert 1905 in concessie verworven had van Rusland;
  3. Japanse inspraak in het beheer van China's enige zware nijverheid, het Hànyepíng meítie gōngsī (Jap.: Kan'yahyō Baitetsu Konsu)-concern, een soort staatsholding;
  4. de toezegging geen kustplaatsen aan derde mogendheden te zullen afstaan;
  5. aanstelling van Japanse adviseurs in diverse sectoren van het openbare leven: bestuur, politie en leger, economie.

China verzette zich hevig en na een diplomatieke tussenkomst van Amerika, dat nog niet in de Eerste Wereldoorlog betrokken was en een opendeurpolitiek propageerde, liet Japan de vijfde categorie eisen vallen. Een ultimatum dwong China de andere eisen te slikken. Later werd 9 mei, de dag van de officiële bekendmaking van het ultimatum, uitgeroepen tot dag van nationale schande in China. Op de conferentie van Washington (1921-22) trok Japan nog een aantal van deze eisen weer in. De relaties tussen China en Japan verslechterden en er ontstonden anti-Japanse groeperingen in China. Tevens groeide het wantrouwen van de grote mogendheden tegenover Japan. Om zijn goede trouw te bevestigen, tekende Japan de Ishii-Lansing-overeenkomst (1917). Ishii Kikujirō 石井菊次郎 was een topdiplomaat, die als speciaal gezant naar de Verenigde Staten werd gestuurd om met buitenlandminister Lansing over het Chinese probleem te onderhandelen en een gemeenschappelijke verklaring af te leggen. De belangrijkste punten van hun overeenkomst waren :

  • erkenning van de natuurlijke rechten van Japan in Chinese gebieden dicht bij Japan;
  • erkenning van de Chinese soevereiniteit en de belofte het land niet binnen te vallen;
  • nastreven van een opendeurpolitiek in China en het erkennen van het recht op handel voor iedereen.

De Nishihara-lening

Na de revolutie van 1911 werd Yuán Shìkăi president van China geworden. Eind 1915 riep hij zichzelf tot keizer uit. De aanvaarding van de 21 Eisen deed hem een enorm gezichtsverlies lijden, zodat hij na amper 83 dagen van zijn ambitie afzag. In 1916 overleed hij en ontstond er een machtsvacuüm. Provinciale militaire machthebbers bestreden elkaar in steeds wisselende coalities. In de periode van 1916 tot 1926 heersten de krijgsheren (warlords) over China. De nationale regering bleef bestaan, beheerst door wisselende militaire groepen, maar ze had slechts nominaal gezag. Het kabinet-Terauchi nam een houding van strikt non-interventionisme aan, maar stelde later de nodige fondsen ter beschikking van de Chinese regering om aan de oorlog tegen Duitsland te kunnen deelnemen. Omdat de persoonlijke raadgever van Terauchi Masatake, Nishihara Kamezō 西原亀三, de onderhandelingen voerde, noemt men dit de Nishihara-lening. De lening was ongedekt en werd nooit gerecupereerd.

Sino-Japans Pact tegen gemeenschappelijke vijanden

Het aansporen tot oorlogsdeelname stelde Japan in de gelegenheid om zijn invloed in het Chinese leger te versterken. Beide landen sloten een pact dat tot het einde van de oorlog van kracht bleef en dat de facto het Chinese leger onder Japans bevel plaatste. De publieke bekendmaking van deze overeenkomst lokte luid protest uit bij de bevolking. Het was een van de factoren die tot de 4 Meibeweging zouden bijdragen.

De Siberische invasie

Tsaristisch Rusland was, onder andere door de Eerste Wereldoorlog, in economische moeilijkheden geraakt. In 1917 brak er tot tweemaal toe een revolutie uit. Tijdens de tweede poging slaagde Lenin erin de Sovjet-Unie te stichten. Zijn regering sloot vrede met Duitsland, zodat het land voortaan buiten de oorlog kon blijven. De andere grootmachten, die een socialistisch staatsmodel vreesden, gebruikten de bevrijding van het Tsjechoslowaakse leger, dat in Rusland vastzat, als een voorwendsel om de strijd tegen het nieuwe regime aan te binden. In 1918 stuurde ook Japan enkele divisies naar Siberië, om een antirevolutionaire marionettenstaat op te richten. Na hevige strijd tegen het Rode Leger bleek de onderneming tot mislukken gedoemd. De andere mogendheden trokken hun troepen terug tegen juni 1920, maar Japan bleef pogingen ondernemen om een antirevolutionair bewind in Siberië te vestigen. Het verzet van het Rode Leger bleef zeer sterk. In Japan zelf kwam een protestbeweging op gang en ook omwille van de buitenlandse druk werden de Japanse troepen uiteindelijk in oktober 1922 teruggetrokken, onder het kabinet van Katō Tomosaburō 加藤友三郎. Het invasie had meer dan 3.000 Japanse levens geëist en meer dan een miljard yen gekost.

Grote economische bloei en rijstrellen

Industriële opbloei

Ongeveer een jaar na het uitbreken van de oorlog in Europa zat de Japanse export duidelijk in de lift. Samen met de Verenigde Staten profiteerde de Japanse economie enorm van de vraag naar goederen in de oorlogvoerende landen. Omdat bovendien de Europese economie was overgeschakeld van export- naar oorlogsproductie konden de Japanse producten de Europese vervangen op de Aziatische markten. Het stilvallen van de export van machines en afgewerkte producten uit Europa naar Japan vormde dan weer een sterke impuls om ze zelf te gaan produceren. Vooral de groei van de textielnijverheid was opvallend. Tijdens de oorlogsjaren verdubbelde de productiecapaciteit en Japan monopoliseerde de Aziatische markten. Ook de zijde-export naar de Verenigde Staten nam sterk toe, zodat de welvaart op het platteland steeg. Afgesneden van de buitenlandse leveranciers van scheikundige producten, voornamelijk Duitsland, ontwikkelde Japan zijn eigen bloeiende scheikundige nijverheid. Door de grote vraag naar schepen bloeiden ook de zware staalnijverheid en de scheepsbouw op. De opbrengst van het maritiem transport verdrievoudigde en op korte tijd kon Japan opklimmen tot de derde plaats in de wereld voor het vervoer over zee.

Zaibatsu domineren de industrie

De enorme economische groei bracht vooral voordeel voor een kleine groep van grootindustriëlen. Dankzij de oorlog breidden de zaibatsu hun controle uit over de meest uiteenlopende sectoren. Ze bezondigden zich aan kartelvorming en kochten KMO's op. Drie grote concerns, Mitsui, Mitsubishi en Sumitomo konden via vijf grote banken die zij controleerden, Mitsui, Mitsubishi, Sumitomo, Yasuda en Daiichi, het leeuwendeel van de oorlogswinsten binnenrijven. Deze winsten stelden hen in staat hun wil op te leggen aan de industrie in Japan en te investeren in China en Mantsjoerije. De rol van de zaibatsu is omstreden. Zonder te stellen dat zij voorstanders waren van militaire expansie is het toch duidelijk dat zij de economische voordelen van die expansie niet links lieten liggen. Bovendien voerden ze een personeelsbeleid dat allerminst van sociaal bewustzijn getuigde. Ze verzuimden niet alleen hun werknemers via loonsverhoging in de winst te laten delen, maar ze verzetten zich ook tegen eisen in die richting en werden daarin gesteund door de politieke en militaire overheid. Dit resulteerde in een dualistische economie, waarbij een moderne nijverheid opbloeide op de rug van een traditionele. Als grootste werkgever bepaalde de traditionele nijverheid de norm voor lonen en arbeidsomstandigheden en omdat de winsten daar veel kleiner waren, was er ook maar weinig ruimte voor loonsverhoging en betere werkomstandigheden. De zaibatsu schikten zich maar al te graag naar de normen van de traditionele nijverheid. De grote winsten die zij maakten hoefde zij zo niet om te zetten in hogere lonen.

rijstrellen

Door de oorlog, de groei van de zaibatsu en de oorlogsuitgaven van het leger floreerde de economie, maar de modale burger zag weinig van die grotere welvaart. Prijsstijgingen waren legio en de sociale onvrede groeide. Dit leidde tot ernstige arbeidsdisputen. Toen de plannen voor de invasie van Siberië in 1918 gestalte begonnen te krijgen, kochten rijsthandelaren grote hoeveelheden rijst op en manipuleerden de prijs, die verdubbelde tussen juli en september 1918. Rellen braken uit in Hozu (prefectuur Toyama), waar vissersvrouwen de lokale rijstvoorraad plunderden. De pers gaf ruchtbaarheid aan deze wanhoopsdaad en in 32 prefecturen braken er nu rellen uit. Het geweld sloeg over op de steden Tōkyō en Ōsaka en hield aan tijdens de maanden augustus en september 1918. Zowel de boerenbevolking als de stadsarbeiders eisten prijsverlagingen en overvielen opslagplaatsen. De regering trad eerst hardhandig op. Een strikte perscensuur op de berichtgeving over de ongeregeldheden werd opgelegd en politie en leger grepen op bloedige wijze in. Terauchi moest ontslag nemen. De nieuwe regering gelastte prijsverlagingen en importeerde zelf rijst uit Korea.

Betekenis van de rijstrellen

Deze rellen zijn belangrijk omdat ze de kloof aantonen tussen de bloei van de industrie en de benarde sociale toestanden. Zij waren de rechtstreekse aanleiding tot de val van het Terauchi-kabinet en de vorming van het Hara-kabinet. De uitbarstingen van geweld maakten duidelijk dat de kracht van massabewegingen niet te onderschatten was, en lagen mede aan de basis van het ontstaan van politiek actieve sociale bewegingen.