De Chinees-Japanse oorlog en de Tweede Wereldoorlog in de Stille Oceaan

Uit GeschiedenisJapan

Sinds de inval in Mantsjoerije was de bedoeling van Japan duidelijk: verdere expansie op Chinees grondgebied. Het gevolg was oorlog. Tegen de verwachtingen van het militaire opperbevel in bleven de gevechten duren en het werd een uitzichtloos duel dat tot enorme opofferingen leidde. Op binnenlands vlak voerde de overheid een repressief fascistisch beleid en op buitenlands vlak ging het land een alliantie aan met Duitsland en Italië. Door het afkondigen van de nationale mobilisatie, het in het leven roepen van de 'vereniging voor steun aan het keizerlijke bestuur' en het afschaffen van de politieke partijen ging Japan over tot een eenpartijdictatuur. Door zich te verbinden met het grootkapitaal breidde de dictatuur haar macht ook op economisch terrein uit. Op ideologisch vlak bestreed het fascisme ongenadig de linkse oppositie en de democratischgezinde partijen. Na het uitbreken van de totale oorlog in de Stille Oceaan werden al deze tendensen nog versterkt. Uiteindelijk moest het grondstofarme Japan het onderspit delven tegen de materieel veel sterkere Verenigde Staten en hun geallieerden.

Inhoud

Oorzaken van de Tweede Sino-Japanse Oorlog

Invasie in Noord-China

Na de inval in Mantsjoerije was het Kantō-leger doorgestoten naar Jehol (Rèhé 熱河). Sabotagedaden in Tiānjīn begeleidden het langzame oprukken naar Běijīng. In mei 1933 werd een tijdelijke wapenstilstand afgesloten te Tánggū (Tankū teisen kyōtei 塘浩停戦協定), dat een gedemilitariseerde zone ten zuiden van Mantsjoerije afbakende. De luwte was van korte duur, want toen in 1935 Engeland tegen Japans zin in China hielp bij monetaire hervormingen, lanceerden de Japanse troepen een nieuw offensief in Noord-China. Zij slaagden erin hun invloed uit te breiden over de provincies Héběi 河北, Shāndōng 山東, Shānxī 山西, Cháhār 察哈爾 en Sinen (Xīng'ān 興安). Ze steunden ook zogenaamde onafhankelijkheidsbewegingen. De enige bedoeling van deze militaire plannen was incidenten uit te lokken die verdere expansie zouden rechtvaardigen. Een van de problemen was de smokkel tussen China en door Japan gecontroleerde 'vrije' zones, waar Japan hoge invoerrechten hief. Een ander probleem dat bij de Chinezen veel wrevel wekte, was het voortdurend uitbreiden van de Japanse militaire aanwezigheid in deze gebieden, om Japanse residenten te beschermen. De provocerende aanwezigheid lokte aanslagen en onlustgevoelens uit.

Het eerste kabinet-Konoe (1937-1939)

Na het verlaten van de Volkenbond verwierp Japan in 1934 het Washington Naval Treaty van 1922 en het London Naval Treaty van 1930 en verliet het in 1936 voortijdig de Conferentie van Londen. Dit waren symptomen van de toenemende invloed der militairen. Na het 26 februari-incident haalde het kabinet-Hirota de banden met Italië en Duitsland, de zogeheten As Rome-Berlijn, nauwer aan. In december 1936 werd het Anti-Comintern Pact gesloten tussen Japan en Duitsland (Nichi-Doku bōkyō kyōtei 日独防共協定) en in 1937 tussen Japan, Duitsland en Italië (Nichi-Doku-I sangoku bōkyō kyōtei 日独伊三国防共協定). De politieke rechtvaardiging van het pact luidde dat het diende om een front te vormen tegen de Sovjet-Unie en het internationale communisme. In feite verbeterde het de samenwerking tussen de fascistische landen. In 1937 kwam Hirota ten val toen zijn minister van Oorlog Terauchi Hisakazu te ostentatief de wil van parlement en partijen negeerde en zo de wrevel van de publieke opinie opwekte. De facto hadden de militairen het al voor het zeggen, maar voor de vorm diende toch nog een zekere schijn hooggehouden te worden. De politieke partijen wonnen nog steeds de verkiezingen en werden bij de kabinetsformaties betrokken. Vijf maanden na de invasie in Mantsjoerije bezetten de twee traditionele partijen nog 447 van de 466 zetels in het Lagerhuis, een week voor het 26 februari-incident 379, en in april 1937 nog 354 zetels. De verkiezingen van 1936 waren zelfs gewonnen door de Minsei-tō met de slogan: "Wat wordt het: parlementair regime of fascisme?" De nationaalsocialistische Shakai Taishū-tō deed het veel minder goed: 18 zetels in 1936 en 37 in 1937.

De duidelijke keuze van de bevolking vond geen vertaling in politieke zeggenschap. De publieke opinie was verguld met de militaire successen in China en nam graag de economisch-sociale stabiliteit die de militairen hun bezorgden erbij. De militaire successen waren er gekomen tegen de adviezen van de democratische en internationalistisch gerichte partijen in en ze zorgden voor een compromitterende toenadering tussen politieke partijen en leger. Zo werden de militaire activiteiten gelegitimeerd en brokkelde de integriteit van de partijen af.

Na Hirota trachtten de politieke partijen invloed te herwinnen door generaal Ugaki Kazushige 宇垣一成, een 'duif', als premier voor te stellen, maar de militairen weigerden kordaat. Ugaki had zich 'verbrand' door tijdens de jaren twintig het leger vier divisies te doen inleveren. Hayashi Senjurō werd eerste minister en nam tegen alle verkiezingsuitslagen in geen enkele burger op in zijn regering. Vier maanden later leed hij een grote verkiezingsnederlaag. De laatste nog levende genrō, Saionji, probeerde de stuurloosheid te overwinnen door nog eenmaal een 'transcendentale' regering van nationale eenheid te vormen. Hij koos als eerste minister prins Konoe Fumimaro 近衛文麿(1891-1945), telg van de oude Fujiwara-clan. Deze bleek een zwak figuur en een grote opportunist te zijn, die de militairen steunde. In stilte was hij voorstander van expansie in China. Hij richtte in 1937 het Planbureau van het Kabinet (Kikakuin) op, waarin vooral militairen benoemd werden. Zij usurpeerden de mechanismen van de budgetvorming voor het ministerie van Financiën, waardoor de militairen de controle over de bestuursmiddelen van het burgerlijk bestuur in handen kregen. Saionji zag zijn beschermeling met lede ogen aan het werk en riep een raad van oude staatslieden in het leven waarin vooral gematigde admiraals en generaals zaten, die het land weer gezond verstand moesten bijbrengen. Saionji stierf op 24 november 1940, maar toen hadden de militairen reeds alle macht naar zich toegetrokken.

De Tweede Sino-Japanse Oorlog breekt uit

Het Japanse leger hield regelmatig oefeningen dichtbij de Chinese grens. In de nacht van 7 juli 1937 werden er enkele schoten uitgewisseld tussen Chinese en Japanse troepen in de buurt van de Marco Polobrug in de zuidelijke buitenwijken van Běijīng: het beruchte Marco Polobrugincident (Rokōkyō jiken 蘆溝橋事件). De ware toedracht raakte nooit bekend, maar vermoed wordt dat er provocatie van Japanse zijde in het spel was. De Japanse regering verklaarde dat ze niet van plan was de vijandelijkheden te laten escaleren, maar stuurde wel troepenversterkingen uit Korea en Mantsjoerije. Eind juli werden Běijīng en Tiānjīn bezet. In Shanghai werd een Japans officier vermoord, wat de aanleiding werd voor een nieuwe botsing tussen het Chinese en het Japanse leger. Dit leverde het formele excuus om tot oorlog te besluiten. In december 1937 werd Nánjīng, zetel van de regering van de Chinese republiek, belegerd en ingenomen. De val van Nánjīng gaat gepaard met een brutale doding van Chinese soldaten en burgers zonder onderscheid, een gebeurtenis die de geschiedenis is ingegaan als de 'slachting van Nánjīng'. De Chinese legerleiding was gevlucht voor de komst van de Japanse troepen en de Chinese soldaten zaten in de stad gevangen als ratten in de val zonder leiding die zich formeel kon overgeven. Omdat zij zicht niet formeel overgaf, werd Nánjīng als een vijandelijke stad ingenomen. Chinese soldaten die krijgsgevangen genomen werden, werden ontwapend en neergeschoten. Ook soldaten die hun uniform afgeworpen hadden en zich van hun wapens ontdaan hadden, werden gevangen en gedood. Erger nog, omdat de scheidingslijn tussen burger en soldaat nauwelijks te trekken was, werd iedereen ervan verdacht een vermomde soldaat te zijn en werd gedood. De Japanse troepen leken alle normbesef verloren te hebben en vermoordden zo talloze onschuldige slachtoffers. Over het totale aantal bestaat grote controverse. De Chinese overheid zweert bij het getal 300.000, en maakt daar een soort geloofspunt van. Aan Japanse zijde vindt men een hele waaier van standpunten, gaande van aanvaarding van de Chinese versie tot gehele verwerping. Sommigen voeren aan dat de notie van 'slachting' door Chinese nationalisten gefabriceerde propaganda is. Vele onderzoekers betwisten het cijfer 300.000 als onrealistisch, zonder daarom de feiten zelf in twijfel te trekken. De hele zaak is in de loop van de jaren erg gepolitiseerd en gepolariseerd. Zij is symbool gaan staan voor al het oorlogsleed dat Japan in China aangericht heeft. Of het cijfer te hoog is, hangt mede af van de vraag welke periode men onder ogenschouw neemt, en welk territorium men rekent tot Nánjīng, een element dat in de polemiek vaak uit het oog verloren wordt. Het zal wel nooit mogelijk zijn een exact cijfer vast te stellen. De stad werd door de Japanse troepen bezet en bleef dat tot het einde van de oorlog. Zij hadden er geen belang bij om een exacte telling te organiseren en toen de Chinezen acht jaar later de stad opnieuw in handen kregen, waren de meeste sporen voor eeuwig gewist. In het verdict van het Proces van Tōkyō staat dat er in de eerste zes weken na de val van Nánjīng, in de stad en omgeving minstens 200.000 burgers en krijgsgevangenen omgekomen zijn. in dit cijfer zijn weliswaar ook de mensen die van honger en ontbering zijn omgekomen vervat. Een ander heikel punt blijft de vraag in hoeverre de massale executies door de legerleiding gedoogd dan wel gepland waren, en hoe hoog in de militaire en politieke hiërarchie men op de hoogte was van de feiten.

De slachting van Nánjīng blijft de relaties tussen China en Japan vertroebelen. Na het Proces van Tōkyō verdween de zaak uit de aandacht en bleef dat ongeveer een kwarteeuw, tot in de jaren 1970. Ironisch genoeg lijkt de normalisering van de diplomatieke betrekkingen tussen China en Japan (1978) de zaak weer voor het voetlicht gebracht te hebben. De Japanse overheid heeft zich al vele malen in algemene termen verontschuldigd, maar van Chinese zijde blijft men dat onvoldoende en niet echt gemeend vinden. Tegenwoordig is deze traumatische episode een vast element geworden in het steekspel tussen beide landen in de arena's van diplomatie en public relations. De ultieme inzet van dit steekspel is het politiek en moreel leiderschap in de Oost-Aziatische regio. Zo vormt geschiedenis een essentieel ingrediënt in het bepalen van de machtsverhoudingen voor de toekomst.

In oktober 1938 vallen Hànkǒu 漢口 (het huidige Wŭhàn 武漢) en Guăngdōng 廣東. De geografische uitbreiding van het front werd echter funest voor de bevoorradingslijnen van de Japanse troepen, die voortdurend door Chinese guerrillastrijders gehinderd werden. Japan had 600.000 soldaten in China, maar de gesmeerde Japanse oorlogsmachine begon stilaan vierkant te draaien en zakte bij manier van spreken weg in een moeras van Chinese weerstand en versnippering van eigen krachten. De oorlog werd een uitzichtloze uitputtingsslag. De nationalistische regering trok zich terug in de westelijke stad Chóngqìng 重慶 (Japans: Jūkei), waar ze buiten het bereik van de Japanse legers was.

Vorming van een anti-Japans eenheidsfront

In China vertroebelden de betrekkingen tussen de jonge Communistische Partij en de nationalisten van Chiang Kai-shek snel. Beide partijen trachtten politiek voordeel te halen uit de samenwerking. Toen Chiang Kai-shek, die China met zijn legers zou besturen van 1927 tot 1937, in 1927 enkele communistische leiders wegens hoogverraad (spionage voor de Sovjet-Unie) liet executeren, trokken de communisten zich terug. Vanaf 1932 werd China intern verscheurd door een oorlog tussen nationalisten en communisten, waarbij Chiang Kai-shek alle energie besteedde aan het uitschakelen van de communisten. Dat verklaart zijn vrij passieve houding tegenover Japan, dat in 1933 Jehol bezette, de Chinese Muur overstak en in 1935 zelfs heel Noord-China tot neutrale zone uitriep.

Twee redenen deden Chiang Kai-shek aarzelen om de Japanse agressie te beantwoorden met een formele oorlogsverklaring. Ook al bouwde hij met alle macht aan de modernisering van zijn legers, toch meende hij dat China te zwak was voor de oorlog tegen Japan. Daarnaast zag hij het Japanse gevaar slechts als een 'huidziekte' in vergelijking met de interne bedreiging van de communisten. De halfslachtige houding van Chiang Kai-shek veroorzaakte wrevel bij de patriottische officieren, die merkten hoeveel succes de communisten boekten door anti-Japanse gevoelens te bespelen. In 1936 moest Chiang Kai-shek een beslissende veldtocht tegen de communisten afblazen toen zijn eigen officieren hem dwongen een eenheidsfront te vormen met de communisten tegen Japan.

Zoals reeds gezegd, ontketende Japan in 1937 de totale oorlog. Het hele oosten van China van Běijīng tot Guǎngdōng werd veroverd, al strekte de feitelijke macht van de Japanners zich nooit verder uit dan de grote bevolkingscentra en de belangrijkste verbindingslijnen zoals de spoorwegen. Ze slaagden er nooit in het verzet volledig te breken. Wel moest Chiang Kai-shek tweemaal zijn zetel verplaatsen, eerst naar Hànkǒu, later naar Chóngqìng. In de bezette gebieden schiepen de Japanse militairen marionettenregeringen die bereid waren te collaboreren met de Nieuwe Orde, het Pan-Aziatisch Gemenebest onder Japanse hegemonie. In Běijīng trad een zeer conservatief voorlopig bewind op, dat de klassieke deugden propageerde. In Nánjīng werd een 'nieuwe Guómíndăng' opgericht, die verklaarde dat tegenstand alleen maar schadelijk kon zijn voor China.

Pogingen om een escalatie te vermijden

Bemiddelingspogingen strandden omdat er te veel mensen van de harde lijn in leger en administratie doorgedrongen waren. In 1937 bemiddelde Duitsland, maar China wees het aanbod af. In januari 1938 werd duidelijk welke strategie de Japanners voerden. Premier Konoe verklaarde dat hij niet met de Guómíndăng-regering wilde onderhandelen. Een vreedzame oplossing werd daardoor voorgoed onmogelijk. Japan streefde naar een verdeling van China.

Een tegen escalatie gekante factie eiste dat Konoe verder zou onderhandelen, maar het bleef bij een loutere show. Hij herschikte zijn regering, maar eind 1938 bleek bij de bekendmaking van de Drie Beginselen van Konoe (Konoe san gensoku 近衛三原則) dat Japan niet wou terugkrabbelen.

De drie principes waren goed nabuurschap, gezamenlijke defensie en economische samenwerking. Ze pasten echter zo perfect in Japans Pan-Aziatische visie, vastgelegd in de proclamatie over de 'Opbouw van een Nieuwe Orde in Oost-Azië' (Tō-A shinchitsujo no kensetsu 東亜新秩序の建設), dat China ze afwees.

Toch hadden deze voorstellen andere voordelen. Bij de Chinese nationalisten waren er leiders die de toenemende invloed en de populariteit van de communisten vreesden en geneigd waren compromissen te sluiten met Japan. Een van hen was Wāng Jīngwèi 汪兆銘 (alternatieve naam Zhaòmíng, 1883-1944), ondervoorzitter van de Guómíndăng, die Chóngqìng ontvluchtte en bereid was om te collaboreren. De Japanse militairen plaatsten hem als leider van de nieuwe Guómíndăng aan het hoofd van een marionettenregering in Nanjing. Nadat Japan in maart 1940 de regering van Wāng Jīngwèi in China had erkend, besloten de Engelsen hun hulp aan de nationalisten op te voeren. Wāng Jīngwèi was een rivaal van Chiang Kai-shek in de nationalistische beweging. Hij wantrouwde de Sovjet-Unie en de westerse mogendheden, en was bereid tot samenwerking met de Japanners. Zijn regime miste echter de steun van de bevolking en bleef zwak. het bleef afhankelijk van de Japanse militaire steun voor zijn voortbestaan.

Groeiend verzet van het Westen en de eerste spanningen

Naarmate de oorlog in China escaleerde, verhoogden de spanningen met de grote mogendheden die belangen in China hadden. Tot 1939 bleven de Verenigde Staten en Engeland verzoenende verklaringen afleggen om Japan een kans te geven een vreedzame oplossing uit te werken, maar de Japanse psychose liet dit niet meer toe. Waarom zou een militair succesvol land zijn winst prijsgeven zonder iets in ruil te krijgen?

Na de verklaring over de 'Opbouw van een Nieuwe Orde in Oost-Azië' sloeg de houding van de geallieerden om. In 1939 zeiden de Amerikanen eenzijdig het in 1894 gesloten Handels- en Zeevaartverdrag (Nichi-Bei tsūshō kōkai jōyaku 日米通商航海条約) op en een jaar later werd een embargo uitgevaardigd op strategische goederen.

De successen in China staken schril af tegen de moeilijkheden met de Russen. De Sovjet-Unie verleende steun aan de Chinese communisten en had na de Japanse invasie in Mantsjoerije troepenversterkingen naar de grenzen gestuurd. Politieke spanningen en grensgeschillen leidden tot incidenten, waarvan de belangrijkste zijn: het Incident van Zhānggŭfēng (Jap.: Chōkohō jiken 張鼓峰事件), dat in juni 1938 uitbarstte, en het Incident van Nomonhan (Nomonhan jiken ノモンハン事件). Het eerste was een aanval van de Japanners tegen de Russische troepenversterkingen in de grensstreek van Korea, Mantsjoerije en de Sovjet-Unie, om te tonen dat Japan niet alles zou dulden. Na een maand lang vechten werd duidelijk dat Japan niet zo snel oprukte als verwacht. De partijen sloten een bestand, maar de spanning bleef bestaan. In mei 1939 ontbrandde een nieuwe strijd bij de stad Nomonhan aan de grens tussen Mongolië en Mantsjoerije, in het huidige Mongolië. De Japanners verloren volgens sommige schattingen niet minder dan 45.000 manschappen. Het Japanse leger was dan wel met moderne wapens uitgerust, het stond hier oog in oog met een modern, strijdklaar leger dat strategisch beter geschoold was. De Japanners gebruikten bijvoorbeeld hun tanks als een soort aanvullende infanterie, terwijl de Russen ze als een zelfstandige mobiele eenheid aanwendden. In september 1939 aanvaardden de Japanse militairen een bestand, waardoor ze in het thuisland veel van hun prestige inboetten. Japan zag af van verdere expansie in noordelijke richting en richtte zijn blik voorgoed naar het zuiden. Het landleger had steeds gepleit voor de bezetting van Siberië tot aan het Baikalmeer om zich van de grondstoffenrijkdom aldaar te kunnen verzekeren, maar na deze nederlaag opteerde Japan definitief voor de doorsteek naar het zuiden, de benadering die de voorkeur van de Marine genoot. In het zuiden was vooral Nederlands-Indië het doelwit, omwille van zijn rijkdom aan petroleum en mineralen. Een neutraliteitspact met de Sovjet-Unie bracht tot 1945 stabiliteit in Noordoost-Azië.

Toenemende militarisering van het dagelijkse leven

Structuren voor een algemene mobilisatie

Na de invasie in Mantsjoerije schreef de overheid enorme staatsleningen uit om de bewapening te financieren, wat leidde tot ernstige inflatie. De industrie, met de staal- en scheikundige nijverheid voorop, werd afgestemd op de militaire vraag en de staat en de zaibatsu werden aangespoord om ook in Mantsjoerije te investeren. De militarisering van de productie en het deficitair financieren van economische projecten brachten een kortstondige welvaart teweeg die het militaire bestuur populair maakte.

Om hun expansie te steunen, stimuleerden de militairen de opbouw van de 'nieuwe zaibatsu' (Shinkō zaibatsu 新興財閥), gespecialiseerde scheikundige en staalbedrijven. Men beweert dat deze bedrijven sterk promilitair waren. We kunnen onzes inziens slechts bevestigen dat hun productie moderner en militair interessanter was dan die van de traditionele zaibatsu. Uiteindelijk werd de gehele industrie in de oorlogseconomie ingeschakeld en de greep van de zaibatsu op alle sociaaleconomische aspecten van de samenleving nam nog toe.

In deze context begon het kabinet-Konoe, mede onder de invloed van het uitbreken van de oorlog met China, te spreken van algemene mobilisatie. De overheid sponsorde de 'beweging tot de algemene mentale mobilisatie van de natie' (Kokumin seishin sōdōin undō 国民精神総動員運動) en in april 1938 werd door de nationale mobilisatiewet (Kokka Sōdōin Hō 国家総動員法, 1938-1945) de oproep geformaliseerd. De overheid kreeg door deze wet ruime bevoegdheden om mankracht en materieel op te eisen en in te zetten voor de landsverdediging. Deze wet is zo belangrijk omdat hij het parlement buiten spel zette en de militaire dictatuur een wettelijke basis bezorgde, net zoals in Duitsland en Italië. Voortaan werd er met volmachten geregeerd. Er kwam rantsoenering van basisproducten, onmisbaar in het dagelijkse leven, zoals steenkool en ijzer. Naarmate de buitenlandse contacten en handel verslechterden, werden de controlewetten steeds stringenter toegepast.

Intellectuele onderdrukking

De indoctrinatie en de intellectuele controle werden verscherpt. Niet alleen communisme en socialisme waren verboden, maar ook liberale en democratische ideeën. Hierin volgde Japan het voorbeeld van de andere fascistische staten. In 1933 werd de hoogleraar in strafrecht van de Keizerlijke Universiteit van Kyōto Takigawa Yukitoki 滝川幸辰 eerst geweerd uit universitaire kringen en vervolgens ontslagen omwille van zijn Keihō tokuhon 刑法読本 ('Handboek strafrecht'). Hij toonde hierin belangstelling voor het strafrecht van de Sovjet-Unie en vond bijvoorbeeld de bestraffing van overspel navolgenswaard. Na de oorlog werd hij gerehabiliteerd en bracht hij het tot rector van de Universiteit van Kyōto. In 1934 werd de Marxistisch geïnspireerde Noro Eitarō 野呂栄太郎(1900-1934) gearresteerd wegens zijn hoofdrol bij het schrijven en publiceren van Nihon shihonshugi hattatsushi kōza ('Lezingen over het ontstaan en de ontwikkeling van het Japans kapitalisme'). Rond zijn 'natuurlijk overlijden' in hetzelfde jaar rezen heel wat vragen.

In 1935 werd professor Minobe Tatsukichi's stelling dat de staat een juridisch lichaam was, dat de soevereiniteit bij de staat lag en dat de keizer slechts een orgaan van deze soevereiniteit was, op de korrel genomen in de Diet (parlement). Zijn boek Kenpō satsuyō 憲法撮要 ('Samenvatting van de Grondwet') werd verboden en de Kokutai meichō seimei 国体明徴声明 werd uitgevaardigd. Dit was een communiqué dat verduidelijkte dat alle macht en prerogatieven van de soevereiniteit aan de persoon van de keizer werden toegekend.

In 1937 werd de hoogleraar economie (Tōkyō) Yanaihara Tadao 矢内原忠雄 ontslagen toen iemand verklikte dat hij gekant was tegen de kolonisering van Korea en Mantsjoerije. Hij was een actief christen en deed aan bekeringswerk tijdens de oorlog. Van 1951 tot 1957 was hij rector van de Keizerlijke Universiteit van Tōkyō, waar hij optrad als verdediger van de academische vrijheid.

Door de toepassing van de wet inzake de openbare orde vond het Volksfrontincident plaats. De Communistische Partij had zware klappen gekregen in 1928 en 1929. Op 15 maart 1928 werden communisten opgepakt. Op 16 april 1929 voerde de veiligheidspolitie arrestaties van communisten in heel het land uit. 700 mensen werden opgepakt. De overgebleven leiders, waaronder Yamakawa Hitoshi, beraamden de organisatie van een ondergronds antifascistisch Volksfront, met de hulp van een vierhonderdtal leden van de proletarische partij (Musan-tō 無産党) en linkse vakbonden. Ze werden bijna allen opgepakt. Als nasleep van dit incident werden een jaar later nog een aantal linkse professoren en intellectuelen gearresteerd, waaronder Ōuchi Hyōe 大内兵衛, de opvolger van Yanaihara als professor economie in Tōkyō. Op 20 februari 1933 werd de beroemde proletarische schrijver Kobayashi Takiji 小林多喜二 even na middernacht opgepakt. Zeven uren later werd zijn deerlijk toegetakelde lichaam gevonden.

In maart 1935 werd de Communistische Partij als organisatie vernietigd. In 1938 werden de werken van Kawai Eijirō 河合栄治郎, een democraat en antifascist, verboden. Hij werd gearresteerd en overleed in gevangenschap in 1943. De jaren 1942-44 zagen talloze liquidaties van politieke tegenstanders door toedoen van de geheime politie. Niet alleen linkse intellectuelen maar ook liberalen, democraten en alle anti-rechtsen liepen het risico opgepakt te worden.

Controle over ideologie en cultuur

De overheid moedigde het ultranationalisme (chōkokkashugi 超国家主義) aan en richtte het bureau voor Onderwijs en Wetenschap (Kyōgaku kyoku 教学民) op. Het bureau moest dienen als controleorgaan om in het onderwijs en later in de hele samenleving het ideologisch gehalte en de spreiding van het ultranationalisme na te gaan. Het ministerie van Onderwijs kreeg de opdracht de nationale filosofie van Japan, bekend als Kokutai 国体 te verduidelijken. Een werkgroep van filosofen en ethici, onder wie grote namen als Watsuji Tetsurō en Hisamatsu Shin'ichi voorkwamen, werd aan het werk gezet. het resultaat van hun arbeid was Kokutai no Hongi ('De wezenlijke betekenis van het staatsbestel'), een 156 pagina's tellend handboek dat in 1937 verscheen. Tegen 1944 waren ongeveer drie miljoen exemplaren van dit werk verspreid in scholen en allerlei maatschappelijke organisaties. De daarin verkondigde ideologie was een eigenaardige mengelmoes van oude mythologie en ideeën over Japanse superioriteit, omdat alleen Japan een unieke en zuivere keizerlijke familie had. Er stond heel wat in over de wil van de keizer, alsook over confucianistische deugden: harmonie, trouw aan de vorst en toewijding aan de ouders, maar ook over bushidō, de traditionele ethiek van de samurai. Japan werd er voorgesteld als één grote familie, geleid door de keizer als welwillende pater familias. Het boekwerk was uiterst antiwesters, vooral in zijn veroordeling van het individualisme, dat als oorzaak werd aangewezen van alle westerse ondeugden, gaande van democratie tot zelfs ... communisme. Het werk trachtte meer te overtuigen door emotionaliteit dan door intellectuele argumenten. Het goede dat erin stond werd vaag gehouden en werd voortdurend geappelleerd aan waarden als 'de Japanse geest', 'de nationale eigenheid', enz. Het waren noties die in één adem ook de Japanse expansie op het vasteland moesten goedpraten. De vijand werd preciezer beschreven: gluiperige kapitalisten, corrupte politici, individualisten, dreigende maar verwijfde westerlingen. Alle westerlingen in Japan werden met veel argwaan bejegend. In 1943 werd onder de titel Kokushi gaisetsu een door dezelfde geest geïnspireerd geschiedkundig handboek uitgegeven, waarvan minstens 200.000 exemplaren verspreid werden. Vermelding verdient verder ook nog het boek Shinmin no michi 臣民の道 ('De weg van de onderdaan'), waarin de correcte houding en handelwijze van de goede patriot worden beschreven. Vele bizarre theorieën werden in deze tijd bedacht die de speciale roeping van Japan moesten schragen. In verband met de roeping van het land om Azië te leiden, zagen heel wat theorieën die de verwantschap van Japanners met andere Aziatische volkeren moesten aantonen, het licht. Dit ging zover dat sommigen zelfs probeerden aan te tonen dat Joden, ook Aziaten namelijk, en Japanners van dezelfde voorvaderen afstamden.

De fanatieke ideologie doordrong de hele samenleving. Al wat on-Japans was was verwerpelijk of werd verdacht. Salondansen was immoreel, maar honkbal bleef populair, terwijl golf als te snobistisch werd afgedaan. Van straat- en naamborden verdwenen de transcripties in het westers alfabet. Studentengroeperingen, vakbonden en kranten werden verboden. Vrouwen werden aangemoedigd om te gaan werken in de fabrieken, maar werd tevens aangemaand om een goede moeder te zijn voor de kinderen. In 1941 werden alle lagere scholen tot 'Volksscholen' (Kokumin gakkō 国民学校) herdoopt en werd er alleen nog ultranationalistisch onderricht gegeven. Militaire opvoeding was een verplicht opleidingsonderdeel vanaf het lager middelbaar onderwijs.

Ontbinding van de politieke partijen en de Beweging voor een Nieuwe Orde

Nadat tijdens de regering-Hayashi de politieke partijen vrijwel al hun macht verloren hadden, nam het aantal politici en partijleden dat voor samenwerking met de militairen gewonnen was,toe. Enkele politici zoals Saitō Takao van de Rikken Minsei-tō protesteerden tegen de inmenging van de militairen in de politiek. Saitō uitte ook kritiek op de erkenning van het regime van Wāng Jīngwèi. Na 1940 werd protesteren onmogelijk. Toen in januari 1940 admiraal Yonai Mitsumasa 米内光政 een regering vormde, werd voor het eerst het idee gelanceerd om de bestaande partijen op te heffen en een Nationale Partij (Kyokoku seitō 挙国政党) op te richten. In juli 1940 leidde dit tot een actieve Beweging voor een Nieuwe Orde (Shin-taisei undō 新体制運動) die de ruggengraat was voor het streven naar een Nationale Partij. Onder druk van deze beweging hieven de Rikken Minsei-tō en de Rikken Seiyū-kai zichzelf op en gingen hun leden op in wat de basis van de verhoopte Nationale Partij moest worden: de Taisei yokusan-kai 大政翼賛会 ('De vereniging voor steun aan het keizerlijke bestuur'). Vooral Konoe zette zich in om zoveel mogelijk organisaties over te hevelen naar deze koepelorganisatie, maar dat verliep niet vlot. Alle partijen werden ontbonden en opgeslorpt door de parlementaire tak van de brede organisatie. Bij de verkiezingen van 1942 ging evenwel slechts 64 procent van de stemmen naar de officieel voorgestelde kandidaten, zodat het succes relatief bleef. Een stevige massa-organisatie werd uitgebouwd door middel van wijkcomités (tonarigumi). Dit waren op voorbeelden uit de Tokugawa-periode geïnspireerde locale comités voor toezicht en burenhulp, in 1940 door het Konoe-kabinet in het leven geroepen. Zij bestonden uit vaderlandslievende burgers, die de rantsoeneringen controleerden, toezicht op overtredingen van de wet hielden, optraden als informanten, en voor absolute conformiteit in moraal en gedrag onder hun medeburgers ijverden. Later in de oorlog deden ze ook dienst als waarnemers die vijandelijke vliegtuigen en boten moesten spotten en zelfs als een reservemilitie moesten optreden.

Het doel van de Taisei yokusan-kai was het vervullen van de plichten jegens de troon te organiseren. De associatie bezat afdelingen in het hele land en was een middel voor de overheid om alle rangen en standen te bespioneren. Het scheppen van een nieuwe orde in Oost-Azië, nationale defensiestructuren oprichten, de staat dienen in elk beroep, de staatsverplichtingen doen nakomen waren haar principes. Daarom coördineerde de associatie politiek, economie, onderwijs en cultuur. Ter gelegenheid van de viering van het 2.600-jarig bestaan van Japan werd de oprichting van de Taisei yokusan-kai plechtig afgekondigd.

De organisatie was geen politieke partij, maar een volksorganisatie die samenwerking met de overheid voorstond. In 1941 werd een politieke alliantie gevormd als een tak van de organisatie die in 1942 deelnam aan de verkiezingen.

Controle over de zakenwereld

Een strikt rantsoenerings- en bonnenstelsel werd ingevoerd. Heel het land werd herschapen tot een oorlogsmachine, wat zware sociale en economische gevolgen had. De inflatie zorgde voor pijlsnelle prijsstijgingen, terwijl de legerdienst grote arbeidstekorten veroorzaakte. Daardoor stegen ook de lonen. Om dit effect tegen de gaan, werden reeds in 1938 de Kakaku Tōsei Rei 価格統制令 en Chingin tōsei rei 賃金統制令 uitgevaardigd, in 1939 gevolgd door de opeisingswetten Kokumin Chōyō Rei 国民徴用令, waardoor elke burger voortaan gedwongen kon worden mee in te springen voor de militaire productie. Een andere stap in de militarisering van de economie werd gezet in 1940 toen het tweede Konoe-kabinet de Nieuwe Economische Orde (Keizai Shin-Taisei 経済新体制) proclameerde. Alle takken van de zware nijverheid werden onder de controle van een paar reusachtige financiële conglomeraten gebracht. Deze vielen op hun beurt onder overheidscontrole. Voor deze nauwe relatie tussen het fascisme en de kapitaalmonopolies ontstond de term kokka dokusen shihon 国家独占資本. Daarnaast onderwierp de Nieuwe Orde-Beweging de boeren en de arbeiders aan steeds zwaardere beperkingen. Vakbonden verdwenen, alle arbeiders moesten aansluiten bij de arbeidersvleugel van de Taisei Yokusan-kai, de Dai-Nihon Sangyō Hōkoku-kai 大日本産業報国会, een organisme dat vooral ontevredenheid en onpatriottische daden aan de kaak stelde.

Cultuur onder de fascistische dictatuur

Filosofie en menswetenschappen

De vrijheden van de Taishō-periode kwamen stilaan in de verdrukking en uiteindelijk was de enige ideologie die nog aanvaard werd, die van het totalitarisme en het ultranationalisme, zoals in Duitsland. Het ging niet om een bruuske omslag, maar om een gestaag proces. Nishida Kitarō, algemeen beschouwd als Japans grootste moderne filosoof, en andere leden van de Kyōto-school (Kyōto Gakuha 京都学派)werkten het concept uit van een religieus en ethisch reveil van de wereld, met Japan als spil. Zij beschouwden de moderniteit als iets westers en decadents, en zochten een weg 'om de moderniteit te overwinnen' door het cultiveren van Japanse waarden. Waar bij de aanvang van de Shōwa-periode de marxistische geschiedschrijving nog een grote bloei kende, met werken als de Nihon shihonshugi hattatsushi kōza 日本資本主義発達史講座 van Noro Eitarō, werd dit soort benadering van de geschiedenis allengs verdrongen door de zogeheten Keizerlijke Visie (Kōkoku shikan 皇国史観).

Kunst en cultuur

Gevestigde auteurs als Shimazaki Tōson, Tokuda Shūsei e.a. bleven publiceren, maar bij de aanvang van de Shōwa-periode vormden schrijvers als Yokomitsu Riichi 横光利一 en Kawabata Yasunari 川端康成 uit reactie tegen de excessen van het naturalisme, de neosensualistische school (Shin Kankaku-ha 新感覚派). Daarnaast vormden schrijvers als Funabashi Seiichi 舟橋聖一, Hori Tatsuo 堀辰雄, Ibuse Masuji 井伏鱒二 de neo-esthetische school. De eerstgenoemde school mogen we eerder experimenteel of avant-gardistisch noemen, de tweede stond onder westerse invloed en leverde psychologisch sterke romans af. Tijdens de oorlogsjaren deden beide scholen aan zelfcensuur. De Beweging van Proletarische Literatuur daarentegen werd in 1934 door de repressie vernietigd. Vanaf de tweede helft van de jaren dertig stonden alle kunstenaars onder sterke druk om hun talent in te zetten voor de glorie van het vaderland. Ook hiervoor werd een afdeling opgericht in de Taisei yokusan-kai: deDai-Nihon genron hōkoku-kai 大日本言論報国会, die alle oorspronkelijkheid en individualiteit versmachtte. Heel wat schrijvers grepen daarom terug naar thema's uit het verleden omdat die niet politiek geladen waren, en altijd een getuigenis van de Japanse tradities waren.

De oorlog in de Stille Oceaan

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog

Het fascisme had in Europa geleid tot rechtse militaire dictaturen, al was het niet zo onontkoombaar als velen wilden doen geloven. In Frankrijk kon een sterk antifascistisch Volksfront de fascistische ideologie voorkomen. Er ontstond evenwel een scherpe tegenstelling tussen de asmogendheden Duitsland en Italië, met Spanje en Japan, enerzijds en de geallieerden anderzijds.

In 1936 brak in Spanje de burgeroorlog uit. Duitsland en Italië boden Franco militaire hulp, deels met de bedoeling hun materieel uit te testen. De Sovjet-Unie koos de zijde van de linkse regering, gesteund door internationale brigades uit Engeland, Frankrijk, ... Deze inmenging van linkse krachten werd door Duitsland en Italië als imperialistisch afgeschilderd en was het startsein voor het vormen van de As, in 1937 uitgebreid door een wederzijdse defensieovereenkomst met Japan. Hitler annexeerde in 1938 het Tsjechoslowaakse Sudetenland. De in de lucht hangende oorlog werd nog eenmaal bezworen door de Conferentie van München, maar nadat Hitler in augustus 1939 een niet-aanvalspact met de Sovjet-Unie had afgesloten, en Duitsland vervolgens op 1 september 1939 Polen binnenviel, verklaarden de Fransen en Engelsen op grond van een met Polen gesloten verdrag de oorlog aan Duitsland. Japan, dat op Duitsland rekende voor zijn expansie in Mantsjoerije, was erg van streek door het Duits-Russische niet-aanvalspact. Hitler had Japan niet geraadpleegd of zelfs maar gewaarschuwd. Omdat de regering geen antwoord vond op de vraag waarvoor de As Rome-Berlijn-Tōkyō dan wel diende, nam Yonai ontslag.

Het Drielandenpact en de zuidwaartse opmars

Japan nam aanvankelijk een neutrale houding aan in het wereldconflict en concentreerde zich op de oorlog in China. Toen in mei en juni 1940 Nederland en Frankrijk capituleerden, gingen er in Japan stemmen op om de Aziatische kolonies van deze landen te bezetten. Zo zou het land de aanvoer van voor de oorlog onmisbare grondstoffen kunnen veiligstellen, en tegelijk zou het de aanvoerlijnen van de Amerikanen en de Britten, die de regering van Chiang Kai-shek steunden, kunnen afsnijden

In juli 1940 werd prins Konoe Fumimaro andermaal premier. De verwachtingen waren hooggespannen. Zowel de elite als de gewone bevolking hoopte en geloofde dat deze aristocraat, die nauw verwant was met de keizerlijke familie, het vermogen en de visie zou hebben om een nieuw elan te vinden. Dit tweede kabinet-Konoe verklaarde inderdaad dat het een nieuwe orde in Groter Oost-Azië (Dai Tō-A no shinchitsujo) wilde vestigen. In de eerste versie dacht men vooral aan een partnerschap van Japan, China en Korea, maar 'Groter Oost-Azië' behelsde ook Zuidoost-Azië. Aangestoken door de Duitse successen, drongen de militairen aan op een alliantie met Duitsland. In september 1940 tekende de tweede regering-Konoe, met Matsuoka Yōsuke 松岡洋右 als minister van Buitenlandse Zaken het Drielandenpact, in het Japans bekend als Nichi-Doku-I sangoku dōmei 日独伊三国同盟. Japan beloofde de beide andere ondertekenaars bij te springen als een van hen werd aangevallen door een nog niet bij de oorlog betrokken land, behalve de Sovjet-Unie. In China was Japan inmiddels doorgedrongen tot de grens van Frans Indochina. Frankrijk en ook de Verenigde Staten reageerden verontrust. In juni 1940 marcheerden de Duitse troepen Parijs binnen. In Vichy werd een Duitsgezind regime geïnstalleerd, dat ook jurisdictie had over de Franse kolonies. Dankzij het Drielandenpact kon Japan met de regering in Vichy onderhandelen over een toelating om Japanse troepen te stationeren in het noorden van Indochina. Na de opzegging van het handelsverdrag in september 1940, legden de Verenigde Staten nu een embargo op een aantal producten, waaronder de vitale brandstof. Om zijn bevoorrading veilig te stellen, zette Japan nu Nederland onder druk om vanuit Indonesië grote hoeveelheden petroleum, rubber en tin aan te voeren.

Hitler verbrak het vredesakkoord dat hij met de Sovjet-Unie gesloten had en viel het land in juni 1941 aan. Japan hield zich buiten deze oorlog. Het had in april 1941 nog maar pas een neutraliteitspact met de Sovjet-Unie gesloten. Dit pact was van vitaal belang voor Japan, omdat het heel wat troepen vrijmaakte om in te zetten aan het zuidelijke front. Er gingen stemmen op om het Kantō-leger te versterken en Rusland aan te vallen, maar de krijgsverrichtingen in Zuidoost-Azië lieten geen versnippering van krachten toe. Bovendien gaf de Duitse Blitzkrieg de Russen zozeer de handen vol, dat zijzelf ook niet aan een aanval in Mantsjoerije dachten. Japan breidde het Chinese front uit en bezette met medeweten van het Vichy-regime Frans-Indochina in juli 1941. Eerst was de bezetting strategisch, maar daar Frankrijk zijn handen vol had met de oorlog in Europa, nam Japan het gebied gewoon op in zijn Oost-Aziatische welvaartssfeer.

Verslechterende betrekkingen met de Verenigde Staten

Uiteraard zag Amerika deze evolutie met lede ogen. De Verenigde Staten wilden alleen een voortzetting van een open beleid in Azië. De Japanse top wilde de relaties met De Verenigde Staten zo goed mogelijk houden en zeker een Amerikaanse inmenging in de oorlog voorkomen. Toen in november 1940 Roosevelt voor de derde maal Amerikaans president werd, benoemde men admiraal Nomura Kichisaburō 野村吉三郎 tot Japans ambassadeur in Washington, omdat hij op goede voet stond met Roosevelt. Tot het uitbreken van de oorlog in de Stille Oceaan was hij belast met de diplomatieke betrekkingen tussen Japan en de Verenigde Staten (na de oorlog bleef hij actief als volksvertegenwoordiger).

Vanaf april 1941 hielden Japanse en Amerikaanse diplomaten te Washington gesprekken om de slechte betrekkingen tussen beide landen te verbeteren. De Japanse militairen met voorop het oppercommando van het Kantō-leger stelden zich onverzoenlijk op, terwijl de Verenigde Staten onder geen beding de Japanse terreinwinst wilden erkennen. De betrekkingen verslechterden snel en na korte tijd waren de gesprekken onder de diplomaten nog louter een dekmantel voor de oorlogsvoorbereidselen die aan weerszijden werden getroffen. Na de ondertekening van het niet-aanvalspact met Rusland en de bezetting van Indochina, ging Amerika in juli 1941 tot daden over. Bezittingen van Japanners in de Verenigde Staten werden bevroren en er werd een volledig olie-embargo afgekondigd. Japan ging spreken van de ABCD-blokkade (America, Britain, China, Dutch), een 'point of no return' omdat geen Japanner wou terugkrabbelen, na zo gemakkelijk zoveel te hebben gewonnen.

Het begin van de wereldbrand

In september 1941 besloot de overkoepelende bestuursraad van burgerlijke en militaire zaken (Dai hon'ei seifu renraku kaigi) dat Japan de oorlog aan de Verenigde Staten zou verklaren als de reeds meer dan een jaar aanslepende onderhandelingen niet binnen de maand resultaten zouden afwerpen. Konoe was tegen een oorlog met de Verenigde Staten gekant en werd als premier vervangen door minister van Zeemacht Tōjō Hideki 東条英機(1884-1948). Vanaf 1937 was hij stafofficier van het Kantō-leger geweest en minister van Oorlog in de kabinetten-Konoe I en II. Zijn in oktober 1941 gevormde kabinet was anti-Amerikaans, wat de onderhandelingen niet vergemakkelijkte. De Amerikanen stelden zich ook strak op, omdat ze dit kabinet van de harde lijn levensgevaarlijk vonden en omdat in Amerika de bereidheid tot oorlogvoeren groeide. De nota van minister van Buitenlandse Zaken Cordell Hull was de laatste waarschuwing: Japan moest zich terugtrekken uit China en Indochina. Japan had minstens op een compromis gehoopt, en was weliswaar bereid om zich uit Indochina terug te trekken, maar alle sedert 1931 gemaakte winst opgeven was niet aanvaardbaar. Het stelde nu alle hoop in een krachtige militaire actie van korte duur om een gunstige uitgangspositie voor een onderhandelbare vrede te verwerven. Op 1 december 1941 werd op een keizerlijke conferentie besloten tot de oorlogsverklaring. Toen was al een vloot onderweg naar Pearl Harbor. Na de aanval op 7 december verklaarde Japan op 8 december officieel de oorlog aan de Verenigde Staten, Nederland en Groot-Brittannië. De Grote Oost-Azië Oorlog was begonnen. Op hun beurt verklaarden Duitsland en Italië de oorlog aan de Verenigde Staten.

De Grote Oost-Azië Oorlog is de officiële benaming die de Japanse overheid (de overkoepelende bestuursraad van burgerlijke en militaire zaken, nu voor de oorlog aannam. In juli 1940 had het tweede Konoe-kabinet al de uitbouw van een nieuwe order in Groter Oost-Azië uitgeroepen als fundament van zijn beleid. Matsuoka Yōsuke, minister van Buitenlandse Zaken in dat kabinet, verklaarde kort na zijn aantreden op een persconferentie dat het de bedoeling was om de Dai Tō-A Kyōei-ken (het Engelse equivalent is Greater East Asia Coprosperity Sphere), die in de eerste fase Japan, Mantsjoerije en China zou omvatten, uit te bouwen. Dit was naar verluidt de eerste keer dat de term Greater East Asia Coprosperity Sphere door de Japanse overheid gebruikt werd. Deze term is ideologisch geladen. Hij impliceerde dat Japan de leiding zou nemen over de Aziatische landen om de westerse koloniserende landen te verjagen en een nieuwe orde van welvaart en onafhankelijkheid te vestigen van, voor en door Aziaten. De Grote Oost-Aziatische Oorlog is bijgevolg de oorlog die moest gevoerd worden om die nieuwe orde te realiseren. Dat Japan zulke grote en unieke zending te vervullen had, was gebaseerd op het denkbeeld dat het het land was waarin een door de Japanse goden geïnspireerde geest van vernieuwing en schepping heerste, die 'alle windstreken onder eenzelfde dak zou verenigen' (Hakkō ichiu). Deze uitdrukking vindt men in een van Japans oudste klassieke geschriften, de in 720 gecompileerde Nihonshoki. Het is een van de vele voorbeelden van de wijze waarop klassieke, vaak poëtische passages en termen uit hun oorspronkelijke verband gerukt werden en ten dienste van een eigentijdse ideologie en propaganda werden gesteld. In november 1942 werd een ministerie van Groter Oost-Azië opgericht , maar het functioneerde nooit behoorlijk. Vertegenwoordigers van de vijf staten die deel uitmaakten van de Coprosperity Sphere (Birma, Thailand, China onder Wāng Jīngwèi, de Filippijnen en Mănzhōuguó) hielden welgeteld één conferentie in Tōkyō in november 1943.

Het verloop van de Tweede Wereldoorlog

De Stille Oceaan

Kort na de aanval opPearl Harbor bezetten de Japanners de Filippijnen, het Maleisische schiereiland, Hongkong, en de Indonesische eilanden Java en Sumatra. Nog geen half jaar na het uitbreken van de oorlog controleerden zij een gebied van de Salomon-eilanden tot het neutrale maar collaborerende Birma. Ze noemden dit van westers kolonialisme bevrijde gebied Dai Tō-A Kyōkei-ken 大東亜共 栄圏 (Greater East Asia Coprosperity Sphere). Deze belofte van gedeelde welvaart werd korte tijd geloofd, maar naarmate de politiek en het openbare leven van deze landen onder groeiende Japanse controle geraakte en de grondstoffen voor de Japanse oorlogsmachine werden gebruikt, groeide het verzet. De 'gedeelde welvaart' ontaardde in een repressieve bezetting nog erger dan het westers kolonialisme. Toen de Japanse oorlogsmachine begon te sputteren en ze de eerste verliezen moest incasseren, werden de plaatselijke bevolkingen steeds harder onderdrukt en zwaarder belast. Het gevoerde beleid voor exploitatie van grondstoffen en beheersing van prijzen mislukte deerlijk.

Het Europese front

Bij de aanvang van de oorlog liep Duitsland met een Blitzkrieg België, Nederland, en een groot stuk van Frankrijk onder de voet. De val van Engeland leek nog enkel een kwestie van tijd. Aan het oostfront stonden de Duitsers vrij snel voor de poorten van Moskou, maar de strenge winter van 1941 en de betere samenwerking tussen Engeland, Rusland en de Verenigde Staten remden het offensief af.

Amerika in de tegenaanval

Door hun overwinningen op alle fronten werden de Japanners overmoedig. Zij rekenden op een spoedige overwinning van Duitsland in Europa, waarna Amerika op twee fronten kon kunnen aangepakt worden. Ze misrekenden zich echter. De raid op Pearl Harbor bleek het middel bij uitstek om de aarzelende publieke opinie in Amerika voor oorlogsdeelname te winnen. De Amerikaanse economie schakelde volledig over op de militaire productie en vanaf 1942 werden de grote middelen ingezet. Het materiële en numerieke overwicht van de Verenigde Staten werd snel duidelijk. De slag om Midway in juni 1942, waarbij Japan zijn vier beste vliegdekschepen en 285 vliegtuigen verloor, was het keerpunt. Amerika werd meester op zee en in de lucht. In augustus 1942 werd een eerste amfibielanding uitgevoerd op Guadalcanal en Japan moest het eiland opgeven in februari 1943. Japan was op terugtrekken aangewezen. Toen de Verenigde Staten in juli 1944 Saigon bezetten, geraakte alles in een stroomversnelling. De zeeslag in de Golf van Leyte tussen 23 en 26 oktober 1944 was de grootste zeeslag in de moderne geschiedenis. Hier gebruikte Japan voor het eerst kamikaze-piloten om de vijandelijke schepen te bestoken. Snel werd dit idee van zelfmoordpiloten ook toegepast op tuigen in het water zoals miniduikboten, menselijke torpedo's, motorboten enz. Hoewel het een Japans woord is, gebruikten de Japanners zelf het woord kamikaze zelden of nooit tijdens de oorlog. Het waren tolken in het Amerikaanse leger die het courant gebruikten. In 1945 tijdens de slag om Okinawa dropten vliegtuigen menselijke bommen, 'kersenbloesems' genaamd.

Vanaf juni 1944 werden de Japanse hoofdeilanden vrijwel dagelijks met bommen bestookt. Eerst vertrokken de Amerikaanse bommenwerpers vanop bases in China, maar nadat de Verenigde Staten de Mariana-eilanden bezet had, vlogen de vliegtuigen van bases op deze eilanden rechtstreeks naar Japan. Het zwaarste bombardement dat op 10 maart 1945 Tōkyō trof, kostte aan meer dan 100.000 mensen het leven en vernielde 270.000 huizen. In totaal kwamen bij de Amerikaanse luchtaanvallen op Japanse steden naar schatting 668.000 Japanse burgers om het leven.

In maart 1945 werd het eerste stuk Japans grondgebied veroverd: Iōjima (Iwo Jima) 硫黄島, een eiland van strategisch belang om de Amerikaanse bommenwerpers en gevechtsvliegtuigen tussenlandingen te laten maken. Het was een van de dodlijkste veldslagen uit de oorlog. De Japanse verdedigingstroepen hadden zich in het vulkanische eiland ingegraven en opereerden volledig onder de grond. Hun rangen telden ongeveer 20.000 manschappen. Zij zagen zich geplaatst tegen een invasiemacht van 100.000 geallieerden. De Japanners waren erop voorbereid om tot de laatste man te vechten en minder dan 300 verdedigers overleefden daadwerkelijk de slag. Bijna 7.000 Amerikanen sneuvelden. Iwo Jima gaf een voorproefje van de hardnekkigheid waarmee de Japanners het thuisland zouden verdedigen. De Amerikaanse oorlogsverslaggever Joe Rosenthal maakte een foto van zes Amerikaanse soldaten die op de berg Suribachi op het eiland Iwo Jima de Amerikaanse vlag planten. De foto lijkt te suggereren dat de soldaten met hun laatste krachten de vlag op de bergtop planten na een moeizaam en duur bevochten overwinning. In feite echter werd de vlag geplant in het begin van de slag om het eiland. Drie van de zes betrokken soldaten zouden het eiland overigens niet levend verlaten. De foto is een van de beroemdste van de Tweede Wereldoorlog, werd met de Pulitzerprijs bekroond en talloze malen gereproduceerd. Hij wordt zelfs de meest gereproduceerde foto in de geschiedenis van de fotografie genoemd, en vormde de inspiratiebron voor tal van monumenten, waaronder het Iwo Jima Memorial nabij de nationale begraafplaats van Arlington, nabij Washington DC.

Een andere geallieerde troepenmacht had in october 1944 de Filippijnen heroverd. Nu stevenden beide aanvalskrachten samen op naar Okinawa 沖縄. Een vloot van 20 slagschepen, 19 vliegdekschepen en 1.500 andere types van schepen verzamelde zich voor Okinawa. Het werd een bijzonder bloedige strijd. 12.000 Amerikaanse soldaten, 110.000 Japanse soldaten en 170.000 burgers van Okinawa lieten er het leven. Het aantal gewonden was een veelvoud van die aantallen. De landing in Okinawa was qua schaal zelfs groter dan de initiële landing van de geallieerden in Normandië op D-Day (6 juni 1944). Toen op 23 juni de Japanse bevelhebbers zelfmoord pleegden, betekende dat het einde van de slag. Japan zat nu vrijwel volledig aan de grond, maar ondanks de demoraliserende bombardementen op de grote steden dachten de Japanse militairen, nog opgezweept door de regering van Koiso Kuniyaki 小磯国昭 die na de val van Saigon Tōjō had opgevolgd, niet aan opgeven. De hardnekkigheid waarmee de Japanners Okinawa verdedigd hadden, en de hoge tol in mensenlevens die de verovering van het eiland gekost had, voorspelde weinig goeds voor de verovering van de Japanse hoofdeilanden. De Amerikanen hadden aanvankelijk het plan om vanuit Okinawa een invasie van de hoofdeilanden te lanceren. Door de bloedige ervaring op Okinawa begonnen zij de atoombom als een ernstig alternatief te zien. Er vielen meer doden in Okinawa dan atoombomslachtoffers in Hiroshima en Nagasaki.

Het terugdringen van de nazi's en de capitulatie van Italië

Toen de Duitsers in de winter van 1943 werden teruggeslagen bij het beleg van Stalingrad nam de oorlog in Europa ook een andere wending. Italië werd door de Amerikanen bezet en gaf zich onvoorwaardelijk over. Op 6 juni 1944 greep de landing in Normandië plaats en verplaatste de oorlog zich naar het Duitse grondgebied, waar Amerikanen, Engelsen en Russen samen de nederlaag van de nazi's bewerkstelligden.

Sociale en economische toestand tijdens de oorlog

Samen met het verslechteren van de oorlogssituatie werden de militaire dictatuur en de repressie heviger. Oorlogspropaganda en toenemend fanatisme maakten vrije meningsuiting totaal ondenkbaar.

Zoals hoger uiteengezet was de Taisei Yokusan-kai geen politieke partij zoals de nazi's maar een organisatie die een façade van nationale consensus zocht te creëren. Vakbonden en partijen waren erdoor opgeslorpt, maar vonden er geen discussieforum of inspraakkansen. Er was alleen controle en supervisie. De abstracte en duistere idee dat het gehele volk gemobiliseerd moest worden, lag aan de basis van de organisatie en naarmate de oorlogstoestand verslechterde, kwam er meer nood aan het 'mobiliseren' van de bevolking. Zo ontstonden nog enkele specifieke organisaties, zoals een federatie van politici en parlementairen die wensten samen te werken met de militairen, de Yokusan giin dōmei 翼賛議員同盟, een organisatie opgericht in September 1941 die verkiezingen uitschreef in 1942, maar weinig succes had (zie hoger). Omdat bijna 40 procent toch nog een reële oppositie uitmaakte, werd een heuse eenheidspartij opgericht, de Yokusan seiji-kai, om een volledige greep te krijgen op de politiek. In mei 1945 werd deze partij nog eens hervormd.

De belangrijkste verwezenlijking op het gebied van de volksmobilisatie waren de Tonarigumi of buurtcomités, volledig ingevoerd in 1941. Ze vormden een piramidale structuur: gemeente, stad, prefectuur, nationale comités. Alle huisgezinnen werden opgenomen zodat niemand aan de controle kon ontsnappen. De buurtcomités werden het ideale middel om het moreel van de thuisblijvers op te krikken en om de richtlijnen en propaganda van de overheid tot in de kleinste uithoek te verspreiden. Ze fungeerden ook als controle-eenheden voor rantsoenering, burgerdefensie en deden inzamelingen voor de jongens aan het front, ... Toen de oorlog ongunstig begon te verlopen, werden inspanningen om dissidenten monddood te maken en de propaganda opgedreven. Slogans als 'De Keizerlijke Weg' (Kōdō 皇道), 'De Yamato-Geest' (Yamatodamashii) e.d. gingen een eigen leven leiden. Een antiwesterse houding was een teken van goede burgerzin.

De militairen kregen steeds meer greep op het economische leven en bogen na 1939 de productie volledig in de richting van een oorlogseconomie om. Naarmate de nederlagen zich opstapelden, verloor Japan ontzettende hoeveelheden materieel en gingen ook gebieden verloren waar de noodzakelijke grondstoffen werden gevonden. Vooral de doorgedreven toepassing van de radar kostte de Japanners een groot aantal vliegtuigen en schepen, die ze niet meer konden vervangen. Vanaf 1943 liep de productie van oorlogsmaterieel achterop. Toen de Japanse steden gebombardeerd werden, gingen vele fabrieken in vlammen op en verloor de industrie vele arbeidskrachten.

Het volk verpauperde zienderogen. Steeds meer levensnoodzakelijke producten werden schaars. Rijst en kleding werden streng gerantsoeneerd en alle bruikbare metalen zoals goud en koper werden opgeëist voor de industrie. Omdat gezonde mannen naar het front werden gestuurd, ontstond er ook een groot gebrek aan arbeiders. Iedereen werd ingeschakeld: studenten en scholieren, vrouwen en ouderen werden opgeroepen voor karweien en wapenproductie. De laatste maanden van de oorlog ging Japan tot het uiterste. Omwille van de bombardementen werden in elke buurt brandweercomités opgericht en iedereen moest deelnemen aan de oefeningen. Toen men vreesde voor een Amerikaanse bezetting, werden verdedigingscursussen verplicht. Iedereen moest leren handgranaten werpen en leren vechten met bamboesperen, voor het geval de handgranaten zouden op zijn.

De capitulatie op 15 augustus 1945

Gezamenlijk offensief tegen Japan

In mei 1945 werd Duitsland vanuit het oosten en het westen volledig onder de voet gelopen door de geallieerden. Het aanvaardde een onvoorwaardelijke capitulatie. Nu hadden de bondgenoten de handen vrij om Japan de doodsteek toe te brengen. Het eindoffensief werd besproken in februari 1945 op de Conferentie van Yalta, waar Stalin, Roosevelt en Churchill ook de verdeling van Duitsland bespraken. Op 26 juli werden de conclusies van Yalta, in de aanwezigheid van Chiang Kai-shek, geformaliseerd in de Verklaring van Potsdam (Potsdamu sengen ポツダム宣言), die de volgende voorwaarden omvatte :

- men zou ervoor zorgen dat Japan de wereldvrede nooit meer kon bedreigen;

- het Japanse grondgebied zou worden beperkt tot de vier hoofdeilanden en een resem kleine eilanden in de onmiddellijke buurt;

- oorlogsmisdadigers zouden worden gestraft;

- de vrijheid en de mensenrechten zouden worden hersteld in Japan.

Omdat het er naar uitzag dat Japan deze voorwaarden niet zou accepteren, liet president Harry Truman op 6 augustus 1945 een atoombom afwerpen op Hiroshima en drie dagen later een tweede op Nagasaki. Dat is de officiële Amerikaanse versie, maar er speelden zeker nog andere motieven, onder andere voorkomen dat de Russen zich in Japan zouden komen moeien. De kiemen van de Koude Oorlog werden zichtbaar. Dat Rusland een echt gevaar betekende, werd duidelijk toen het niet-aanvalspact met Japan op 8 augustus werd verbroken en Rusland Mantsjoerije binnenviel.

De onvoorwaardelijke capitulatie

De atoombom verwoestte in één ogenblik 92% van Hiroshima en 36% van Nagasaki. Men schat dat er in Hiroshima 210.000 mensen stierven als rechtstreeks gevolg van het bombardement. De morele veerkracht van Japan was gebroken.

Op 15 augustus aanvaardde Japan de Verklaring van Potsdam. De besluitvorming had veel moeite gekost, want de atoombom had enkele militairen ertoe aangezet te pleiten voor een gevecht tot de dood. De harde eisen van Potsdam, waarin met geen woord werd gerept over het keizerschap als instituut en de persoon van de keizer, leken velen onaanvaardbaar. De keizer hakte de knoop door. Hoewel in het ongewisse over zijn eigen lot, besliste hij om de capitulatie te aanvaarden. In een memorabele toespraak tot de bevolking kondigde hij het besluit aan. op de bevolking, die voor het eerst haar keizer hoorde, in een omfloerste en archaïsche taal en met veel ruis door de slechte ontvangst, maakten de moeizaam uitgesproken woorden een onwezenlijke indruk, maar dat versterkte alleen maar het besef dat het ondenkbare gebeurd was. Sommigen pleegden ritueel zelfmoord, maar de meesten legden zich gelaten bij het verdict neer, zij het bang en onzeker over wat de toekomst brengen zou.

Op 17 augustus trad het capitulatiekabinet van Suzuki Kantarō 鈴木貫太郎 af. Het werd opgevolgd door het kabinet Higashikuni 東久邇, aangeduid door de keizer zelf.

Op 2 september 1945 werd aan boord van het Amerikaanse oorlogsschip Missouri in de Baai van Tōkyō de onvoorwaardelijke overgave getekend door vertegenwoordigers van de Japanse overheid en van de bondgenoten. De ondertekeningsceremonie werd door generaal Douglas MacArthur (Dagurasu Makkāsā gensui, 1880-1964) zorgvuldig geregisseerd en was op een maximumeffect berekend. Ze werd uitvoerig gefotografeerd en gefilmd door Amerikaanse verslaggevers en cameramensen. De beelden die toen geschoten werden, zijn onsterfelijk geworden en zijn emblematisch voor het einde van een tijdperk.