Dai-Nippon Teikoku Kenpō (大日本帝国憲法), de Meiji Grondwet

Uit GeschiedenisJapan

Inhoud

Vroeg Meiji Regime

Nood aan een grondwet

Japan was na 1868 een wankele staat geworden, het nieuwe Meiji-regime kampte met veel problemen. Om de leegte te vullen die de val van het Tokugawa shogunaat had veroorzaakt, moest een systeem van wetten, m.a.w. een grondwet, worden opgesteld. Een systeem was nodig om de bushiklasse van hun macht te ontdoen, dit omdat zij voor opstanden zorgden en zo een gevaar vormden voor de staat, maar ook omdat zij een economische last waren.

Japan moest ook prestige verwerven bij de nieuwe westerse mogendheden, moest Japan meewillen, zou het de westerse gebruiken en politiek introduceren in haar cultuur. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, Japan was geen westerse natie, en haar cultuur verschilt dus ook van de westerse cultuur. Dit wil zeggen dat het moeilijk was voor Japan om de westerse ideeën betreffende een parlementair systeem te begrijpen, laat staan kopiëren. Dit kunnen we aantonen, bijvoorbeeld, aan de hand van Fukuoka Kotei[1]. Hij zei: "Met de administratie van de regering bedoelde ik de kuge en de daimyo aan te stellen. Ik vergat het gewone volk niet, ik dacht er gewoon niet van dat ze een rol in de politiek zouden spelen." W. McLaren[2] zei hierover: "De staat politiek gezien, was hetzelfde als de feodale aristocratie, en met 'publieke opinie' werd enkel de eerste groep bedoeld. Men moet met zorg omspringen met termen als 'publieke opinie', 'de massa' en 'het volk' als ze in de periode door Meiji-bureaucraten worden gebruikt." Het is duidelijk dat in dit stadium van de Meiji-periode, de aristocratie geen rekening hield met de lagere klassen, iets wat in de westerse landen wel werd gedaan. Om de blijvende opstanden onder de duim te houden, moest een rotsvast systeem uitgebouwd worden, en dit met als fundering een grondwet, aangepast aan de cultuur van Japan. Er werd besloten om de systemen van de andere naties te bestuderen. Leden van de Iwakura-missie(岩倉使節団)[3] kregen als opdracht mee de politieke en wettelijke structuren van het buitenland, doorheen hun reis te bestuderen.

Kidō Takayoshi en de leden van de Iwakura-missie

Kido Takayoshi (木戸孝允)[4], een van de leden van de Iwakura-missie, keerde vroegtijdig terug en werd geconfronteerd met een regering van lopende zaken, die alle beloftes aan de leden van de missie had verbroken, en voorop was beginnen lopen met hervormingen.
Itō Hirobumi

De regering had tijdens hun verblijf in het buitenland, allerhande hervormingen aan de bovenbouw uitgevoerd, zonder aan de fundering te werken. Kidō schreef in juli 1873 onmiddellijk een dringende brief aan Keizer Meiji (明治天皇) waarin hij de nood aan een grondwet onderstreept, en als eerste aanmaant een grondwet te ontwerpen. Deze brief gaat de geschiedenis in als Kidō Sangi Kichougo No Enzetsu, en werd niet veel later in een Japanse krant gepubliceerd. Kidō beweerde: "De meeste dringende taak is het aanvullen van de basis geleverd door de Eed in Vijf Artikelen, met bijkomende artikels en het uit te breiden naar regelgevingen voor de regering." Met regelgevingen voor de regering bedoelt hij dus de grondwet. Waarom een grondwet zo belangrijk is zegt hij in de volgende regels: " Als we de andere landen bekijken, groot of klein, gelijkend of niet gelijkend, ligt de sleutel tot hun welvaart of falen, overleving of ondergang, volledig in wat ze hebben bereikt of niet, in het behalen van een grondwet."

Hij concludeert uit zijn missie dat het rechtblijven van een natie afhangt van de staat van de grondwet. Een goede grondwet is dus de hoeksteen van een land en de basis van de welvaart. Hij beweert verder nog dat een land een sterke leider nodig heeft, de keizer dus. Kidō's bevindingen en inspanningen werden nauw gevolgd door, Okubo Toshimichi (大久保 利通), maar net als Kidō haalde ook zijn inspanningen niets uit. Op 13 september 1873 werd de Iwakura-missie beëindigd en keerden prominente figuren als Iwakura Tomomi(岩倉具視,) en Itō Hirobumi(伊藤 博文) terug.

Eerste pogingen voor het ontwerpen van de grondwet

Voorstellen tot de Sain

Op 28 februari werd een voorstel in de Sain(左院)[5] gemaakt om een grondwet te ontwerpen, om in mei 1874 goedgekeurd te worden. Maar zoals bijna alle beslissingen van de Sain, werd ook dit niet uitgevoerd. De Sain werd niet veel later ontbonden en vervangen door de Genrōin[6]. Met het verdwijnen van de Sain en het falen van het voorstel, verdween de grote interesse in constitutionalisme echter niet, er ontstonden groeperingen onder de bureaucraten die een grondwet bespraken, bestuurden en lobbyden.

Keizerlijk bevel tot ontwerpen van de grondwet

Taruhito Arisugawa

Een eerste echte poging tot het ontwerpen van een grondwet bleef uit tot 7 eptember 1876, toen Arisugawa Taruhito(有栖川宮熾仁親王)[7], op dat moment hoofd van de Genrōin, op audiëntie werd gevraagd door keizer Meiji[8]. Hij kreeg het bevel de studie van de wetten van de andere naties verder te zetten en op basis van die resultaten een grondwet op te stellen. Dit is duidelijk een indicatie dat er een grote ernst was over het constitutionalisme als regeringsvorm. Arisugawa stelde hiervoor een studiegroep van 4 personen op, om een grondwet op te stellen. Een eerste versie werd voltooid in december 1876. De ontwerpers echter waren er niet tevreden mee, want het werd vele malen herzien voor het echt werd voorgesteld aan Arisugawa op 20 juni 1878 als Nihon Kokken An (Ontwerp van de Grondwet van Japan). Het werd onmiddellijk geweigerd en bevolen te herzien door Arisugawa, dit waarschijnlijk na protest van Iwakura Tomomi, de toenmalige udaijin[9](右大臣). Hij stelde, net als Itō, vast dat de ontwerpers geen aandacht schonken aan het nationale beleid en de Japanse gewoonten en tradities. De ontwerpers hadden enkel grondwetten van andere landen geherfomuleerd. Na herziening werd het in juli 1880 voorgelegd door Ōki Takatō(大木喬任), de opvolger van Arisugawa als hoofd van de Genrōin, met als naam Kokken Sōan (Grondwetsontwerp). Er werden weliswaar enkele veranderingen gemaakt, maar noch Itō, noch Iwakura waren tevreden.

Het probleem lag er voor hen in dat de ontwerpen onvoldoende zekerheid gaven over de aantasting van het openbaar machtsdomein. Itō begon als model voor de grondwet de Pruisische[10] te kiezen, terwijl anderen, zoals Ōkuma Shigenobu(大隈 重信), veeleer het Engels parlementair systeem verkozen als voorbeeld voor Japan. Het debat hierover kwam tot een hoogtepunt in maart 1881 met Ōkuma's memorandum, waarin hij het aanmaande tot het bijeenroepen van een nationale vergadering in 1883 en deze de kern te maken van een regering in Britse stijl. Itō schreef hierop naar Iwakura dat als zulk beleid werd aangenomen, hij ontslag zou nemen.

De Omwenteling van Meiji 14

Ōkuma Shigenobu
Om nog extra olie op het vuur te gooien kwam een schandaal aan het licht. Commissaris Kuroda Kiyotaka had voorgesteld om de firma Kansai Boueki Shōkai(関西貿易商会), een onderdeel van het Commissariaat voor de Ontwikkeling van Hokkaidō die opgericht was met fondsen van de bevolking, te verkopen aan een bedrijf uit de privé van zijn vriend Godai Tomoatsu(五代友厚). De bedoeling was om de overheidsbezittingen op Hokkaidō, waarin voor meer dan 14.100.000 yen was geïnvesteerd, te verkopen tegen de prijs van 390.000 yen, te betalen over een termijn van dertig jaar. De zwendel kwam aan het licht nog voor de overdracht was gebeurd en het hek was van de dam. Het publiek eiste meer en meer een parlement om de regering te controleren en de regering werd in een hoek gedreven. In de regering zelf ontstonden er roddels dat Ōkuma samenzweerde met het volk, vanwege zijn interne kritiek op de regering. Hijzelf en zijn medestanders werden op 11 oktober, op initiatief van Itō, ontslagen.

De studiereizen van Itō Hirobumi

Tweede Keizerlijk Bevel voor het ontwerpen van de grondwet

Uit vrees voor verdere escalaties werd op 12 oktober een vergadering in bijzijn van de keizer gehouden. Er werd bevolen op keizerlijk bevel de grondwet op te stellen en dit op een termijn van 9 jaar, in 1890 dus. Een officieel programma werd hiervoor opgesteld. Er werd voorgesteld en onmiddellijk beslist om Itō naar Europa te sturen voor grondwetsonderzoek. Itō vertrok op 14 maart 1882 vanuit de haven van Yokohama, om terug te keren op 3 augustus 1983. Hij werd door 13 anderen vergezeld.

Inoue Kowashi

Inoue Kowashi

Toen hij vertrok, stuurde Inoue Kowashi(井上毅) hem een brief mee waarin hij vroeg aan Itō om het ontwerpen van de grondwet ter plaatse te doen, dit lekken te voorkomen. Inoue stuurde hem ook een kopie mee van zijn ontwerp, op basis van de Pruisische grondwet mee. Iwakura had Inoue gevraagd toentertijd het memorandum van Ōkuma te bestuderen, en hierop een antwoord te schrijven. Een kleine maand later stuurde Inoue hem een memorandum (nu beter bekend als het Iwakura memorandum) met een grondwetsontwerp (Ōkoku Kenkoku Hō), een antwoord op Ōkuma's pleidooi voor een Brits systeem. Daarom wordt Inoue gezien als de eigenlijke ontwerper van de Meiji Grondwet. Hij hoopte zodoende dat Itō Inoues werk zou gebruiken om de grondwet te verfijnen, los van intriges die er binnen het land heersten. In Inoue's ogen verkeerde het ontwerp in zijn laatste fase. Itō echter, zag zijn reis naar Europa als laatste kans om terug leiderschap te krijgen over het grondwetsontwerp.

Clandestiene Overduidelijkheid

De missie lijkt een kleine groep tegenover de Iwakura-missie, maar dit was een elite onderzoeksteam die al lange tijd bezig waren met constitutioneel onderzoek. De reis was wel een staatsgeheim, niet zozeer de reis zelf, maar de bedoeling van de reis werd voor het publiek geheim gehouden, al werd er wel voldoende gespeculeerd door de media. Zo speculeerden onder andere de Asahi Shimbun en de Yuubin Hōchi Shimbun[11] dat er geen enkele andere reden was om Itō, die de grootste politicus toen was, op reis te sturen als voor constitutioneel onderzoek. Het werd niet als aannemelijk gezien dat een toppoliticus het land, dat in moeilijkheden was, te verlaten voor iets anders als een grondwet.

Itō's onderzoek in Europa

De teleurstelling in Berlijn

Itō zette voet aan wal in Napels op 5 mei 1882 en ging vandaaruit recht naar Berlijn. Dat leek het beste idee, aangezien Itō zich net als Inoue en Iwakura zich wou concentreren op de Pruisische grondwet. Hij ging in Berlijn spreken met Professor Rudolf von Gneist, met wie Kido 9 jaar eerder al eens sprak, Professor grondwettelijk recht aan de universiteit van Berlijn. Het gesprek viel echter tegen, geheel tegen de verwachtingen van Itō in. Hij zei tegen Itō: 'Ik ben blij dat je helemaal naar Duitsland bent gekomen op je reis, maar een grondwet is niet zomaar een document. Het is de belichaming van de van de mentaliteit en capaciteiten van een land. Ik kan je advies geven, als ik leer over Japan, maar ik heb geen vertrouwen in dat wat ik je zeg, van enig nut kan zijn.' Von Gneist vond dat Japan een eeuw te vroeg was met het ontwerpen van een grondwet, Itō was geïrriteerd door zijn opmerkingen. Doch lieten ze zich niet van hun stuk brengen en naast von Gneist spraken ze nog met Kaiser Wilhelm I en Albert Mosse, een leerling van von Gneist. Ze waren echter verontwaardigd over de resultaten over de gesprekken in Duitsland, en Itō vond het tijdverspilling. Hoewel Itō's onderzoek in Berlijn vruchteloos was, had hij nog hoop voor de missie. Hij werd er zich van bewust dat enkel zich op de grondwet te concentreren een grote fout was. Hij werd hierop geduid door Aoki Shūzō, de Japanse chargé d'affaires. Deze wees hem erop dat het constitutioneel onderzoek niet zo moeilijk was, men moest enkel de basisstructuur in de wetteksten vinden, en ze in de context te plaatsen in de gebeurtenissen die eraan vooraf gingen. Belangrijk was echter de administratieve wet, dit was de eigenlijke basis waarop de grondwet steunde. "Als de grondwet een bloem was, dan was de administratie zijn wortels en stam", aldus Aoki. Itō begreep het en schreef in zijn dagboek: "Het is niet zo moeilijk om simpelweg de tekst van de gondwet te vertalen, maar het is onmogelijk de organisatie van een land te begrijpen zonder tegelijk naar de administratie te kijken."

De Heropleving in Wenen

Prof. Lorenz von Stein
Tijdens de zomervakantie in Berlijn, nam het gezantschap het initiatief om naar Wenen te gaan, waar Kawashima Atsushi, een gesprek had geregeld met Dr. Lorenz von Stein, professor politieke economie aan de Weense universiteit. Beiden waren erg enthousiast elkaar te ontmoeten. Itō omdat hij uit de saaiheid van Berlijn weg zou zijn, en omdat hij veel gehoord had over von Stein van Atsushi. Von Stein omdat hij erg begaan was om Japan, hij was zelfs abonnee op de 'Japan Weekly Mail', maar ook omdat hij weinig steun kreeg van zijn collega’s die zijn werk als oubollig beschouwden.

Het was voor hem de ideale buitenkans om zijn theorieën te propageren aan Japan, een land in volle bloei. Itō kwam in Wenen aan op 8 augustus en ging stante pede naar von Stein. De gesprekken die eruit volgden, waar Itō onder andere de werking van de Pruisische grondwet met de keizer leerde, brachten een ommekeer in de missie, Itō had weer het vertrouwen in het onderzoek herwonnen. Hij werd er onderricht door von Stein tot 5 november, met uitzondering van een twee weken durende excursie naar Parijs en Berlijn. Na het vertrek uit Wenen, keerde het gezantschap terug naar Berlijn. Daar kwamen gesprekken opnieuw op gang tussen hen en Gneist en Mosse. Dit keer kregen ze hulp van Alexander Freiherrn von Siebold, die onuitputtelijk werkte voor het gezantschap. Itō nam de gesprekken ernstiger, mede door hulp van Alexander, en was enthousiaster.

Terug in Japan, de eindsprint naar de grondwet

Itō kwam terug aan in Japan op 3 augustus 1883 en ging meteen aan het werk. Gebruik makend van zijn nieuw vergaarde kennis en expertise op het vlak van grondwettelijk recht, nam hij weer de hoofdrol op in het opstellen van een constitutioneel systeem. Daarbovenop betekende de dood van Iwakura Tomomi[12] tijdens Itō's reis, dat Itō nu de volledige macht had over het stichten van de constitutie. Echter met het ontwerpen van de tekst zelf, werd niet meteen begonnen. Een constitutioneel systeem kan niet zomaar bereikt worden, enkel door het opstellen van een grondwet, een hele reeks institutionele hervormingen moesten gebeuren, beginnend met de administratie, om het land ervoor klaar te maken.

Institutionele hervormingen

In maart 1884 werd hij aangesteld tot hoofd van het Bureau voor Onderzoek van Constitutionele Systemen in het Keizerlijk Huishouden. Hij voerde vanuit die positie een reeks hervormingen uit, beginnend met het Bureau zelf. Hij werkte eraan de financiële autonomie van het keizerlijk huis te herstellen, naar zijn concept van de staat met een duidelijke scheidingslijn tussen de keizer en de regering. Het vrijwaren van de keizer van de regering, en vice versa, ervoor te zorgen dat de keizer zich niet zou kunnen moeien in staatsaangelegenheden, was de eerste stap om van de keizer een constitutionele monarch te maken.

Nieuwe rangen voor de adel

In 1884 hervormde de overheid de rangen van de adel. De oude hofadel, voorname samurai-families en mensen die zich in het nieuwe bewind uitzonderlijk verdienstelijk gemaakt hadden, werden erin opgenomen. Vijf hofrangen werden ingesteld: hertog (kōshaku 公爵), markies (kōshaku 侯爵), graaf (hakushaku 伯爵), burggraaf (shishaku 子爵), baron (danshaku 男爵). Het was in feite een kunstmatig systeem zonder enige traditie, maar deze nieuwe adel mocht in de nog op te richten Nationale Vergadering (Kokkai 国会), meer bepaald in het Hogerhuis zetelen. [13]

Het feodaal systeem moest wijken voor een kabinetssysteem

Structuur van de nieuwe Meiji staat. (Japans)

Op 22 december 1885, werd de Dajōkan door een grote herstructurering afgeschaft. In de plaats kwam een modern kabinetssysteem waar posities voor het hele volk vrijkwamen, en zo dus het monopolie van de aristocratie op de regering af te schaffen. Ook betekende de oprichting dat er nu een uitvoerende macht was die, hoewel steeds verantwoordelijk aan de keizer, geheel autonoom was[14]. Het duurde wel tot december 1999, voor de officiële richtlijnen voor het systeem uitgevaardigd waren, die de rol van elk kabinetslid specificeerde, zoals dat in de grondwet beschreven zou staan. Itō Hirobumi werd Japans eerste premier. Onder hem stonden 10 ministers, 4 uit Satsuma, 4 uit Chōshū, 1 uit Tosa en 1 voormalig bakufu-ambtenaar. Er kwam niemand van de traditionele adel in voor. Los van het kabinet werd een minister van Binnen (naidaijin 内大臣) aangesteld, die het Staatszegel en het Keizerlijk Zegel bewaarde en de Raad van keizerlijke adviseurs voorzit. Eveneens buiten het kabinet stond de minister van het Keizershuis (kunaidaijin 宮内大臣), die aan het hoofd stond van het ministerie voor het Keizershuis (kunaishō 宮内省). Deze beide ministers waren uitsluitend verantwoording aan de Keizer verschuldigd. Zij stonden daardoor min of meer op voet van gelijkheid met de eerste minister. Itō Hirobumi cumuleerde aanvankelijk beide functies. Yamagata Aritomo werd de eerste minister van Binnenlandse Zaken (naimudaijin 内務大臣). De minister van Binnenlandse Zaken was de belangrijkste kabinetsfunctie op die van de eerste minister na. De begroting van het kunaishō stond los van de nationale begroting en telkens de gelegenheid zich voordeed, werd de dotatie aan het keizershuis vergroot. In maart 1886 werd het Keizerlijk Universiteitsbevel uitgevaardigd, die de Keizerlijke Universiteit[15] oprichtte. Het 'Keizerlijk Universiteitsbevel', samen met de 'Verordeningen voor Ambtenarijonderzoeken en Burgerlijke Ambtenaren' en de 'Ambtenarijcode', uitgevaardigd in 1887, werd een systeem opgericht ter bevordering van de bureaucratie die de administratieve ondersteuning zou bieden voor een constitutioneel systeem.

Suumitsuin(枢密院)

In 1888 werd de Suumitsuin(枢密院), ofwel de Raad van State, door Keizerlijke Verordening, opgesteld, gebaseerd op de Privy Council of the United Kingdom, die raad moest geven aan de Keizer over zaken als het ontwerp van een grondwet, de wet op het keizershuis, enz. Ook nu met Ito als voorzitter. De leden werden door de keizer gekozen en waren ervaren politici. Het was de hoogste raadsgevende instantie, los van de uitvoerende macht.

De Grondwet van het Grote Japanse Keizerrijk

De grondwet tenslotte, werd afgekondigd op 11 februari 1889[16] door Keizer Meiji, als de Meiji grondwet.(Dai-Nippon Teikoku Kenpou 大日本帝国憲法). Het duurde weliswaar tot 29 november 1890 tot ze in gebruik genomen werd, tijdens de eerste Keizerlijke Vergadering, de nieuwe vergadering van het parlement, bestaande uit het Hogerhuis,bevolkt door de nieuwe adel, en het Lagerhuis, gekozen door het volk. De inhoud bevestigt het feit dat Itō de principes uit andere grondwetten overnam en implementeerde in de Japanse cultuur, er is helemaal geen sprake van kopiëren. Van de zeven hoofdstukken die de grondwet telt, is er 1[17] volledig gewijt aan de keizer. De grondwet bleef van kracht tot ze vervangen werd door de huidge grondwet, de Nihon-Koku Kenpou (日本國憲法) op 2 mei 1947.

Voetnoten

  1. één van de opstellers van de Gokajō no Goseimon, de Eed in 5 Artikelen
  2. een historicus, gespecialiseerd in de Meiji-periode
  3. van 1871 tot 1873
  4. Na zijn dood werd hij bekend als Kidō Kōin, hij gebruikte ook de alias Niibori Matsusuke (新堀松輔) toen hij tegen de shogun vocht
  5. Kamer van Links
  6. Na de Ōsaka conferentie 1875
  7. Prins Arisugawa Taruhito, (1835-1895), was een generaal in het Japanse keizerlijke leger Arisugawa op wikipedia
  8. Keizer Meiji is ook bekend als keizer Mutsuhito
  9. Minister van Rechts
  10. Pruisen had ook een keizer, en dus een grondwet aangepast aan de keizer
  11. De Yuubin Hōchi Shimbun werd gesticht door Maejima Hisoka(前島密), een medestander van Ōkuma. Hij was ook de stichter van de Japanse post, en werd later vice-minister van Binnenlandse Zaken
  12. Hij stierf op 20juli 1883, 2weken voor Itō's terugkomst
  13. Hier te vergelijken met het Engelse House of Lords.The House of peers in Japan
  14. Dit noemt men een chōzen naikaku 超然内閣
  15. De Keizerlijke Universiteit werd later de Tōkyō Daigaku, ook bekend als Tōdai.
  16. Volgens de Nihonshoki de dag dat de eerste keizer, Keizer Jinmu, de troon besteeg
  17. bestaande uit 17 artikelen

---

Bronnen

  • Takii Kazuhiro, The Meiji constitution : the Japanese experience of the west and the shaping of the modern state. Translated by David Noble. 2007
  • George Akita, Foundations of constitutional government in modern Japan 1868-1900.
  • Prof. W. Vande Walle, Een geschiedenis van Japan: Van samurai tot soft power. Acco Leuven, 2007
  • www.wikipedia.org
  • http://www.ndl.go.jp/modern/e/cha2/index.html