Dōgen
Uit GeschiedenisJapan
Dōgen leefde tijdens de Kamakura periode (1185-1333).
Inhoud |
Achtergrond en het begin van zijn studies
In het jaar 1200 werd Eihei Dōgen geboren in Kyôto in een aristocratisch milieu. Waarschijnlijk heette Dōgen’s vader Michichika Koga (2), zijn moeder was waarschijnlijk Motofusa Fujiwara’s dochter. Dōgen’s vader stierf toen hij 3 jaar oud was, zijn moeder toen hij 8 was. Het verlies van zijn ouders op zo’n jonge leeftijd brachten hem ertoe de leer van Boeddha te zoeken.
Toen hij 13 jaar oud was ging hij naar Mount Hiei, het grote centrum van Boeddhistische Studies. Hier werd hij het jaar erna ingewijd door Kōen, hoofd van de Tendai school (3) van het Boeddhisme. Na intensieve studie begon één vraag Dōgen bezig te houden, die het volgende inhield: als een persoon in essentie de natuur van het echte Dharma in zich heeft, waarom wensten en zochten dan alle Boeddha’s naar Verlichting? Dōgen kon op Mount Hiei geen goed antwoord vinden op deze vraag, hij bezocht Kōin, abt van het Onjō klooster (het andere centrum van de Tendai school) en stelde dezelfde vraag. In plaats van hem te antwoorden raadde Kōin hem aan om naar China te gaan en daar bij de Zen school te studeren. Kōin stuurde Dōgen vervolgens naar Eisai (4), een Tendai monnik, die naar China was gereisd met het doel om vitaliteit terug te brengen in de Tendai school. In 1214 keerde Dōgen terug naar Kyoto om met Eisai bij het Kennin klooster te studeren. Toen Eisai stierf in 1215 ging Dōgen verder met zijn studies bij Myōzen, een discipel van Eisai. In 1221 ontving Dōgen van Myōzen ‘Dharma transmissie’, wat aangaf dat de monnik zich de leer eigen had gemaakt. In 1223 gingen Myōzen en Dōgen beide naar China.
Zijn studies in China
Dōgen bezocht de grote kloosters van Zuid China, in de regio nu bekend als de Zhejiang provincie. In de meeste leerscholen gebruikten de meesters de methode van vragen, die bekend staan als gongan (Kōans) om studenten te gidsen. Dōgen bestudeerde deze vragen, maar het stelde hem teleur, dat de leraren de nadruk legden op het onlogische als uitdrukking van de Zenleer, terwijl ze de Boeddhistische geschriften negeerden. Twee jaar lang zocht hij zonder succes naar een geschikte meester en dacht er ernstig over na terug te keren naar Japan. Hij had echter gehoord over Rujing (5), als de enige authentieke beoefenaar van de Weg. Deze abt van de Tiantong berg ontmoette hij in de zomer van 1225. Dōgen ontving Dharma transmissie van Rujing bij hun eerste ontmoeting. Hij kreeg ongelimiteerd toegang tot Rujing om hem vragen te stellen en schreef hun dialogen op in de: “Record of the Baoqing Era”. Kort nadat ze op Tiantong waren aangekomen stierf Dōgen’s leraar en metgezel Myōzen. Dōgen studeerde verder in Zen bij het klooster van Rujing, waarbij deze onderwees dat studie van Zen het wegvallen van lichaam en geest is. De meditatiemethode, die Rujing wilde uitdragen, heette zhigan dazuo (shikan taza, Japanse transliteratie), een gefocuste zittende meditatie, waar je niet probeert om vragen op te lossen of realisatie te bereiken. In 1227 ontving Dōgen van Rujing het document van erfgoed. Zo maakte Dōgen, in zijn eigen woorden, zijn: ‘levensstudie van de grote zaak’ af. Later schreef hij over zijn moment van realisatie, dat dit was gebeurd door het laten wegvallen van lichaam en geest en dat hij deze transmissie in Japan heeft gevestigd.
Terugkeer naar en verder leven in Japan
In 1227 keerde Dōgen terug naar Japan, waar hij verbleef in het Kennin klooster in Kyoto. Hij was de aangewezen abt van het klooster na de dood van Myōzen, maar hij verbleef slechts 3 jaar in het Kennin klooster. Hier schreef hij een korte minutieus voorbereide proclamatie in het Chinees: “The Broad Recommendation of Zazen”. Hierin uitte hij zijn intentie om zich op Zen meditatie te concentreren en niet op een gemengde oefening, zoals die door Eisai werd onderwezen. De Tendai gemeenschap ging door met te proberen enkelvoudige beoefening van vormen van Boeddhisme, zoals Zen en het ‘Reine Land’ te onderdrukken. Dit dwong Dōgen om in 1230 van Kyoto te verhuizen naar een van de buitenwijken, Fukakusa. Het jaar hierna schreef Dōgen: “on the Endeavor of the Way”. Dit was zijn eerste poging om de Zenleer in het Japans te beschrijven. In 1233 begon Dōgen met het schrijven van zijn levenswerk: “Treasury of the True Dharma Eye (Shōbōgenzō)”. Ook stichtte hij in dit jaar een klein oefencentrum in Fukakusa, de Kannondōri tempel. Kort hierna maakte hij: “Actualizing the Fundamantal Point” (Japanstalig proza) af en gaf het aan een van zijn studenten. Het jaar hierop schreef hij: “Guidelines for Studying the Way” in het Chinees.
In 1234 kwam een monnik, genaamd Ejō, bij hem studeren (deze monnik had al het ‘zegel van realisatie’ ontvangen in de Dahui lijn van Linji Zen). Ejō werd in 1235 hoofdmonnik in de toen nieuw gebouwde monnikenhal bij de Kannondōri tempel. Twee jaar later schreef Dōgen “instructies voor de Tenzo (hoofdkok)” om de kloosterregels meer te formaliseren voor zijn tempel, die een nieuwe naam had gekregen: Kōshō Hōrin klooster. Tegelijkertijd maakte Ejō zijn beschrijving van de informele lessen van Dōgen af. In 1239 werd er een bijgebouw bijgebouwd bij de monnikenhal en schreef Dōgen “Regulations for the Auxiliary Cloud Hall”. In de jaren daarna kwamen meerdere monniken om Dōgen’s discipel te worden, waaronder een medestudent van Ejō: Ekan.
De Tendai gemeenschap begon steeds meer kritiek te leveren en dit bracht Dōgen in 1243 ertoe om de uitnodiging van Heer Hatano te accepteren om zijn gemeenschap te verhuizen naar de Echizen Provincie. Zijn studenten begonnen al snel met de bouw van het Daibutsu klooster in het bergachtige gebied van Shibi. In deze tijd gaf Dōgen in verschillende plaatsen lezingen, die door Ejō op schrift werden gesteld. In 1246 gaf Dōgen Daibutsu een nieuwe naam: Eihei-ji. In 1247 maakte Dōgen de lange reis naar Tokiyori Hōjō, in Kamakura, (vanaf 1246 regent van de feodale overheid). Hij gaf aan deze een leken initiatie, en gaf ruim een half jaar onderricht te Kamakura. Voorjaar 1248 keerde Dōgen terug naar Eihei-ji. Hierna ging hij niet in op verdere verzoeken van Tokiyori. Hij weigerde een nieuw klooster op te richten en weigerde ook een goed salaris. Tot twee keer toe wees hij het purperen gewaad af, in die tijd het hoogste teken van waardigheid in de Boeddhistische wereld. Toen hem dit een derde maal werd aangeboden, accepteerde hij het, maar hij borg het op en bleef zijn zwarte pij dragen.
In de herfst van 1252 werd Dōgen ziek. In de eerste maand van 1253 legde hij de laatste hand aan zijn levenswerk: “Treasury of the True Dharma Eye”. In de 7e maand van 1253 werd Dōgen erg ziek en wees hij Ejō aan als abt van het Eihei klooster. In de 8e maand ging hij op verzoek van de Heer Hatano naar Kyoto om genezing te zoeken. Op de 22e dag van deze maand stierf Dōgen in het huis van zijn lekenstudent Kakunen, in zijn geboortestad Kyoto.
Dōgen’s leer
Dōgen had enkele belangrijke principes in zijn school van Zen. Hij legde het belang op training (shugyo), op eigen kracht (jiriki). Ook legde hij de nadruk op het idee het praktische leven en de meditatie (zazen) met elkaar te verbinden. Hij gebruikte de Boeddhistische geschriften slechts als hulpmiddel, opdat ze niet zouden afleiden van de Juiste Weg.
Het leidende principe van Dōgen’s leer is Zazen, Zen meditatie, die wordt beoefend terwijl de persoon rechtop zit in een positie met gekruiste benen. Een gedicht van Dōgen getiteld, “On Zazen Practice”, luidt:
“The moon abiding in the midst of serene mind; billows break into light” Geciteerd uit Tanahashi (1985: 13).
Tijdloosheid van een moment Bewustzijn van ieder ogenblik is onmisbaar, omdat tijd van moment tot moment wordt ondergaan. Alleen in het hier en nu bestaat de echte ervaring. Het verleden is in het verleden ervaren als het ‘hier en nu’ en de toekomst zal dan als het ‘hier en nu’ worden ervaren. Ieder moment draagt alle tijd in zich, is als het ware tijdloos of eeuwig.
Dōgen verzette zich tegen de verstrengeling van wetenschap en religie, tegen priesters die debatteerden alleen om hun kennis tentoon te spreiden. "Door nutteloos te denken en te memoriseren streeft men naar het bereiken van de Verlichting... Niet de sutras echter brengen U op een dwaalspoor, maar gijzelf, die U in de sutras verliest." Citaat van Dōgen uit Vos en Zürcher (1964: 109). De incidenten met het purperen gewaad laten zijn verzet tegen aardse roem zien. Ook was Dōgen tegen het materialisme in het geloof, het idee dat je alles maar kon afkopen. Specifieker was hij tegen de de uitbuiting van het volk door priesters, die het bijgeloof van mensen benutten om geldelijk gewin te verkrijgen.
In tegenstelling tot andere Japanse Boeddhischtische scholen (Reine Land; Ware Secte van het Reine Land; Nichiren) geloofde Dōgen dat alle mensen door 'oefening' (shugyo) de Verlichting konden bereiken. Hierin integreerde hij het principe van het wegvallen van lichaam en geest zonder het verwaarlozen van de dagelijkse taken. Dōgen besteedde zijn aandacht vooral aan het opleiden van geestelijken. Hij was streng voor zijn leerlingen en gaf hen instructies over verscheidene zaken, waaronder het bereiden van de maaltijd. Hij waardeerde zijn leerlingen meer om hun toewijding dan om hun aantal.
Dōgen’s nalatenschap
Dōgen wordt beschouwd als de stichter van de Sōtō-school van het Zen-Boeddhisme. Deze school van Zen wordt tot op de dag van vandaag nog beoefend. Dōgen heeft een grote hoeveelheid aan geschriften van hemzelf (en door zijn studenten opgetekende geschriften) achtergelaten. Zijn filosofische principes worden nu nog steeds, over de hele wereld, bestudeerd.
Voetnoten
1. De Japanse Sōtō Zenschool (Chinees: Ts'ao-tung-secte). 2. Zie het boek "Dōgen's Formative Years in China" voor een uitgebreide beschrijving van Dōgen's familiegeschiedenis. 3. Tendai (Chinees: T'ien-t'ai) is een Boeddhistische stroming die in de negende eeuw door Saicho is geintroduceerd in Japan. 4. Eisai (1141-1215) wordt gezien als de stichter van de Rinzai school (Chinees: Lin-chi) van het Zen-Boeddhisme in Japan. 5. Rujing, ook wel beschreven als Jujing.
Literatuuropgave
Bodiford, William M. Sōtō Zen in Medieval Japan. Honolulu: University of Hawaii Press, 1993. Kodera, Takashi James. Dōgen’s Formative Years in China. Thetford, Norfolk: Routlegde & Kegan Paul, 1980. Kopf, Gereon. Beyond Personal Identity: Dōgen, Nishida, and a Phenomenology of No-Self, Richmond, Surrey: Curson Press, 2001. Tanahashi, Kazuaki; ed. Moon in a Dewdrop: Writings of Zen Master Dōgen. San Francisco: North Point Press, 1985. Vos, F., en E. Zürcher. Spel zonder snaren. Deventer: Uitgeverij N. Kluwer N.V., 1964.


