Cultuur tijdens de Kamakura-periode

Uit GeschiedenisJapan

Tijdens de Kamakura-periode (1185-1333; 1192-1336) ging de boeddhistische kerk door een fase van grote religieuze vernieuwing. Vele priesters en monniken worden door het heilige vuur gedreven om de boodschap van de Boeddha onder het gewone en noodlijdende volk te verspreiden. Dit was een reactie tegen het te aristocratisch gebleven boeddhisme van de Heian-periode. Anderen zochten nieuwe methoden om het heil en de verlichting na te streven. De meeste populistische bewegingen legden de nadruk op de devotie en de aanroepingen. Veruit de voornaamste beweging was die van het boeddhisme van het Reine Land: zij predikte dat men door de devote aanroeping van de naam van de Boeddha Amida (Amitābha) herboren kan worden in het Reine Land, het Westelijke Paradijs van deze Boeddha.


Het reine land

Hōnen 法然 (1133-1212) stichtte de Sekte van het Reine Land en zijn discipel Shinran 親鸞 (1173-1262) de Ware Sekte van het Reine Land. Vóór hen echter waren er al belangrijke predikanten geweest die de boodschap onder het volk brachten, zo bijvoorbeeld Kūya 空也 (903-972) en Ryōnin 良忍 (1072-1132). Hōnen zocht naar een vorm van heilsleer die alle mensen zouden kunnen begrijpen, en die geschikt zou zijn voor de tijd van degeneratie van de boeddhistische leer, Mappō 末法 genaamd, de laatste fase van het boeddhisme, waarin Hōnen zelf meende te leven. Verlossing kon alleen gevonden worden door het devoot aanroepen van de Boeddha Amida. Men moest dus verzaken aan de tot mislukking gedoemde poging om op eigen krachten de verlichting te bereiken.

Shinran nam deze idee nog een stap verder door te stellen dat zelfs de daad van de aanroeping zelf niet te danken was aan zijn eigen vermogens, maar geheel aan Amida, die zich in zijn oorspronkelijke gelofte voorgenomen heeft alle levende wezens te redden. Deze totale overgave aan de verlossende kracht van de Boeddha heet tariki 他力, d.w.z. de kracht van de andere, in casu dus de Boeddha. Het traditionele boeddhisme leerde dat men door religieuze oefeningen en studie (dus op eigen krachten: jiriki 自力) de verlichting kon bereiken.


Nichiren-sekte

De leer van Nichiren 日蓮 (1222-1282), stichter van de Nichiren-sekte, ligt in dezelfde lijn. Na een lange spirituele zoektocht kwam hij tot de overtuiging dat het Lotus-sūtra de ultieme leer van de Boeddha bevat. Zijn heilsmethode was een aangepaste versie van die van het Reine Land: hij stelde in de plaats van Amida de heilige schrift, het Lotus-sūtra. Hij leerde zijn discipelen dat het volstond “Namu Myōhō Rengekyō” 南無妙法蓮華経 ("Gezegend zij het Lotus-sūtra") te bidden, opdat de miraculeuze kracht die in de titel van dit sūtra geconcentreerd is, de aanroeper tot verlichting zou leiden. Volgens Nichiren, een militant profeet, was Japan van nature het land van het Lotus-sūtra, maar omdat veel Japanners het sūtra minachtten en omdat de regering zich niet wilde inspireren op dit geschrift ging het land gebukt onder natuurlijke catastrofes en maatschappelijke misstanden. Japan moest dus een theocratie worden gebaseerd op het Lotus-Sūtra.


Zen-boeddhisme

Terwijl de sekten van het Reine Land en van Nichiren eigenlijk rechtstreeks uit de Tendai-sekte voortkomen, werd het Zen 禅-boeddhisme uit China ingevoerd, waar het toen erg populair was. Ook het Zen-boeddhisme zet zich af tegen het traditionele boeddhisme, niet zozeer de gedachte van jiriki zelf, maar de scholastiek en formalistische rituelen. Zen wilde het boeddhisme in het dagelijkse leven terugbrengen. Het gaat er echter wel van uit dat de verlichting op eigen krachten moet gerealiseerd worden. De meest kenmerkende en fundamentele stelling van Zen is de idee van de plotse verlichting. Ieder moet die vinden in zichzelf, maar hij kan daarin geholpen worden door een meester, die hem de weg kan wijzen. De verlichting is in elk geval niet in de schriftuur te vinden. Zijn eigen ware natuur onderkennen staat gelijk met het bereiken van de staat van Boeddha. Zen valt op door zijn nadruk op de persoonlijke overlevering van de leer van meester op discipel. Vandaar dat de affiliatie, de geestelijke afkomst, zo belangrijk is. Men onderscheidt twee denominaties die teruggaan op de twee grote Chinese meesters: de Rinzai-secte 臨済宗 en de Sōtō-secte 曹洞宗.

De Rinzai-sekte werd in 1191 door Eisai 栄西 (1141-1215) in Japan geïntroduceerd, en de Sōtō-sekte enige jaren later door Dōgen 道元 (1200-1253). Het grote verschil tussen beide is dat Rinzai gebruik maakt van kōans 公案, dit zijn vraag- en antwoordtechnieken, verhalen over oude Zen-meesters, raadsels, enz. als een middel om de verlichting te actualiseren, terwijl Sōtō enkel en alleen heil verwacht van de meditatie (zazen 坐禅). Rinzai vond veel aanhangers onder de samurai-klasse, terwijl Sōtō meer een godsdienst van het gewone volk werd.

De Kamakura-periode vormt eigenlijk het einde van de creatieve ontwikkelingen in het Japanse Boeddhisme. In de daaropvolgende periodes consolideren de verschillende sekten zich en wordt het Boeddhisme geformaliseerd. Maar wie denkt dat het Boeddhisme na de Kamakura-tijd uitgespeeld is, vergist zich, want het gaat nu zijn vitaliteit manifesteren in de kunst en de cultuur. Vooral Zen zal hier een prominente rol in spelen, ook in de vorming van een levensfilosofie voor de samurai-klasse.