Cultuur in de Taishō-periode
Uit GeschiedenisJapan
Inhoud |
Leidraad
In de Meiji-periode was de ontwikkeling op cultureel vlak eerder een van hogerhand gestuurd gegeven, en tevens een leerproces. Men zou het nationalistisch georiënteerd kunnen noemen. In de Taishō-periode waren de mensen meer geëmancipeerd en democratisch bewuster geworden, terwijl Japan ook een eigen koers ging varen. Ontwikkelingen in economie, wetenschappen enz. hadden ook hun weerspiegeling in de culturele wereld. In zekere zin kunnen we hier spreken van een massa- of consumptie-cultuur.
Algemene kenmerken
In vergelijking met de Meiji-periode kunnen we wijzen op: - De bloei van een burgerlijke cultuur. De ontwikkeling van het kapitalisme en de toename van het democratisch bewustzijn op internationaal vlak waren een gevolg van de Eerste Wereldoorlog en stimuleerden vlak na de oorlog vooral in de verstedelijkte gebieden het ontstaan van een bloeiende burgerlijke samenleving. - Versterking van democratische eisen. Internationaal wonnen democratische beginselen duidelijk veld. Onder druk van de massa kende ook Japan een vloedgolf die Taishō-democratie wordt genoemd. In dit kader vonden liberalisme en humanisme een voedingsbodem en tevens ideologisch bestaansrecht. Naarmate sociale bewegingen aan belang gingen winnen, won ook de socialistische ideologie terrein. Het valt niet te ontkennen dat binnen de beperkingen van de tijd de Taishō-periode toch een aantal individuele en collectieve vrijheden opleverde voor de burgers.
Onderwijs en wetenschappen
Veralgemening van het onderwijs en de natuurwetenschappen
De ontwikkeling van het kapitalisme ging gepaard met krachtige investeringen in meer en beter hoger onderwijs en onderzoek. De leerplicht werd voor vrijwel honderd procent gerealiseerd. De gestage verhoging van het onderwijsniveau en de toename van de studiemogelijkheden hadden een grote invloed op de burgerlijke samenleving.
Onder de regering Hara werd in 1918 de Wet op de Keizerlijke Universiteiten (Daigaku-rei 大学令) herzien en versoepeld. Naast de reeds erkende keizerlijke universiteiten werd nu ook de oprichting van onderwijsinstellingen van het korte type, van privé-universiteiten en -scholen toegestaan, zodat het aantal universiteiten enorm toenam. Er ontstond een nieuwe klasse in Japan: de intellectuelen en de technocraten die vaak doordrongen waren van democratische en liberale ideeën. Ze vormde een belangrijke klasse van weddetrekkenden.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de invoer van tal van goederen stopgezet of erg bemoeilijkt. Chemische producten, machines en Westerse technologie dienden voortaan zelf vervaardigd te worden, wat uiteraard een sterke stimulans betekende voor de Japanse wetenschappelijke instituten. Het groeiende kapitalisme zorgde voor de nodige investeringen. Een belangrijk instituut was het Instituut voor Onderzoek in de Natuurwetenschappen (Rikagaku kenkyūjo 理化学研究所), waar autoriteiten als Takamine Jōkichi en Nishina Yoshio hun krachten bundelden. Een andere geleerde, Honda Kōtarō 本田光太郎 van de Tōhoku-universiteit staat bekend als de ontdekker van het K.S.-staal, toentertijd het stevigste ter wereld. Aan de universiteit van Tokio werden onderzoekscentra opgericht voor luchtvaart en seismologie. Gericht tegen het eenzijdige ``slik en spui-onderwijs en het allesoverheersend nationalisme kwam er een stroming op gang die vrij en autonoom onderwijs voorstond, de zogenaamde Nieuw Onderwijs-beweging. Echt veel succes kende ze niet, al werden op sommige plaatsen toch vrij verregaande alternatieve onderwijsplannen gerealiseerd. In de lagere school die afhing van de Normaalschool voor Meisjes te Nara (Nara joshi kōtō shihan gakkō fuzoku shōgakkō 奈良女子高等師範学校付属小学校) werd b.v. het vak Algemene Vorming ingevoerd. Daarnaast waren er privé-scholen die op socialistische idealen geïnspireerd onderwijs verschaften, zij het door overheidsrepressie gehinderd. Dit soort alternatieve onderwijsverstrekking was uiterst schaars, maar zou toch een startpunt vormen voor een democratischer onderwijstype na de Tweede Wereldoorlog.
Humane wetenschappen
Onder de invloed van de democratische gedachten ontstonden ook in de menswetenschappen vernieuwende strekkingen. De groei van een elite die over kennis en vorming beschikte, werd vervolgens de motor voor een bredere en algemenere ontwikkeling van de massa.
De filosoof Nishida Kitarō 西田幾太郎, die reeds actief was tijdens de Meiji-periode, publiceerde in 1911 zijn Zen no kenkyū 善の研究 ("Onderzoek van het Goede"), nog steeds het meest gelezen filosofische werk van de hand van een Japanner.
Een ander bekend werk van hem is Jikaku ni okeru chokkaku to hansei 自覚における直覚と反省 ("Intuïtie en reflectie in het zelfbewustzijn"). Ook Kuwaki Genyoku 桑木厳翼, een Kant-kenner, verdient vermelding. Hij was de pionier van de analytische filosofie in Japan. In het algemeen kregen het idealisme en het humanistische denken ruime belangstelling van de intelligentsia.In de Rechtswetenschap vermelden we Minobe Tatsukuchi 美濃部達吉 (1873-1948), hoogleraar aan de Universiteit van Tokio, die de theorie van de Keizer als overheidsinstelling, de zogenaamde Tennō kikan-setsu 天皇機関説 poneerde, waarna een controverse uitbrak met Uesugi Shinkichi, die voorstander was van de theorie van het goddelijke recht van de keizer, de zogenaamde Tennō shinken-setsu 天皇神権説. De stelling van Minobe strookte wonderwel met de idee van constitutionele democratie (Minpon shugi 民本主義) van Yoshino Sakuzō(1878-1933), dat karakteristiek voor de periode van de Taishō-democratie mag genoemd worden. Een andere vooraanstaande figuur was Nakata Kaoru, grondlegger van de Japanse rechtsgeschiedenis.
De hoger vernoemde stelling dat de keizer een overheidsinstelling is, hield in dat de Staat moest beschouwd worden als een juridisch lichaam, dat de soevereiniteit bij de overheid lag en dat de Keizer alleen maar de emanatie, het orgaan was van deze staatssoevereiniteit. In de jaren twintig was die visie overwegend en "bon-ton" in de "denkende" kringen, maar bij de aanvang van de Shōwa-periode werd ze door militairen en rechtse nationalisten op de korrel genomen. Uiteindelijk leidden de polemieken tot een parlementair verbod op het verkondigen van deze theorie.
De economische wetenschappen ondergingen grote invloed van het Duitse liberale denken. De belangrijkste economist was Fukuda Tokuzō die in Duitsland had gestudeerd onder Ludwig Joseph Brentano. Hij was professor aan het College voor Handelswetenschappen in Tokio. Onder invloed van de opkomende socialistische beweging raakte ook de marxistische economie ingeburgerd in academische kringen. Haar belangrijkste exponent was Kawakami Hajime, vertaler van "Das Kapital". Omwille van zijn politieke overtuiging zat hij tijdens de jaren dertig meestal in de gevangenis. In de historische wetenschappen genoten Shiratori Kurakichi en Naitō Torajirō grote bekendheid als kenners van de Westerse - en de wereldgeschiedenis. Maar ook de Japanse archeologie kende een grote bedrijvigheid. De belangrijkste oudheidkundige was Tsuda Sōkichi 津田左右吉 (1873-1961), die van 1920 tot 1940 aan de Waseda-universiteit doceerde. Hij publiceerde kritische studies over de aardrijkskunde en de geschiedenis van Mantsjoerije, over Chinees Confucianisme en Taoïsme en over de Japanse oudheid. In 1940 publiceerde hij een boek over de Kojiki en Nihonshoki, waarin hij de goddelijke afstamming van Japan van de hand wees. De overheid plaatste het boek op de index. We vermelden verder Nishida Naojirō 西田直二郎, hoogleraar aan de universiteit van Kioto en grondlegger van de discipline cultuurgeschiedenis in Japan. Vermelding verdient ook Yanagita Kunio 柳田国男, de pionier van de folklore-studie en heemkunde in Japan.
Modernisering van de levenscultuur
Aanpassing van het alledaagse bestaan
In de Taishō-periode onderging het dagelijks leven een grote mate van modernisering en verwestering, niet meer alleen in de steden, maar in vrij grote mate ook op het platteland. Eerst en vooral op het gebied van kleding, haardracht, voeding, maar nadien volgden elektriciteit, gas, waterleiding, vanuit de steden naar de kleinere dorpen. Na de aardbeving onderging Tokio een grondige verandering door het oprichten van de eerste gebouwen in gewapend beton.
Vermaak voor de massa
Vrij snel kwam er een eigen filmindustrie van de grond en vanaf 1925 werden regelmatig radio-uitzendingen verzorgd. De muziek stond onder sterke Westerse invloed en vooral na de Eerste Wereldoorlog verzorgden vele artiesten een optreden in Japan. Elke ``moderne stad richtte een eigen symfonie-orkest op.
Ook sport als massavermaak werd erg populair, in de eerste plaats honkbal. In 1912 zond Japan voor het eerst atleten naar de Olympische Spelen in Stockholm. In 1915 werd gestart met een honkbal-tornooi voor de middelbare scholen, dat nu nog steeds erg populair is.
Op andere terreinen bevorderde de gestage opgang van democratische gedachten de groei van een intelligentsia met een brede interesse. Het politiek mondiger worden van het volk zorgde op zijn beurt voor een opbloei van journalistiek en een zeer breed informatief aanbod.
Literatuur
De bloei van de uitgeverswereld en de journalistiek zorgde samen met de verbetering van het onderwijsniveau voor een grote interesse bij het grote publiek voor de literatuur in de brede zin van het woord. In deze literatuur zaten tevens democratische of democratiserende en humanistische tendensen.
Gevestigde schrijvers
In het naturalistische genre vermelden we Shimazaki Tōson 島崎藤村, die onder meer Shinsei 新生 ("Nieuwe leven") publiceerde, Tokuda Shūsei en de toneelschrijver Masamune Hakuchō. Daartegenover stonden idealistische schrijvers als Mori Ogai 森鴎外, of de meer op het "ik" gerichte auteur Natsume Sōseki 夏目漱石 met zijn beroemde roman Kokoro ("Gemoed"). Nagai Kafū en Tanizaki Junichirō werden beschouwd als de voornaamste auteurs van de esthetiserende strekking.
De Shirakaba-school
Het medium waarin de vernieuwing van de Taishō-literatuur het best tot uitdrukking kwam, was het literaire tijdschrift Shirakaba 白樺 ("Zilverberk"), dat verscheen van 1910 tot 1923. Het was de spreekbuis van een generatie jonge schrijvers die idealisme en humanisme propageerden, tegen het naturalisme in. Zij probeerden in hun werk de tegenstellingen waarmee de nieuwe Japanse intellectueel werd geconfronteerd zo eerlijk mogelijk te illustreren, wat hen een grote herkenbaarheid gaf voor de Japanse maatschappij in de overgang van gisteren naar morgen. De belangrijkste schrijvers waren Mushanokōji Saneatsu 武者小路実篤 (1885-1976), Shiga Naoya 志賀直哉 (1883-1971) en Arishima Takeo 有島武郎 (1878-1923). Zij probeerden hun idealisme niet alleen in de literatuur te realiseren, maar Mushanokōji was ook actief bij het scheppen van nieuwe leefgemeenschappen, "nieuwe dorpen" (atarashiki mura 新しき村), in de prefecturen Miyazaki en Saitama. Arishima die contact had gehad met de anarchist Kropotkin, zette zich in voor de emancipatie van de landbouwers.
De Shinshichō-stroming
Ongeveer gelijktijdig verscheen het tijdschrift Shinshichō 新思潮 ("Nieuwe gedachtenstromingen"), dat weliswaar minder populair was en aanvankelijk vrij onregelmatig verscheen tot 1916-1917, maar vanaf dan groeide het uit tot een vaste waarde. De twee stuwende figuren van dit tijdschrift waren Akutagawa Ryūnosuke 芥川龍之介 (1892-1927) en Kikuchi Kan 菊池寛 (1888-1948), intellectuele stilisten die tevens een soort van neorealisme nastreefden. Akutagawa begon als leerling van Natsume Sōseki. Akutagawa was een groot twijfelaar, zowel wat zijn eigen kunnen betreft, als in verband met de richting die hij wilde uitgaan. Deze eigenschappen leidden tot een soort nihilisme dat hem naar zelfmoord dreef. Deze zelfmoord heeft hem, natuurlijk naast zijn literaire kwaliteiten, onsterfelijk gemaakt. Zijn zelfmoord werd sacrosanct verklaard als uiting van het ultieme gebaar van de mens van goede wil, intellectueel op drift geraakt in een doldraaiende wereld. Tot zijn nagedachtenis werd in 1935 de Akutagawa-literatuurprijs ingesteld door het tijdschrift Bungei Shunjū.
Proletarische literatuur
Pioniers van de socialistische beweging zoals Osugi Sakae hadden een invloed op de arbeidersliteratuur, die haar waarschijnlijk hoogtepunt vond in het boek Umi ni ikuru hitobito 海に生くる人々 ("De mensen die op zee leven") van Hayama Yoshiki 葉山嘉樹 (1894-1945). De beweging sponsorde een hele rits tijdschriften, waarvan de voornaamste Tanemaku Hito 種蒔く人 ("De zaaier"; eerste nummer verscheen in 1921), Bungei Sensen 文芸戦線 ("Artistieke frontlijn"; eerste nummer in 1924), enz. In het begin van de Shōwa-periode officialiseerde de beweging zich zelfs met de naam Zen-nihon musansha geijutsu renmei 全日末ウ産者芸術連("Japanse Landelijke Liga voor Proletarische Kunst"), afgekort Nappu ナップ. De belangrijkste figuur binnen deze vereniging was Kobayashi Takiji 小林多喜二 (1903-1933), die omwille van zijn propaganda in de gevangenis belandde en er misschien wel vermoord werd. Tenslotte vermelden we Tokunaga Sunao 徳永直 (1899-1958), een schrijvende arbeider, auteur van Taiyō no nai machi 太陽のない街 ("De stad waar de zon nooit schijnt").
Massaliteratuur (pulp)
Naarmate lezen een massa-activiteit werd, ontstond het verschijnsel pulp, een genre waarin beroemde naast kleine schrijvers werkzaam waren. Een van de reuzen van het genre was Nakazato Kaizan 中里介山, die in de Miyako Shinbun (``Hoofdstedelijke krant) een ontzettend lang lopend vervolgverhaal Daibutsu tōge (``De pas van de Grote Boeddha) had lopen, een verhaal gebaseerd op boeddhistische ideeën. Een ander schrijver werd vooral beroemd om zijn historische evocaties. Musashi van Yoshikawa Eiji 吉川英治 behoort nog steeds tot de populaire lectuur en er werden TV- en drama-bewerkingen van gemaakt.
Poëzie
Sinds het einde van de Meiji-periode kende de neoromantiek een grote bloei. De bekendste dichters waren Kitahara Hakushū 北原白秋, Kinoshita Mokutarō en Miki Rofū. Hierop volgde een idealistische stroming met als voornaamste figuren Senke Motomaro en Murō Saisei. In de tweede helft van de Taishō-periode trokken de ``esthetische dichters Takamura Kōtarō 高村光太郎 en Hagiwara Sakutarō 萩原朔太郎 de aandacht. In waka, de traditionele dichtkunst, bleef de groep rond het tijdschrift Araragi de voornaamste plaats bekleden met onder meer Saitō Mokichi 斉藤茂吉 (1882-1953) en Shimaki Akahiko 島木赤彦 (1876-1926). Deze laatste was voorstander van realisme.
De Schone Kunsten
Evolutie
De Westerse schilderkunst had reeds vroeg in de Meiji-periode zijn adepten gevonden, maar in de Taishō-periode werden de traditionele stijlen opnieuw naar waarde geschat dank zij de beweging tot herwaardering van de Japanse kunst. In beide stijlrichtingen valt vooral de reactie tegen het academisme op tijdens de Taishō-periode. Er was meer streven naar authenticiteit, originaliteit en frisheid.
Vanaf de Meiji periode genoten de traditionele schilders als Yokoyama Taikan 横山大観 (1868-1958), Shimamura Kanzan 島村観山, Takeuchi Seihō 竹内栖鳳, 鏑木清方, faam, tijdens deze periode aangevuld met Hirafuku Hyakusui 平福百穂 (1877- 1933), ook bekend als waka-dichter, Kobayashi Kokei 小林古径 (1883-1957), Yasuda Yukihiko 安田靭彦 (1884-1978), Kawabata Ryūshi 川端竜子, Maeda Seison, enz. Yokoyama en Shimamura stapten aan het eind van de Meiji-periode uit de Bunten 文展 (=Monbushō tenrankai 文部省展覧会), het door het ministerie van onderwijs georganiseerde kunstsalon dat zij te conservatief vonden en stichtten de Academie voor Japanse Kunsten (Nihon bijutsuin 日本美術院, organisator van een alternatief salon, de Nihon bijutsuin tenrankai, kortweg Inten 院展. Zij pleitten voor het tolereren van evolutie binnen aloude Japanse stijlen. Hun invloed veroorzaakte een nieuwe oriëntatie binnen het Bunten, dat na reorganisatie de naam Teikoku bijutsuin 帝国美術院 kreeg. In het kader van de Bunten leefde vooral de Westerse manier van schilderen. De olieverfschilder Ishii Hakutei 石井柏亭 (1882-1958) vormde samen met Arishima Ikuma 有島生馬(1882-1974) de Nika-kai 二科会. Hierbij sloten zich Kishida Ryūsei 岸田劉生 (1891-1929), Yasui Sōtarō 安井曽太郎 (1888-1955) en Umehara Ryūzaburō 梅原龍三郎(1888- ) aan. Tot ver in de Shōwa-periode heeft deze Nika-kai een stuwende rol gespeeld bij het doorbreken van goede schilders. Binnen de Nika-kai ontstonden er afdelingen die een bepaald aspect van de picturale kunst als specialiteit gingen behartigen. Nu bestaan er afdelingen voor olieverf schilderen, beeldhouwen, commerciële kunsten, fotografie en kunstgeschiedenis. De beeldhouwkunst kende niet zo'n spectaculaire ontwikkeling als de schilderkunst. Te onthouden namen zijn Asakura Fumio, de lyrische Fujii Koyū die trouwens ook als dichter bekendheid genoot zoals de hierboven vermelde Takamura Kōtarō.
Nieuwe trends in het theater
In het kabuki werd eerst en vooral voortgeborduurd op de vernieuwingen van de Meiji-periode. Een van de bekendste acteurs was Nakamura Kichiemon 中村吉衛門 die zich vooral specialiseerde in historische drama's.
In het moderne drama, Shingeki 新劇 genaamd, werd in 1913 door Yamamura Hōgetsu en de actrice Matsui Sumako de toneelgroep Geijutsu-za 芸術座 opgericht, die grote bekendheid verwierf door de opvoering van westerse stukken (Ibsen, Tolstoi, enz.). Na de dood van de stichters verliet Sanada Shōjirō het gezelschap en stichtte een nieuwe groep, Shin-kokugeki 新国劇 genoemd, die met volkse mantel- en degenspelen enorme populariteit verwierf bij de massa. Aan het andere uiterste van het nieuwe theaterspectrum zag men de oprichting van het Tsukiji Shōgekijō 築地小劇場 ("Het kleine theater van Tsukiji") in 1924 door de toneelschrijver en acteur Osanai Kaoru 小山内薫 die met zijn experimentele uitvoeringen en zijn vertalingen van Ibsen, Tchekow en Gorki grote successen kende. Omdat hij voornamelijk sociaal bewogen thema's, en dan nog wel van Russische schrijvers, op de planken bracht, werden zijn activiteiten door de overheid onderdrukt. In 1930 werd de groep ontbonden.

