Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

De al te grote concentratie van macht in de handen van een kleine groep bewindslieden (oligarchie) riep een sterke oppositie in het leven. De ontevredenheid vond men vooral onder de ex-samurai. Misnoegdheid barstte geregeld uit in geweld, maar werd ook gekanaliseerd in een beweging die ijverde voor vrijheid en burgerrechten. De drie voornaamste doelstellingen van de beweging waren de oprichting van een parlement, verlaging van de grondbelasting en herziening van de onrechtvaardige verdragen. Na de Seinan-rebellie kreeg de beweging de wind in de zeilen, toen de bevolking beurtelings te lijden had van inflatie en deflatie. De overheid reageerde sussend, maar onderdrukte brutaal de radicale elementen. Zij streefde een bestuurlijke structuur na waarvan de keizer de top en de spil moest vormen. Deze doelstelling kreeg haar beslag in de eindredactie van de grondwet van het Grote Japanse Keizerrijk. De grondwet reikte enkel een soort wettelijke structuur aan, en gaf aan de Japanse politiek het uiterlijke aanschijn van een (voor de normen van die tijd) democratisch en grondwettelijk bewind. Ook na de installatie van een parlement bleef de regering gedomineerd door enkele voormalige han. Niettemin begonnen politieke partijen, omwille van de groei van het kapitalisme en het ontstaan van een burgerij, een belangrijke rol in het politieke leven van Japan te spelen.

Ontstaan van de beweging voor vrijheid en burgerrechten

De Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten begon als een protest tegen de autocratische overheid. Al bestond ze bij haar oprichting voornamelijk uit ontevreden ex-samurai en kwam ze vooral op voor de rechten van deze groep, toch evolueerde ze naar een bredere beweging die de burgerlijke vrijheden voor het volk opeiste. De overheid kon de beweging een tijdlang onderdrukken, maar tijdens de Seinan-rebellie, toen debatten over vrijheid van meningsuiting de politieke wereld beheersten, herleefde ze. Ze speelde handig in op de noden van het gewone volk, en op de wensen van welvarende boeren en handelaars, die inspraak wensten in de aanwending van hun belastinggeld. Zo werd het een nationale beweging. De politieke hervormingen van 1881(Meiji 14) realiseerden grotendeels haar doelstellingen en er ontstonden barsten in de beweging, ook omwille van nutteloze discussies over de deflatie en de mogelijkheden om ze op te vangen. Een radicale linkerzijde scheurde zich af en bracht door haar drieste acties de beweging in diskrediet. Ze verloor het vertrouwen van de bevolking en verpieterde.

Opkomst van de beweging

De Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten (Jiyū Minken Undō 自由民権運動) stelde dat de mens de natuurlijke rechten van vrijheid en gelijkheid bezit. Deze rechten zijn hem door de hemel gegeven (tenpu jinken 天賦人権). Dit principe vormde het bindmiddel tussen vele ontevreden groepen in de maatschappij. De beweging werd gelanceerd door voormalige ministers en regeringsambtenaren die ongelijk hadden gekregen in het Korea-dispuut en naar hun geboortestreek (vooral Tosa en Hizen) waren teruggekeerd.

Petitie voor door het volk gekozen representatieve organen.

In Tosa hadden reeds op het einde van de Edo-periode voorstanders van vrije meningsuiting en verkiezingen van zich laten horen. Ze waren evenwel niet sterk genoeg om tot een echte politieke beweging uit te groeien. Hun nieuwe ideeën vormden wel de voedingsbodem voor politici als Itagaki Taisuke, Gotō Shōjirō 後藤象二郎, Etō Shinpei en Soejima Taneomi, toen die wegens hun ongelijk in het Korea-dispuut de centrale overheid de rug hadden toegekeerd en naar hun provincie waren weergekeerd. Samen met enkele medestanders richtten zij in januari 1874 een petitie tot het Sain 左院, het hoogste wetgevende orgaan, waarin zij om de oprichting van representatieve organen vroegen. Dat zou de eerste stap zijn naar de oprichting van deliberatieve raden en een parlement, waardoor een einde zou komen aan het autocratische bestuur. Enkele politici werkten zeker aan de beweging mee uit persoonlijke ambitie. De petitie werd gepubliceerd in een door de Schot John Reddie Black uitgegeven krant en veroorzaakte een enorme deining, maar werd als voorbarig afgedaan, zodat hervormingen uitbleven. Democratisch in de hedendaagse betekenis van het woord was de petitie niet. Zij eiste inspraak voor belastingbetalers, dus voor ex-samurai, welvarende boeren (gōnō 豪農) en handelaars, voor die tijd toch behoorlijk vernieuwend.

Ontstaan van politieke organisaties en partijen

Rond de tijd dat deze petitie werd overhandigd, ontstonden her en der in den lande politieke genootschappen die sterke kritiek uitten op het door Satsuma en Chōshū gedomineerde autocratische bewind. In januari 1874 richtten Gotō Shōjirō en Itagaki Taisuke in Tōkyō de Aikoku kōtō 愛国公党('Publieke Partij van Patriotten') op, die moest dienen als een organisatie waarbinnen politici konden werken buiten en boven het factionalisme. Ideologisch steunden ze op de Hemelse rechten van de mens, maar ondanks de nobele beginselen slaagde de partij er niet in steun te krijgen bij brede lagen van de bevolking.

Na deze mislukking keerde Itagaki terug naar zijn oude han, Tosa. Daar stichtte hij, samen met Kataoka Kenkichi 片岡健吉, eveneens uit Tosa, die de Amerikaanse instellingen had bestudeerd,en Hayashi Yūzō 林有造 een nieuwe partij, Risshi-sha 立志社('Genootschap voor Zelfhulp'). Haar eerste doelstelling was het steunen van verarmde samurai. Al snel ging ze een belangrijke rol spelen in de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten, door via toespraken en publikaties de nieuwe gedachten te verspreiden. Ook in andere streken van Japan werden gelijkaardige genootschappen opgericht.

Om de krachten te bundelen, besloten de leiders van deze genootschappen een partij op te richten. Op een meeting te Ōsaka in februari 1875 werd het Patriottisch Genootschap (Aikoku-tō 愛国党) opgericht. Dit was Japans eerste echt nationale politieke vereniging. Zij koos haar hoofdkwartier in Tōkyō. Zij bleef actief tot aan de oprichting van de Partij voor Vrijheid (Jiyū-tō 自由党).

De reactie van de regering

Toen de beweging opkwam, was Ōkubo Toshimichi de meest invloedrijke bewindsman in het Meiji-bestuur. Hij besefte dat hervormingen noodzakelijk waren. In een eerste fase ging hij omzichtig te werk. Hij belegde in februari 1875 een conferentie te Ōsaka met als deelnemers, naast zichzelf, Kido Kōin, die uit de regering was gestapt na zijn afkeuring van de Taiwan-campagne, Itagaki Taisuke en de latere premier Itō Hirobumi. Alle partijen kwamen overeen langzaam maar zeker te streven naar de oprichting van een grondwettelijk parlementair stelsel, dat rekening zou houden met de scheiding der machten.

Kido en Itagaki werden opnieuw in de regering opgenomen en de resultaten van de conferentie werden een soort regeringsprogramma. Een eerste tegemoetkoming was het oprichten van een wetgevend orgaan, de Genrōin 元老院, in 1875. Dit was een versmelting van de Hoven van Links en Rechts (Sain en Uin). Het werd belast met het bestuderen en formuleren van nieuwe wetsontwerpen en een grondwet. De leden ervan werden door de keizer aangeduid. Het poogde zich te profileren als een tegenwicht tegen de regering, met andere woorden de rol te spelen van wetgever die de uitvoerende macht controleert. De regering slaagde er echter in de invloed van de Genrōin te beperken. Itagaki gaf er daarom in oktober van datzelfde jaar (1875) reeds de brui aan. Hij nam ontslag om zich weer geheel voor de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten te kunnen inzetten. Volgens hem was de centrale overheid te halfslachtig bij het invoeren van hervormingen.

Ōkubo Toshimichi had gepoogd de voornaamste leiders van de beweging voor Vrijheid en Burgerrechten aan zich te binden en was daar tijdelijk in geslaagd. Daarnaast probeerde hij ook greep te krijgen op de meningsuiting. Er werd een wet inzake laster afgekondigd, en een wet inzake dagbladjournalistiek, die aan alle dagbladen een vergunning oplegde, bepaalde dat alle stukken ondertekend moesten worden, en censuur uitoefende op ideologisch gevaarlijke artikelen. De vrije pers in Japan had slechts een kort, zij het vruchtbaar leven geleid. Zelfs voor de oppervlakkige toeschouwer werd nu wel duidelijk hoe weinig hervormingsgezind Ōkubo in feite was.

Verdere ontplooiing van de beweging

Heropleving van de beweging

Vanwege de repressieve maatregelen en de opname van Itagaki in de regering geraakte de beweging tijdelijk in het slop, maar nadat de Seinan-opstand was neergeslagen, zag een groot deel der malcontenten in dat geweld weinig kans maakte en dat ze best aansloten bij het politiek verzet. Zo kreeg de beweging vers bloed. Kataoka Kenkichi (1843-1903) publiceerde in juni 1877 als voorzitter van het Genootschap voor Zelfhulp een 'Voorstel tot oprichting van een parlement'. Een jaar later kreeg ook het Patriottisch Genootschap weer wind in de zeilen. De ex-samurai kregen de steun van de boeren, die belastingverlaging eisten, en het volk, dat inspraak eiste in de politieke besluitvorming. Zodoende werd de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten een breed platform voor ex-samurai, boeren, grondeigenaars en het gewone volk.

Voorbereidselen tot de oprichting van een parlement

Tegen het jaar 1880 begonnen van overal in den lande petities voor de oprichting van een parlement toe te stromen. Het Patriottisch Genootschap overhandigde in april een petitie getekend door meer dan 87.000 mensen uit 24 prefecturen. Binnen het genootschap was een aparte actiegroep voor dit doel opgericht. De andere politieke groeperingen vreesden dat het Patriottisch Genootschap deze actie zou monopoliseren en stichtten een tweede alliantie met hetzelfde doel, de Liga voor de Oprichting van een Parlement (Kokkai Kisei Dōmei 国会期成同盟). Beide organisaties zouden later fuseren en zo het ontstaan geven aan de Partij voor Vrijheid (Jiyū-tō). De pers speelde een belangrijke rol in het bewustwordingsproces, in die mate dat op 3 maart 1881 Saionji Kinmochi, een edelman, samen met Nakae Chōmin de Tōyō Jiyū Shinbun 東洋自由新聞('Courant voor Vrijheid in het Oosten') oprichtte. Saionji was hoofdredacteur, maar zijn politieke ideeën werden niet gewaardeerd door de overheid en de krant kreeg na nauwelijks een maand publicatieverbod. Ondanks haar weigerachtige houding kwam de overheid steeds meer onder druk om tot de creatie van een parlement over te gaan. Beteugelende maatregelen op meetings zoals de wet op de samenscholing (Shūkai Jōrei 集会条例) van 1880, die een meldingsplicht inhield, politietoezicht tijdens de vergaderingen, en een vergunningsstelsel voor politieke partijen konden het tij niet doen keren.

De omwenteling van het viertiende jaar van Meiji

In deze periode van toenemende politieke bewustwording kwam in 1881 een groot politiek schandaal aan het licht, bekend als het 'incident van de verkoop van overheidsbezit door de commissaris voor Ontwikkeling' (kaitakushi kan'yūbutsu haraisage jiken 開拓使官有物払い下げ事件). Net voor de opheffing van het commissariaat voor de Ontwikkeling van Hokkaidō werd commissaris Kuroda Kiyotaka betrapt op pogingen om winstgevende bedrijven tegen een prikje te verkopen aan de in Ōsaka gevestigde handelsfirma Kansai Bōeki Shōkai 関西貿易商会 van de eveneens uit Satsuma afkomstige Godai Tomoatsu 五代 友厚. De bedoeling was om de overheidsbezittingen op Hokkaidō, waarin voor meer dan 14.100.000 yen was geïnvesteerd, te verkopen tegen de prijs van 390.000 yen, te betalen over een termijn van dertig jaar. Toen dit plan uitlekte, brak een storm van protest los. De eis om een parlement op te richten als controleorgaan klonk steeds luider. Ook binnen de regering was er kritiek, met name vanwege Ōkuma Shigenobu, die voorstander was van een snelle invoering van het parlementaire systeem.

De regering werd gedwongen toegevingen te doen. Zij belegde een vergadering in het bijzijn van de keizer en nam de volgende besluiten: er werd een keizerlijk bevel uitgevaardigd waarin de afkondiging van de grondwet uitdrukkelijk werd beloofd. Wel werd er een termijn van negen jaar in het vooruitzicht gesteld.

De verkoop van overheidsbezittingen op Hokkaidō aan de Kansai Bōeki Shōkai ging niet door. Ōkuma Shigenobu en zijn medestanders werden ontslagen.

Dit laatste punt was een overwinning voor de regering. Ōkuma was immers een outsider uit Hizen in de door Satsuma en Chōshū gedomineerde regering. Na de moord op Ōkubo Toshimichi in 1878 was hij niettemin de belangrijkste figuur in de regering geworden. Omdat hij uit een kleinere han stamde, moest hij voortdurend een aantrekkelijk programma aan de anderen bieden om hun steun te verwerven. Daarom steunde hij waarschijnlijk de oprichting van een parlement naar Brits model. Hij maakte zich echter onmogelijk bij Satsuma en Chōshū, die voor hun privileges vreesden. Op initiatief van Itō Hirobumi werden Ōkuma en zijn medestanders, de minister van Landbouw en Handel Kōno Togama 河野敏鎌, minister van Postwezen Maejima Hisoka 前島密, de latere eerste minister Inukai Tsuyoshi 犬養毅, de kampioen van de burgerrechten Ozaki Yukio 尾崎行雄 en anderen uit de regering gezet. Deze hervorming wordt de omwenteling van het viertiende jaar van Meiji genoemd. Zij resulteerde in een trage tegemoetkoming aan de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten - het parlement zou er komen - maar ook in een versteviging van de greep van Chōshū op de politiek. Itō Hirobumi en Inoue Kaoru, beide uit Chōshū, werden de meest invloedrijke figuren.

Het ontstaan van politieke partijen en de Beweging voor Politieke Rechten

Reactie van de overheid op het ontstaan van politieke partijen

Als voorbereiding op een rol in het parlement richtte Itagaki Taisuke in 1875 de Partij voor Vrijheid (Jiyū-tō 自由党) op, waarvan hij voorzitter werd. De partij was ontworpen naar Frans model. Ze was vrij radicaal en vond aanhang bij ex-samurai, handelaars, industriëlen en landbouwers. Ōkuma Shigenobu volgde in 1882 met de Constitutionele Partij voor Vooruitgang (Rikken Kaishin-tō 立憲改進党), naar Brits model en iets gematigder. Hij werd de eerste voorzitter. Hij kreeg de steun van landeigenaars, kapitalisten en intellectuelen. Als reactie steunde de overheid de oprichting van een neppartij, de Constitutionele Partij voor een Keizerlijk Bewind (Rikken Teisei-tō 立憲帝政党) onder leiding van Fukuchi Gen'ichiro. Deze laatstgenoemde partij bestond slechts een jaar (1882-1883), maar de andere twee bloeiden. Vooral Itagaki Taisuke was een charismatisch en populair leider. Toen hij bij een aanslag in Gifu gewond werd, deed een slogan de ronde: "Al sterft Itagaki, de vrijheid is onsterfelijk". Voor Japan waren er opvallend veel vrouwen betrokken bij de politieke campagnes, zo bijvoorbeeld Kishida Toshiko, de latere vrouw van de ondervoorzitter van de Partij voor Vrijheid Nakajima Nobuyuki 中島信行, en Fukuda Hideko 福田英子, alias Kageyama Hideko 影山英子, een maatschappelijk werkster.

Opheffing van de Partij voor Vrijheid

Het geringe succes van haar eigen partij zette de overheid ertoe aan andere middelen te zoeken. De wet op de samenscholing werd verscherpt en de overheid zaaide verdeeldheid tussen de Partij voor Vrijheid en de Constitutionele Partij voor Vooruitgang om ze tot wetsovertredingen te verleiden. Om de gemoederen te bedaren, besloot Itagaki in november 1882 om samen met Gotō Shōjirō een reis naar het buitenland te ondernemen. De Constitutionele Partij voor Vooruitgang maakte van zijn afwezigheid gebruik om aan zijn aanhang te knabbelen. De Partij voor Vrijheid kreeg gebrek aan fondsen om campagne te voeren en het aantal leden liep terug. De afwezigheid van Itagaki liet zich sterk gevoelen, aangezien de andere leiders van weinig politieke vindingrijkheid blijk gaven. Toen radicale tendensen de kop opstaken, werd eind oktober 1884 besloten de partij op te heffen. In datzelfde jaar staakte ook de partij van Ōkuma Shigenobu haar activiteiten.

Radicalisering van de linkerzijde

De tanende invloed van de Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten veroorzaakte een verlinksing, in de hand gewerkt door het soberheidsbeleid van Matsukata. In verscheidene regio's werden Konmin-tō 困民党(Partij voor Behoeftigen) gesticht. Eerst reageerden ze tegen te hoge pachtrente en de belastingen, maar al snel namen ze radicaler standpunten in en propageerden gewapende opstand om het pachtstelsel totaal af te schaffen. Er braken een hele reeks incidenten uit.

De Grote Coalitiebeweging (Daidō Danketsu Undō 大同団結運動)

De Beweging voor Vrijheid en Burgerrechten verloor gedurende enige tijd veel van haar elan, maar flakkerde vanaf 1887 weer op. Minister van Buitenlandse Zaken Inoue Kaoru was rond deze tijd bezig met te onderhandelen over de herziening van de verdragen met het Westen, maar de radicalen beschouwden zijn inspanningen als onvoldoende en de richting die de onderhandelingen uitgingen als te onderdanig tegenover Europa. Ze leverden hevige kritiek op de overheid. Gotō Shōjirō deed een oproep tot alle progressieve elementen en stichtte de Teigai-club (Teigai kurabu 丁亥倶楽部), die het voortouw van de Grote Coalitiebeweging nam. Om tegen de buitenlandse druk te kunnen optornen, moesten de Japanners hun geschillen opzijzetten en solidair aan de opbouw van het land werken. De overheid moest het land besturen overeenkomstig de wil van het volk. Diverse belangrijke figuren publiceerden open brieven waarin de volgende eisen aan de regering gericht werden: - vrijheid van vergaderen en vrijheid van meningsuiting; - een nieuwe en meer assertieve diplomatieke koers; - verlaging van de grondbelastingen.

De regering trad zeer repressief op tegen de Daidō Danketsu Undō. In december 1887 legde het eerste Itō-kabinet zowat 570 activisten voor politieke rechten het verbod op zich in de hoofdstad op te houden. Gotō Shōjirō viel echter niet onder dat verbod en zette zijn activiteiten verder. Toen de beweging tegen 1889 haar vroegere kracht had herwonnen, pleegde Gotō vaandelvlucht en aanvaardde hij de portefeuille van minister van Communicatie in het kabinet van Kuroda Kiyotaka. De beweging verwaterde eens te meer tot een groep die ijverde voor stemrecht van rijke boeren en grondbezitters.