Bedreiging voor de Hōjō-orde
Uit GeschiedenisJapan
Interne moeilijkheden
De Jōei-code vormde het wettelijke kader van de onafhankelijke bakufu-administratie, doch was alleen op de gokenin van toepassing. De hovelingen van Kyōto en de bushi die geen gokenin waren, bleven een moeilijk te controleren groep, die steeds een latent gevaar voor de macht van het bakufu inhield. Maar ook in eigen rangen onder de gokenin zelf ontbrak het niet aan dissidenten. Korte tijd na het Jōkyū-incident spanden de Miura 三浦- en Chiba 千葉-clans, twee pijlers van het bakufu, samen met een zijtak van de Hōjō-clan en riepen een hoveling tot shōgun uit. De regent Tokiyori wist de Miura-clan tot revolte te provoceren en vernietigde haar in 1247. Ook daarna echter had de Hōjō-clan regelmatig met samenzweringen rond de shōgun of opstanden van de Inspecteur-Generaal van Rokuhara af te rekenen.
Inmiddels ging de hoofdtak van de Hōjō-clan, de Tokusō 得宗 genaamd, door met steeds meer hoge ambten te monopoliseren. Zij leverde niet alleen de regent maar bezette nu ook alle zetels in de Staatsraad (hyōjōshū) van het bakufu, en ging bovendien meer en meer ambten van politiecommissaris (shugo) in de provinciën bekleden. Eén en ander verhoogde nog het antagonisme van de vazallen.
De omstandigheden maakten het de Hōjō al evenmin makkelijk. Tijdens de dertiende eeuw braken er meerdere grote hongersnoden uit, om nog te zwijgen van aardbevingen en tyfoons. De verpauperde en uitgehongerde boeren werden als slaaf gekocht en verkocht, zodat het bakufu herhaalde malen een verbod op mensenhandel diende uit te vaardigen. Roversbenden maakten het land onveilig en rentmeesters bezondigden zich aan schromeloze uitbuiting.
Externe bedreiging
Alsof dit alles nog niet voldoende was, kreeg het land met twee grootscheepse invasies van de Mongolen af te rekenen, in de jaren 1274 en 1281. In de jaren 1270 was de Mongoolse heerser Qubilai Khan bezig met de verovering van heel China. Als erfgenaam van het Chinese keizerrijk wilde hij dat alle staten die zich destijds als vazal van de Táng bekend hadden en tribuutgezantschappen naar China gestuurd hadden zijn gezag zouden erkennen. Hij adopteerde dus noch min noch meer de Chinese notie van China als het centrum van beschaving omringd door barbaren, die aan de Chinese keizer tribuut komen brengen (de notie Huáyi 華夷: China en barbaren). Via Korea, dat zich al als tribuutstaat aan zijn gezag onderworpen had, stuurde hij een gezantschap naar Japan opdat het zich ook zou komen onderwerpen. De Japanners hadden daar echter geen oor naar, meer zelfs, ze lieten het gezantschap ombrengen. Dat kon Qubilai maar matig waarderen.
In 1274 stuurde hij een armada van meer dan 900 schepen met meer dan 30.000 Mongoolse en Koreaanse troepen naar Japan. Het gros van de invasiemacht kwam aan land in Hakata en Hakozaki in Noord-Kyûshû. Tegen de gesloten slagorde, de gifpijlen en het buskruit van de Mongolen konden de slecht voorbereide Japanse samoerai in principe niet op. Om onverklaarbare redenen echter trokken de invasietroepen zich terug op hun schepen, en de armada verdween weer uit het zicht. Dat Qubilai Khan net op dat ogenblik Japan tot zijn vazalstaat wilde maken, had wellicht ook te maken met zijn ambitie om zijn riviertroepen te versterken. Hij was op dat ogenblik nog volop verwikkeld in een hevige strijd met de Zuidelijke Sòng, dat een sterke vloot had. Hij wilde kennelijk zijn troepenmacht versterken met Koreaanse en Japanse eenheden. Dat de armada na amper een paar dagen weer achter de einder verdwenen was, was een onverwacht succes voor de Japanse verdedigers, maar het bakufu vreesde terecht dat die vloot terug zou keren. Het beval daarom de versterking van de kustgebieden en bracht een gezantschap dat Qubilai Khan in 1275 andermaal naar Japan gestuurd had, ter dood, om duidelijk te maken dat het niet op het Mongoolse verzoek wenste in te gaan. Nadat de Mongolen in 1279 de Zuidelijke Sòng te gronde hadden gericht, begonnen ze een nieuwe invasie van Japan voor te bereiden. Dit keer kon Qubilai Khan ook de legers van de voormalige Zuidelijke Sòng inzetten, naast uiteraard de Mongoolse en de Koreaanse divisies. De nieuwe invasiemacht die in 1281 naar Japan stevende, was ongeveer vijf keer zo groot als die van de eerste invasie. De Japanners waren nu echter beter voorbereid en hun kustverdedigingswerken vormden een deugdelijk obstakel dat de Mongolen verhinderde om zo maar aan land te gaan. De eerste poging tot invasie werd dan ook afgeslagen.
Net toen de Mongolen met de verenigde invasietroepen een nieuwe poging ondernamen, stak een storm op die een groot deel van hun schepen tot zinken bracht of zware averij deed oplopen. De storm had voor de Japanners op geen beter moment kunnen opsteken, het was alsof hij door de goden gezonden was. Daarom noemden zij deze redding brengende storm “goden-storm” (kamikaze). De zwaar gehavende Mongoolse armada diende andermaal de aftocht te blazen. Dit keer bleef ze weg voorgoed. Japanse kunstenaars hebben op gedetailleerde wijze verslag in woord en beeld over de mislukte Mongoolse invasie gebracht. Hun werk vormt een kostbare informatiebron over de bewapening en uitrusting van de Mongoolse en Chinese troepen. Daarin zien we onder meer dat de troepen van Qubilai Khan over brandbommen beschikten en dus gebruik maakten van buskruit.
De schokken van de mislukte invasie bleven echter nog lange tijd nazinderen in het Japanse politieke leven en ondermijnden het gezag van het bakufu in Kamakura. Beide keren werd de Mongoolse armada uit elkaar gedreven door een geweldige storm, zodat Japan van vreemde bezetting gevrijwaard kon blijven, maar de gokenin die zich in de strijd tegen de Mongolen verdienstelijk hadden gemaakt, eisten na afloop van het bakufu een beloning. Aangezien zij echter niets meer gedaan hadden dan hun eigen territoria te beschermen, konden zij niet met nog meer grond beloond worden. Er was immers geen nieuwe grond op de vijand buitgemaakt. Daardoor was het bakufu niet in staat haar feodale plicht na te komen, die erin bestond dat zij de diensten van haar vazallen beloonde. Het gevolg was dat de bushi – gokenin zowel als niet-gokenin – die onder de oorlog geleden hadden, op eigen krachten compensatie probeerden te verwerven, door grond af te snoepen van publieke domeinen of shōen, en de boeren nog meer uit te zuigen. Zij die er op deze manier in slaagden zich van de oorlogsschade te herstellen, verwierven meteen een veel grotere onafhankelijkheid t.o.v. de honjo, de ryōke en het bakufu. Ze ontpopten zich tot onafhankelijke landheren (ryōshu), en organiseerden het land en de productieve massa's in een nieuw verband.

