Anti-nucleair beleid

Uit GeschiedenisJapan
Ga naar: navigatie, zoeken

Inleiding

Alle Japanners delen een diepe afkeer voor kernwapens; dit gevoel, gekoesterd in brede lagen van de Japanse maatschappij, overstijgt zelfs verschillen in politieke ideologie en geloof. Het vormt enerzijds een van de fundamenten van de Japans anti-nucleaire houding en anderzijds een uitstekende weerstand tegen nucleaire proliferatie in Japan.

De oorsprong van deze sterk anti-nucleaire houding is te vinden in de tragische ervaring om als enige natie ooit een nucleaire aanval te hebben geleden. De bommen die de V.S. in de maand augustus van 1945 op Japan lieten vallen, maakten in Hiroshima ongeveer 140.000 en in Nagasaki circa 70.000 doden. In de hierop volgende jaren overleden nog een tienduizendtal mensen aan de zogenaamde atoombomziekte, de verzamelnaam voor de verschillende ziektes die zich bij blootstelling aan straling ontwikkelden.

Zelfs vandaag nog lijden vele Japanners aan de nawerkingen van deze blootstelling. Uiteraard hebben Hiroshima en Nagasaki de naoorlogse Japanse cultuur diep beïnvloed. Over de voorbije halve eeuw hebben talrijke boeken, televisie- en radioprogramma's en zelfs stripverhalen en karikaturen over de bom ervoor gezorgd dat de latere generaties de gruwelen van de kernoorlog niet zouden vergeten.

Een andere gebeurtenis die dikwijls wordt overzien door buitenstaanders maar die in dezelfde mate als Hiroshima en Nagasaki de Japanse anti-nucleaire gevoelens heeft gevoed, zijn de kernproeven die in maart 1954 in de Stille-Zuid Zee werden uitgevoerd en die een groep Japanse vissers veel kwaad hadden berokkend. Hoewel de Fukuryū-maru Nr. 5, een Japanse tonijnvissersboot die buiten Japan ook bekend staat als de Geluksdraak, zich op het moment van de ontploffing op 35km afstand bevond van de door de V.S. verklaarde gevaarzone, had deze eerste Amerikaanse waterstofbomtest op het Bikini-eiland met zijn radioactieve neerslag de bemanning van 23 koppen ernstig aangetast. De volledige crew leed aan de atoombomziekte; een bemanningslid stierf en de rest werd voor meer dan een jaar gehospitaliseerd.

De Japanners waren ontsteld en verontwaardigd toen ze vaststelden dat hun landgenoten opnieuw het slachtoffer van kernwapens waren, des te meer omdat de tragedie zich in vredestijd had voorgedaan. Spoedig nadien verscheen in Japan de eerste algemene nationale beweging tegen nucleaire wapens. Tegen het einde van 1954 hadden meer dan 20 miljoen Japanners de Suginami Oproep tot Verbod op Nucleaire en Waterstofbommen ondertekend.

De rol van de regering

In april 1954 werden in beide huizen van het Diet unaniem resoluties goedgekeurd die het verbod op nucleaire wapens en de internationale controle op kernenergie instelden. De ontwikkeling van het anti-nucleaire beleid van de Japanse regering weerspiegelt duidelijk de grote afkeer voor nucleaire wapens.

Sinds het ontwikkelingsprogramma voor kernenergie in het midden van de jaren '50 van start ging, hebben regeringsambtenaren herhaaldelijk verklaard dat deze inspanningen geen teken zijn dat Japan ooit zou overwegen zich nucleaire wapens aan te schaffen. In 1955 nam het Diet de Atoomenergie Basiswet aan: deze beperkt het gebruik van kernenergie tot strikt vreedzame doeleinden. Tijdens de overleggingen over deze wet zei Yasuhiro Nakasone, een van de indieners van het wetsontwerp, dat "wapens die atoomenergie benutten om mensen te doden en te verwonden" moeten worden uitgesloten uit het Japanse programma voor onderzoek en gebruik van atoomenergie.

In april 1958 zei Eerste Minister Nobusuke Kishi tegen het Hogerhuis dat Japan had verkozen geen kernwapens te houden, alhoewel de naoorlogse “Vredeswet” (平和憲法, Heiwa Kenpō) het bezit van kernwapens voor strikt defensieve doeleinden niet verbood.

In mei 1967 liet de directeur-generaal van het Defensiebureau van Japan, Kanehichi Masuda, het Hogerhuis weten dat "de regering, sinds het Kishi-kabinet, de principes heeft in stand gehouden geen kernwapens te produceren, te bezitten of de invoer ervan in Japan toe te staan." Deze standaarden werden in de opmerkingen van Eerste Minister Eisaku Sato in december 1967 en januari 1968 aan het Lagerhuis voorgesteld als de "Drie Niet-nucleaire Principes" (非核三原則, Hikaku San Gensoku) en zij werden in een resolutie door het Diet geformaliseerd in november 1971. Zij worden zowel door de Japanse regering als door het volk beschouwd als nationale principes (kokuze).

Elk bestuur dat hierop volgde, heeft herhaaldelijk zijn onwrikbare steun aan deze principes als deel van het nationale beleid bevestigd. Sato werd zelfs in 1974 de Nobelprijs voor de Vrede toegekend voor zijn acties tegen nucleaire proliferatie, waartoe men zijn steun aan de Drie Niet-nucleaire Principes mag rekenen.

De invloed van de V.S. op het anti-nucleair beleid van Japan

Uit het vorige blijkt duidelijk dat Japanners een sterk anti-nucleair gevoel koesteren en dat zij elke poging tot nucleaire proliferatie zullen veroordelen. Maar ondanks hun oprechte inspanningen moeten zij zwijgend toekijken hoe de V.S. hun land gebruiken als nucleaire basis. De volgende gebeurtenissen zullen deze statement misschien verduidelijken: zoals bij vele bilaterale veiligheidsverdragen die in de late jaren '40 en de in de vroege jaren '50 werden opgesteld, gaf het Veiligheidsverdrag dat Japan in 1951 met de V.S. ondertekende de Verenigde Staten het recht om militaire machten in te zetten in Japan. Vanaf het midden van de jaren '50 was Japan voor de V.S. een van de belangrijkste logistieke centra voor nucleaire oorlogvoering in Azië.

De Amerikaanse eis om de plaatsing van kernwapens in Japan voorrang te verlenen, botste spoedig met de Japanse anti-nucleaire gevoelens. De vervuiling van de Japanse vissersboot Geluksdraak als gevolg van de Amerikaanse Castle Bravo kernproef op het Bikini-eiland in maart 1954, en de daarop volgende bezorgdheid om de contaminatie van vis werkte als een katalysator op de openbare anti-nucleaire gevoelens in Japan.

De regering werd gedwongen zijn standpunt te verdedigen en trachtte de kritiek af te zwakken door te garanderen dat zij het land zou raadplegen voordat zij tot zo’n plaatsing zou overgaan. Minister van Buitenlandse zaken Mamoru Shigemitsu verzekerde het Diet in juni 1955 dat Japan met de Verenigde Staten de afspraak had gemaakt "voorafgaande beraadslagingen" te doen voordat zij ooit nucleaire wapens in Japan zou invoeren;

In de late jaren '50 werden Amerikaanse kernwapens op drie basissen bewaard en naar gewoonte via negen andere basissen in Japan (naast Okinawa) verscheept. Deze kernwapens bestonden niet alleen uit taktische wapens maar ook uit strategische bommen bestemd voor het Strategische Luchtmachtcommando.

Het groeiende conflict rond de anti-nucleaire gevoelens van Japan, gekoppeld aan de beslissing van de NAVO-top te Parijs (oktober 1957) dat de plaatsing van kernwapens in NAVO-landen "met de goedkeuring" van het gastland moest gebeuren, dwongen de V.S. inwendige inspanningen te leveren om een uniform en samenhangend beleid tot stand te brengen dat een antwoord zou kunnen geven op vragen over de plaatsing van kerwapens. Op 2 januari 1958 kwamen elf beambten van het Witte Huis, inlichtingen, de Marine en de Atoomenergie Commissie samen in het Ministerie van buitenlandse zaken om de eerste details van een V.S. beleid naar het bevestigen of ontkennen van de aanwezigheid van nucleaire wapens te bepalen. Het resultaat van de meeting was het Neither Confirm Nor Deny (NCND) beleid dat het nieuwe beleid spoedig een belangrijk werd, incalculeert de U.S benadering naar de veiligheidsverdrag onderhandelingen met Japan. De Japanse regering wilde vroegere raadpleging op kwesties zoals introductie van nucleaire wapens verzekeren, maar een intern Vijfhoek rapport drong dat aan "er moet geen verplichting, geïmpliceerde of expliciete zijn, om Japan een veto macht over de werkgelegenheid van V.S. Machten te gunnen". Zelfs zo was er een realisatie die het "geheel onrealistisch" was te verwachten om Japanse overeenkomst voor de introductie van nucleaire wapens te verkrijgen, hoewel dit "zeer wenselijk blijft". Daarom raadde het rapport aan, het "blijft wenselijk te zoeken om de status-quo met betrekking tot [nucleair] wapens in Japan te handhaven.

Hoewel de Verenigde Staten onwillig was om akkoord naar verdrag taal te gaan die aan het toevertrouwde om vroegere Japanse goedkeuring voor nucleaire plaatsingen in Japan te zoeken, ging het akkoord in een ruil van formele brieven. Dit betekende, in resultaat, dat de Verenigde Staten de nucleaire wapens die stillschweigend terugtrekken zouden zijn opgeslagen worden in Japan in ruil voor zijn nucleaire oorlogsschepen toegestaan te worden om verder naar doorvoer Japanse havens en territoriale wateren te gaan. Enkele crisis met Communistisch China over Taiwan en de crisis in Laos dat in V.S. Vreedzame machten geresulteerd wordt op hoge alerte enkele tijden tijdens de vroege 1960 gezet te worden. Hoewel de politieke aspecten van de V.S.-Japanse veiligheidsverhouding moeizaam tijdens de late-1950s werden uitgewerkt, getuigde het nieuwe decennium dat een van de nucleaire wapens koers in het gebied opwarmend. De V.S. nucleaire houding in de Pacific onderging beduidende veranderingen in de 1960 die de V.S. positie op de toekomstige status van nucleaire machten in Japan en op Okinawa troffen Hoewel de nucleaire transporteurs ongebreidelde toegang tot Japanse havens hadden, wilde de V.S. sommige formulieren van begrip met de Japanse regering over de nucleaire strijdmacht verzekeren. Tijdens gesprekken tussen Japanse minister van buitenlandse zaken Masayoshi Ohira en V.S. Ambassadeur Edwin Reischauer in april 1963, nam Ohira naar verluidt aan dat nucleaire oorlogsschepen doorvoer Japanse havens zouden kunnen. Zo'n bewegingen van nucleaire wapens in Japan boordschepen of vliegtuig waren mogelijk omdat Japan de dubbelzinnigheid aannam die het V.S. beleid van volgde noch bevestigend noch ontkennend de aanwezigheid van nucleaire wapens. Het 1960 Veiligheidsverdrag nam deze dubbelzinnigheid aan en de Verenigde Staten was ongerust te verzekeren dat Japan zo verdergegaan met doen.

Naar de controverse over nucleaire wapens toe te voegen was de V.S. het besluit van Marine te beginnen om schepen en duikboten op "welwillendheid" bezoeken naar Japanse havens nucleair-aangedreven te sturen. Aan een eerste blik was nucleaire macht een verschillende kwestie dat nucleaire wapens, maar in Japan, de twee werden vlug ineengestrengeld in de openbare discussie. Nog ondanks deze eigenaardige en het risico van verder ondergravende aanvaarding van V.S. militaire machten in Japan, drukte de V.S. Marine vooruit met nucleair-aangedreven schip bezoeken. Het eerste bezoek gebeurde in november 1964, toen de aanvalsduikboot die ONS Zee Draak in Sasebo te midden van grote anti-nucleair demonstraties De nucleaire schip bezoeken geleidelijk aankwam voeding en hielpen, volgroei het anti-nucleair beleid van Japan. In de zomer van 1967, dit hielp ingewikkeld de opkomende inspanning te maken om de Ryukyu Eilanden naar Japanse controle terug te keren. Vertegenwoordiger voor de Japanse regering in zowel Washington als Tokio maakten hem opklaart naar de Verenigde Staten dat zij voor terugkeer van de eilanden voor 1970 wilden onderhandelen. De JCS vlug afkeurde dit, die stelde dat een "groeiend agressiviteit" van Communistisch China en de algemene toestand in Zuid-oost Azië hem "voortijdig" maakte om een dienstregeling voor het terugkeren op te stellen waarvoor de eilanden naar Japan.Interne druk in Japan besteeg De eilanden. Een memorandum zond naar President Johnson in augustus 1967 van het Ministerie van buitenlandse zaken verklaarde door dat de Japanse Regering op naar nu in commissaris van sociale zaken reversionist gevoelen in zowel Japan als de Ryukyus in controle heeft meewegerkt, maar het kan niet macht naar deze positie voor lang. In Japan het tekort van vooruitgang in de onderhandelingen deed weinig om de anti-nucleair druk op de Japanse regering te verlichten. Zo in december 1967 werkte Eerste Minister Sato tegen door het schetsen drie niet-nucleaire principes die de basis van Japans nucleair beleid vormen zouden. In antwoord op een vraag in Parlement, Sato verklaarde dat met betrekking tot de belangrijkste eilanden, Japan duidelijk zou toepassen de drie principes: Geen vervaardigen van nucleaire wapens; geen bezit; en geen toestaan hun introductie. Okinawa is de zelfde weg als het hoofdland behandeld. Over de volgende maanden weidde eerste minister Sato en minister van buitenlandse zaken Miki over op de limieten van het beleid uit. Sato voelde hem was noodzakelijk om flexibiliteit toe te passen zo dat het beleid zou kunnen ontwikkelen.

De Okinawa kwestie

Het verzet van de VS tegen de Japanse eis dat de nucleaire wapens op Okinawa verwijderd moesten worden, was gebaseerd op twee decennia van routineplaatsing van nucleaire wapens op het eiland. Tijdens deze periode genoten nucleaire operaties en nucleaire plaatsingen volledige onafhankelijkheid van het Japanse nucleaire beleid. De nucleaire wapens die bewaard werden in Okinawa bevatten zowel strategische als niet-strategische wapens. De strategische nucleaire wapens waren gekentekend als lange-afstand B-52 bommenwerpers. De niet-strategische wapens waren onder andere tactische bommen en nucleaire lucht-luchtwapens voor het gebruik door gevechtsbommenwerpers. Het Pentagon was een voorstander van de verdere plaatsing van nucleaire wapens op Okinawa zelfs na de terugtrekking, maar de nieuwe VS-tegenwoordiger, ambassadeur Brown, ging niet akkoord. Hij pleitte dat een blijvende plaatsing politiek onmogelijk was en dat de terugtrekking van de nucleaire wapens niet noodzaklijk betekende dat het afschrikeffect van de wapens zou verzwakken.

In juni 1969 tijdens een eerste sessie van gesprekken met betrekking tot Okinawa tussen de Japanse minister van Buitenlandse Zaken Aichi en de VS staatssecretaris Rogers, drong Aichi er op aan dat de nucleaire wapens verwijderd moesten worden van Okinawa. Diplomaten slaagden er niet in de kwestie op te lossen dus in november 1969 arriveerde premier Sato in Washington voor een persoonlijk gepsrek met president Nixon. Na de ontmoeting was het voor president Nixon duidelijk dat Sato niet overtuigd kon worden om nucleaire wapens nog langer toe te laten op Okinawa.

De vraag van de VS-marine naar toestemming voor nucleair-aangedreven oorlogsschepen om aan te meren in Japan, wakkerde de anti-nucleaire sentimenten bij de bevolking nog meer aan. Een half dozijn duikboten bezocht Japan in 1971, sommigen verschillende keren, maar vooral de oppervlakteschepen waren omstreden. De nucleair aangedreven kruiser USS Truxton (CGN-35) arriveerde in maart 1971 in Yokosuka. Het was het eerste nucleair aangedreven oppervlakteschip in Japan. Maar een later voorstel om ook Sasebo te bezoeken was opgeschort na overleg in het parlement. De Japanse regering leidde een eigen radio-actieve controle op havens bezocht door nucleaire aangedreven schepen. Japan wilde bovendien dat de VS instemde met een akkoord waarbij nucleair-aangedreven schepen de Japanse havens niet mochten gebruiken zodat men het kaliber van de instrumenten kon bepalen.

Na berichten in de Japanse media in juli 1971 dat het nucleair aangedreven vliegdekschip USS Enterprise (CVN-65) was verplaatst van de Eerste naar de Zevende Vloot, lieten Japanse beambten de VS Ambassade weten dat de US Enterprise weg moest blijven van Japanse havens tot na de parlementszitting die gepland was in midden oktober om de ‘Okinawa Reversal Agreement’ te bespreken. Het risico voor de Japanse regering om zich op dun ijs te begeven tussen enerzijds een non-nucleaire publieke opinie en anderzijds een geheim nucleair beleid dat nucleaire wapens aanvaardde, was ogenschijnlijk voor zowel Amerikaanse als Japanse beambten. De kleinste aanwijzing dat nucleaire wapens aanwezig zouden zijn op een schip of vliegtuig op Japans territorium zou onmetelijke gevolgen hebben voor de Japanse regering, en ze vermoedelijk doen vallen. Geheimhouding was dus het voornaamst. Zelfs de verplaatsing van nucleaire wapens van Okinawa was geheim. Het toegeven van VS-beambten dat nucleaire wapens verplaatst werden van Okinawa naar Guam, Zuid-Korea, Taiwan en de Fillipijnen werd een groot mediaverhaal in Japan omdat het het bestaan van de nucleaire wapens in Okinawa voor de eerste keer publiekelijk erkende. De overeengekomen atoomvrij making van Okinawa viel samen met een grootse reorganisatie van VS op voorhand gemobiliseerde nucleaire wapens in de Asia-Pacific regio. Deze reorganisatie nam plaats in de nasleep van een serie van kritische inspecties van nucleaire opslagfaciliteiten in het gebied.

Al snel nadat de nucleaire wapens van Okinawa verdwenen waren in 1972, dook de botenkwestie weer op. De VS Marine wilde het nucleair capable vliegdekschip USS Midway (CV-41) aanmeren in Yokosuka. Tijdens de VS-Japan gesprekken in Hawaii op 31 Augustus 1972, werden Japanse beambten van het Ministerie voor Buitenlandse Zaken voor de eerste keer op de hoogte gebracht van de mogelijke plaatsing. Voordien hadden nucleaire wapens enkel een doortocht gemaakt door Japanse wateren en havens, maar het aanleggen van een nucleair vliegdekship in een Japanse haven betekende dat er ook nucleaire wapens werden 'aangelegd'. Ongeacht de verschillende interpretaties van de term 'introductie' in verband met nucleaire wapens, het permanent 'aanleggen' van nucleaire wapens aan boord van een vliegdekschip in Japan, ondanks Japans non-nucleaire beginselen zou moeilijk te verantwoorden zijn. Niettegenstaande de nucleaire bewapening, ging de Japanse overheid uiteindelijk akkoord met het permanent aanmeren in Japan van niet alleen de USS Midway, maar ook met 6 andere oorlogsschepen. Terwijl de Japanse overheid de woorden 'permanent aanleggen' probeerde te vermijden in publiek, besloot de VS Marine een minder wispelturige term te gebruiken. Bijgevolg werd 'permanent aanleggen' voortaan 'verlengde plaatsing' genoemd. De majoor van Yokosuka, die zich voorheen had verzet tegen de aanlegging van de USS Midway, verklaarde uiteindelijk publiekelijk zijn bereidwilligheid om Amerikaanse vliegdekshepen voortaan Yokosuka te laten gebruiken als hun 'moederhaven', weliswaar op bepaalde voorwaarden. Terwijl beide landen de Japanse nucleaire ban straalweg negeerden, was de aanlegging van de USS Midway van bij het begin overspoeld met problemen. Wanneer het vliegdekschip binnenvoer in Yokosuka op 5 Oktober 1973, kwam het massabetogingen tegemoet.

De meeste vliegdekschepen hebben Japanse havens voor havenbezoeken kunnen gebruiken, maar hebben kunnen hebben sorteer opnieuw scheepswerf faciliteiten in de Verenigde Staten voor belangrijke herstelling en training terugkeren naar. Maar met betrekking tot de voorwaartse plaatsing van de V.S. Halverwege in Japan, waren speciale nucleaire wapens procedures noodzakelijk. Dit had niet alleen betrekking op nucleair wapens training maar ook naar eigenlijke behandeling van de nucleaire wapens toen het schip in droogdok in Yokosuka voor het binnengaan van droogdok ging, zal de V.S. Halverwege afspraak met een munitie schip buitenste Tokio Baai en overbrengt zijn nucleaire artillerie tijdelijk naar het opslagschip. Zodra de droogdok periode vervolledigd werd, zou de transporteur uit opnieuw zeilen en zou nucleaire wapens van het zelfde of nog een munitie schip en terugkeer naar Yokosuka oppakken om voorbereidingen voor de volgende plaatsing te beëindigen. Het is onduidelijk of zo'n nucleaire lost gebeurde voor iedere droogdok periode of enkel op zekere gelegenheden, maar het informatie verschijnt enkele rapporten in Japan over de jaren te bevestigen, waar van nucleaire wapens van de V.S. lost Halverwege werden rumored plaats voor onderhoud in Yokosuka genomen te hebben. In februari 1980 volgens een rapport in Asahi Shimbun, bracht de V.S. Halverwege naar verluidt zijn nucleaire wapens na het terugkeren van een verlengde plaatsing over. Een andere gebeurde zo'n overdracht naar verluidt op 3 juni 1981, volgende vorig nucleair wapens ongeval boort boord het schip Ondanks de vele officiële verzekeringen van de integriteit van de bilaterale schikkingen achtte de Japanse regering spoedig het nodig om zijn beleid opnieuw uit te leggen. In januari 1975 in antwoord op vragen in het Diet, de Japanse regering bracht een formele geschreven verklaring uit, die, onder andere dingen, haalde naar voren het feit dat de aankomst van de V.S. Zeeschepen die constant met nucleaire wapens uitgerust is, word hun doorgang door water of oproepen aan de havens van Japan beschouwd onder de categorie te komen om nucleaire wapens in te brengen. Deze verklaring was problematisch voor de V.S. omdat het betekende - tenminste in termijnen van beleid - een Japanse omkering van de "stillschweigende aanvaarding" van nucleaire wapens op transiting oorlogsschepen en vliegtuig. Het impliceerde ook dat introductie van nucleaire wapens in Japan niet langer eigenlijke plaatsing op land zou vereisen.

De periode na de Koude Oorlog

V.S.- Japan nucleaire relaties uit de Koude Oorlog geven onze belangrijke lessen mee in verband met de langetermijngevolgen van aanhoudende verschuiling van onderliggende realiteiten in verband met veiligheidsovereenkomsten. Ongeacht de militaire grondreden die destijds gebruikt werd om de plaatsing van nucleaire wapens in Japan te rechtvaardigen, de geheimhouding en de ontkenningen die optraden bij de plaatsingen creëerde een politieke erfenis die blijft voortduren tot de dag van vandaag.

Nu dat Amerikaanse kernwapens van de Stille-Zuid Zee zijn weggehaald, bestaat de gelegenheid voor zowel Japan als de Verenigde Staten om opnieuw de vooronderstellingen van hun veiligheidsverhouding te onderzoeken en voornamelijk kritisch te onderzoeken of een vertrouwen op het niveau van de Koude Oorlog in verband met nucleaire afschrikking een effectieve manier blijft om hun wederzijdse veiligheidsdoelen te bereiken. Dit heeft vooral betrekking op Japan, dat nucleaire ontwapening publiekelijk omhelst, maar ook mogelijke toekomstige VS-transits van nucleaire wapens via Japan aanvaardt. Bovendien Staat het de VS toe om routine nucleaire leiding te voeren en nucleaire operaties uit te voeren vanop Japans grondgebied.

Bronnen

  • Doak, Kevin. "Hiroshima as History: Some Preliminary Thoughts". Swords and Ploughshares, Volume 9 nr. 3-4 (1995): 9-12.
  • Kamiya, Matake. "Nuclear Japan: Oxymoron or coming soon?". The Washington Quarterly, Volume 26 nr. 1 (2002): 63-75.
  • Kristensen, Hans M. Japan Under the Nuclear Umbrella: U.S. Nuclear Weapons and Nuclear War Planning in Japan During the Cold War. The Nautilus Institute, Berkeley, 1999.
  • Wakaizumi, Kei. The Best Course Available: A Personal Account of the Secret U.S.-Japan Okinawa Reversion Negotiations. Honolulu: University of Hawaii Press, 2002.
  • Yoneyama, Lisa. Hiroshima Traces: Time, Space and the Dialectics of Memory. Berkeley: University of California Press, 1999.