Ōnin oorlog
Uit GeschiedenisJapan
De ōnin-oorlog ( 応仁の乱 )begon als een conflict tussen de machtigste clans van Japan. Het ontaardde in een burgeroorlog die van 1467 tot 1477 woedde.
Inhoud |
Het Muromachi-Bakufu en zijn relatie met de shugo-daimyō ( 守護大名 )
Ashikaga Takauji
Ashikaga Takauji ( 足利尊氏 ) is de eerste shōgun (#1) van de Muromachi periode ( 1333-1573). Hij stichtte het Ashikaga Bakufu. De Muromachi periode wordt dan ook wel de periode van het Ashikaga Bakufu genoemd.
Hoewel Takauji de val van het vorige Bakufu (#2) – het Kamakura Bakufu ( 1185-13333 ) - had bewerkstelligd, nam hij toch de overgeleverde machtsstructuren van het Kamakura Bakufu over. Leden van zijn eigen familie en vertrouwelingen uit de Bushi-klasse ( krijgersklasse ) benoemde hij op de posten van politiecommissaris ( shugo ) en gaf hun het gezag over de plaatselijke bushi gemeenschap in hun gebied.
De shugo waren dus verantwoordelijk voor een hun toegewezen provincie of provincies en vertegenwoordigde er het Bakufu. Toch werden deze shugo geleidelijk aan machtiger en autonomer ten opzichte van het centrale Bakufu bestuur dat zich had gevestigd in Kyōtō. Een duidelijk voorbeeld hiervan was de wet die Takauji in 1352 afkondigde waarbij hij aan de shugo de volmacht gaf om de helft van de jaarlijkse pachtrente te verdelen onder de bushi van hun provincie. Door deze wet legaliseerde het Bakufu dus de inbeslagneming van 5O % van de jaarlijkse landbelasting. De verdeling van de inkomsten in twee gelijke helften – Hanzei genaamd – verhoogde in aanzienlijke mate de macht van de shugo.
Deze shugo evolueerden tot machtige feodale landheren die de feitelijke macht hadden over hun provincie. Onder het Kamakura-Bakufu was de shugo niet meer geweest dan een provinciaal ambtenaar van het Bakufu, maar onder het Muromachi-Bakufu ontpopten ze zich dus tot feodale heersers. Deze tot feodaal heer uitgegroeide shugo noemt men shugo-daimyō ( 守護大名 ). Deze shugo-daimyō waren zo machtig, dat zonder een belangrijke inbreng van hun kant in de politieke besluitvorming, regeren onmogelijk was.
Yoshimitsu
De eerste twee shōguns van het Muromachi-Bakufu – Takauji en Yoshiakira – namen de bestaande instellingen van het Kamakura-Bakufu over, maar onder de derde shōgun – Yoshimitsu ( 義満 ) – veranderde dit. Hosokawa Yoriyuki ( 細川頼之: 1329-1392 ), de assistent van de shōgun creëerde een nieuwe staatsstructuur. Het eerste wat Yoruyuki deed, was het ambt van assistent ( dat geen officieel regeringsambt was ) omvormen tot het hoogste publieke ambt onder de shōgun, met de nieuwe titel van Vice-Shōgun. De post werd steeds gevuld door een lid van één van de 3 belangrijkste clans: de Hosokawa, de Shiba en de Hatakeyama. Onder de Shōgun en de Vice-Shōgun waren er vijf centrale instellingen waarvan het burau der Samurai het belangrijkste was. Het hoofd van dit bureau was na de Vice-Shōgun de machtigste man in de regering. Het ambt was het monopolie van vier clans: De Yamana ( 山名 ), de Akamatsu ( 赤松 ), de Kyogoku ( 京極 )en de Isshiki ( 一色 ).
De macht van het Bakufu bereikte onder Yoshimtsu haar hoogtepunt om na diens dood ( 1404) gestadig af te zwakken en tijdens en na de ōnin-oorlog haar dieptepunt te kennen.
Opvolgingsdisputen
Hatakeyama opvolgingsdispuut
Drie zeer belangrijke clans waren die van de Hosokawa, de Shiba ( 斯波 ) en de Hatakeyama ( 畠山 ) omdat leden van deze families de post van vice-Shōgun bezette. Doch in de clans van de Hatakeyama en de Shiba braken er opvolgingsdisputen uit en hoewel ze niet de hoofdrede waren voor het uitbreken van de ōnin-oorlog, zorgden ze er toch voor dat deze verlengd werd.
Het Hatakeyama-opvolgingsdispuut vindt zijn oorsprong bij Hatakeyama Mochikuni en diens onvermogen om een mannelijke nakomeling te produceren. Daardoor plaatste hij zijn neef Masanaga in lijn als hoofd van de Hatakeyama clan. Kort daarna baarde één van Mochikuni’s concubines een zoon genaamd Yoshinari. Mochikuni wou nu dat zijn zoon Yoshinari het hoofd van de clan werd. Dit was natuurlijk tegen de zin van Masanaga. Deze zocht steun bij Hosokawa Katsumoto ( 細川勝元 ) en Yamana Sōzen.
Toch slaagde Mochikuni er in 1454 in om zijn zoon Yoshinari te laten aanstellen als hoofd van de Hatakeyama clan. Hierop schaarden belangrijke bushi vazallen van de Hatakeyama clan zich achter Masanaga zoals de Jimbo en de Yusa. Shōgun Yoshimasa, een grillig man, liet zich overhalen door Hosokawa Katsumoto en liet Masanaga als clanhoofd instellen. Toch zou hij nog verschillende keren van gedacht veranderen en later opnieuw Yoshinari als clanhoofd instellen.
Het opvolgingsdispuut sleepte aan tot in de ōnin-oorlog en zorgde ervoor dat deze verlengd werd, hoewel gevechten in de stad Kyōtō al lang voorbij waren.
Hosokawa Katsumoto werd , als vice-Shōgun, beschouwd als de belangrijkste bron van steun voor Masanaga. Dit dreef Yamana Sōzen in het kamp van Yoshinari.
Shiba opvolginsdispuut
Ook de Shiba clan had te kampen met opvolingsdisputen. Na de dood van het hoofd van de Shiba clan werd Shiba Yoshitoshi aangesteld als clanhoofd. Dit was tegen de zin van Kai Tsuneharu, een hoge officier en vazal van de Shiba clan. Kai was tegen de benoeming van Yoshitoshi als clanhoofd omdat deze de autonomie van de vazalfamilies wou beperken. Kai daarentegen streefde naar autonomie van de vazalfamilies. Opnieuw was het Hosokawa Katsumoto die de kant koos van Yoshitoshi en vond dat Kai zich achter zijn meester moest scharen. Als Vice-Shōgun kon Katsumoto de Shōgun overtuigen Yoshitoshi opnieuw als clanhoofd te laten bevestigen. Doch later zou Yoshitoshi een direct bevel van de Shōgun negeren en zo in ongenade vallen bij het Bakufu. Daarop stelde de Shōgun Shiba Yoshikado aan als clanhoofd.
De twee clans – Hatakeyama en Shiba – raakten door deze opvolginsdisputen erg verzwakt, maar de twee clans die hen steunden – Hosokawa en Yamana – ontpopten zich tot de machtigste van Japan. Zo ontstonden er twee grote kampen die elkaar om de macht zouden bevachten: Die van Hosokawa Katsumoto en die van Yamana Sōzen.
Aftakeling van het Bakufu
Het centrale gezag van het Bakufu bleef stevig in handen van de shōgun onder de shōguns Yoshimochi en Yoshinori. Het was pas na de opvolging van Yoshinori door Yoshimasa dat het gezag van het Bakufu snel aftakelde.
Yoshimasa was de Shōgun tijdens de ōnin-oorlog. Zijn wanbestuur, extravagantie en grilligheid zouden het land in een burgeroorlog storten.
Op de leeftijd van 40 maakte hij bekend dat hij zich uit de regering wou terugtrekken en bij gebrek aan een zoon benoemde hij zijn broer Yoshimi tot Shōgun. Maar kort daarna kreeg Tomiko, de vrouw van Shōgun Yoshimasa, een zoon: Yoshihisa. Natuurlijk wou zij dat haar zoon tot Shōgun benoemd zou worden. Sinds Hosokawa Katsumoto de voogd was van Yoshimi, pleitte ze haar zaak bij Yamana Sōzen om haar zoon te steunen bij het worden van de nieuwe Shōgun. Yamana Sōzen stemde hierin toe omdat hij vreesde dat Yoshimi de nieuwe Shōgun zou worden en daarbij Hosokawa Katsumoto grote macht zou verschaffen.
De ōnin-oorlog ( 応仁の乱 )
De ōnin-oorlog brak officieel uit in 1467 en duurde tot 1477. Hoewel we zagen dat het zaad voor de ōnin-oorlog veel vroeger gezaaid was door de opvolgingsdisputen van de Hatakeyama en de Shiba en het ontstaan van twee grote kampen: Die van Hosokawa Katsumoto en die van Yamana Sōzen. Het opvolgingsdispuut over de Shōgun was slechts een geschikte reden om deze disputen eens en voor altijd te beslechten. Degene die Yoshimi steunden als nieuwe Shōgun waren o.a. Katsumoto en Hatakeyama Masanaga. Degene die Yoshihisa steunden als nieuwe Shōgun waren o.a. Sōzen en Yoshinari. Zo probeerden men dus niet alleen de opvolgingskwestie van de Shōgun te beslechten, maar ook die van de Hatakeyama clan en wie de machtigste clan van Japan zou worden. In oorsprong was de ōnin-oorlog dus niets meer dan een conflict tussen de twee machtigste daimyofamilies, de Hosokawa en de Yamana. Nochtans lagen ook de economische toestand en de rampzalige situatie van grote delen van de bevolking mee aan de basis van de oorlog.
In 1467 brak een regelrechte burgeroorlog uit in straten van Kyōtō, die uiteindelijk de keizerlijke stad bijna geheel in as legde. De oorlog woedde voornamelijk in Kyōtō en onmiddellijke omgeving en was alleen al daarom uniek in de Japanse geschiedenis.
“The chronicle of ōnin” vat de oorlog samen in 3 delen. Het eerste deel beschrijft de extravagantie en incompetentie van Yoshimasa en het opvolgingsdispuut in de Shiba en Hatakeyama clan en in het huis van de Shōgun zelf. Het eerste deel besluit met de slag van Gōryō tussen de twee Hatakeyama rivalen in de eerste maand van 1967. Het uitbreken van vijandigheden tussen de Yamana en Hosokawa en de vroege gevechten in de hoofstad Kyōtō bepalen deel twee. En in deel drie zijn er beschrijvingen van gevechten en handelt tot en met de dood van Yamana Sōzen en Hosokawa Katsumoto in 1473. De laatste vier jaar van oorlog worden niet behandelt in "The Chronicle of ōnin".
Zoals gezegd sterven zowel Sōzen als Katsumoto in 1473, maar dit kan geen einde maken aan de oorlog. Pas in 1477 en pas nadat hij het door hem bezette deel van Kyōtō letterlijk in brand stak, verliet Ouchi Masahiro, één van de Yamanageneraals, Kyōtō.
Gevolgen van de ōnin-oorlog
Hoewel het officiële einde van de ōnin-oorlog in 1477 wordt geplaatst, gingen de gevechten ook na 1477 door en spreidde zich uit over de rest van Japan. Met name het Hatakeyama dispuut was overgebracht naar de provincie Yamashiro. Daar bevochten Masanaga en Yoshinari elkaar verder. Dit had tot gevolg dat in 1485 de boerenbevolking en de kokujin ( samurai ) in opstand kwamen en wel op zo een georganiseerde manier dat ze de twee legers konden verdrijven uit de provincie. Deze opstand staat bekend als de kokujin opstand. Niet alleen in Yamashiro, maar in heel Japan braken opstanden van boeren, kokujin en ji-samurai uit tegen de daimyō en de shōgun. Deze opstanden ( ikki ) hebben tot springplank gediend voor de kokujin en jisamurai om hun macht uit te bouwen. Zij gebruikten de boeren om de macht van de daimyo omver te werpen.
De ōnin-oorlog - zoals burgeroorlogen nu eenmaal doen – maakte een (voorlopig) einde aan het centrale militaire gezag (Bakufu) in Japan, maar betekende tevens het begin van een nieuwe periode in de feodale ontwikkeling van Japan: die van de sengoku-daimyō. De ōnin-oorlog betekende het einde van de Shugo-daimyō en het begin van de sengoku-daimyō. De sengoku-daimyō zijn vooral vazallen die zich tegen hun vorige meesters, de shugo-daimyō, keren. Door de langdurige afwezigheid van deze laatste door de ōnin-oorlog en door de vele boerenopstanden, konden de lagere samurai en landheren zich ontwikkelen tot machtige feodale heren.
Voetnoten
- 1: Leider van het shogunaat
- 2: Centraal militair bestuur
Bronnen
- Paul Varley, H. The ōnin war. History of its Origins and Background With a Selective Translation of The Chronicle of ōnin. New York: Columbia university press. 1967
- Vande Walle, Willy, "Geschiedenis van Japan tot 1868", cursus gedoceerd in het kader van het vak 'Geschiedenis van Japan tot 1868', Katholieke Universiteit Leuven, Leuven, Cursusdienst Eoos Studentenvereniging Taal- & Regiostudies KULeuven, 2006.

